Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1227

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
27 februari 2026
Publicatiedatum
28 maart 2026
Zaaknummer
C/16/607084 / JL RK 26-111
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:257 BWArt. 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging gesloten jeugdhulp voor minderjarige met ASS en dwangstoornis

De Raad voor de Kinderbescherming en de gecertificeerde instelling verzochten voorlopige ondertoezichtstelling en machtiging tot uithuisplaatsing van een 17-jarige minderjarige met autismespectrumstoornis (ASS) en dwangstoornis. De minderjarige vertoont ernstig zorgmijdend gedrag en kan niet zelfstandig functioneren, wat het gezin zwaar belast. Ouders werken mee aan hulpverlening maar zijn niet in staat de problematiek thuis te beheersen.

De kinderrechter constateert een ernstige en acute ontwikkelingsbedreiging en acht een gedwongen kader noodzakelijk om passende hulp te kunnen bieden. De minderjarige is eerder in een open setting geplaatst, waar hij zich onttrok aan zorg en agressief gedrag vertoonde, wat leidde tot fixaties en onveilige situaties. Een open plaatsing is daarom niet langer passend.

De kinderrechter wijst het verzoek van de gecertificeerde instelling tot afwijzing van de ondertoezichtstelling af en stelt de minderjarige voorlopig onder toezicht voor drie maanden. Tevens wordt een machtiging verleend voor gesloten jeugdhulp voor twee maanden. Het verzoek tot machtiging uithuisplaatsing van de Raad wordt afgewezen. De beslissingen zijn direct uitvoerbaar verklaard. Hoger beroep is mogelijk binnen drie maanden.

Uitkomst: De kinderrechter stelt de minderjarige voorlopig onder toezicht en verleent een machtiging voor gesloten jeugdhulp, wijst het verzoek tot uithuisplaatsing af.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Lelystad
Zaaknummer: C/16/607084 / JL RK 26-111 (verzoek voorlopige ondertoezichtstelling en een machtiging uithuisplaatsing)
C/16/607526 / JL RK 26-124 (verzoek machtiging gesloten jeugdhulp)
Datum uitspraak: 27 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een voorlopige ondertoezichtstelling, een machtiging tot uithuisplaatsing en een machtiging tot gesloten jeugdhulp
in de zaak van
de Raad voor de Kinderbescherming,
Midden-Nederland, Lelystad,
hierna te noemen de Raad,
verzoeker in zaaknummer C/16/607084 / JL RK 26-111,
en
de gecertificeerde instelling
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te Amsterdam,
hierna te noemen de GI,
verzoeker in zaaknummer C/16/607526 / JL RK 26-124,
over
[minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2009 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen [minderjarige] ,
advocaat mr. E. Uijt de boogaardt uit Lelystad.
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan in beide procedures:
[de moeder],
hierna te noemen de moeder,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. mr. T.S.S. Overes uit Almere,
[de vader],
hierna te noemen de vader,
wonende in [woonplaats] ,
advocaat mr. mr. T.S.S. Overes uit Almere.

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt de volgende stukken mee in de beoordeling.
In zaaknummer: C/16/607084/ JL RK 26-111:
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 17 februari 2026;
  • de tussenbeschikking van 17 februari 2026.
In zaaknummer: C/16/607526 / JL RK 26-124
  • het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 25 februari 2026;
  • de tussenbeschikking van 25 februari 2026;
  • de instemmingsverklaring van de gedragswetenschapper van 25 februari 2026, ingediend op 27 februari 2026.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 27 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
  • de advocaat van [minderjarige] ;
  • de ouders met hun advocaat;
- een vertegenwoordiger van de Raad;
- een vertegenwoordiger van de GI.
1.3.
De kinderrechter heeft [minderjarige] naar zijn mening gevraagd. [minderjarige] is niet verschenen op de zitting. Zijn advocaat heeft zijn mening gegeven.

2.De feiten

2.1.
De ouders zijn belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige] .
2.2.
[minderjarige] woont bij zijn ouders.
2.3.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 17 februari 2026 [minderjarige] voorlopig onder toezicht gesteld tot 3 maart 2026 en een spoedmachtiging verleend om [minderjarige] gedurende dag en nacht uit huis te plaatsen in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder tot 3 maart 2026.
2.4.
De kinderrechter in deze rechtbank heeft bij beschikking van 25 februari 2026 een spoedmachtiging verleend om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp tot en met 3 maart 2026.
2.5.
Bij allebei de beslissingen is het meer of anders gevraagde aangehouden.
2.6.
[minderjarige] verbleef van 24 tot 26 februari 2025 in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder. Ten tijde van de zitting verbleef [minderjarige] bij zijn ouders.

3.De verzoeken

In zaaknummer C/16/607084 / JL RK 26-111
3.1.
De Raad verzoekt [minderjarige] voorlopig onder toezicht te stellen voor de duur van drie maanden. Ook verzoekt de Raad een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een accommodatie van een jeugdhulpaanbieder te verlenen voor de duur van drie maanden en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.
In zaaknummer C/16/607526 / JL RK 26-124
3.2.
De GI verzoekt een spoedmachtiging te verlenen om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van vier weken. De GI verzoekt daarnaast om aansluitend een machtiging tot uithuisplaatsing van [minderjarige] in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp te verlenen voor de duur van twee maanden.

4.De standpunten

De Raad
4.1.
De Raad handhaaft de verzoeken. [minderjarige] is een 17-jarige jongen bij wie een autismespectrumstoornis (ASS) is vastgesteld en die trauma’s heeft opgelopen tijdens zijn schooljaren. Hierdoor heeft hij dwang en angsten ontwikkeld. [minderjarige] zit al geruime tijd thuis en gaat niet meer naar school. Zijn leven wordt volledig in beslag genomen door zijn dwang. Hij kan niet meer zelfstandig functioneren. Het hele gezin wordt beïnvloed door de dwang van [minderjarige] , zij moeten zich op alle fronten aanpassen. Zo kan bijvoorbeeld het zusje van [minderjarige] geen vrienden mee naar huis nemen, dit is te onrustig voor [minderjarige] . Ouders hebben alles geprobeerd om [minderjarige] te helpen, maar dit lukt niet. Ouders zitten volledig thuis en kunnen niet meer werken. Door de ervaringen die [minderjarige] heeft gehad op bijvoorbeeld school, heeft hij de overtuiging dat alles in Flevoland niet goed gaat. Daarom wil hij niet meer naar buiten. Hij wil graag “gewoon” zijn, maar hij ervaart dat dit voor hem niet vanzelfsprekend is. Zijn tweelingbroer en zusje hebben beiden ook ASS, maar gaan wel naar school. Zij hebben een “normaal” leven in de ogen van [minderjarige] en hij wil dat ook. Thuis is Thuis op Maat ingezet, dit heeft niet het gewenste effect gehad. Ouders zijn ten einde raad, [minderjarige] gaat met de dag achteruit. De enige optie om [minderjarige] te kunnen helpen is een klinische opname. [minderjarige] zal daar niet vrijwillig heen gaan. Het is moeilijk om te bepalen wat er bij [minderjarige] op de voorgrond staat; gedrag of juist psychiatrie. De Raad begrijpt de onmacht bij ouders en de GI. De mededeling van de Ibis groep, waar [minderjarige] geplaatst was na de spoedmachtiging uithuisplaatsing, dat [minderjarige] niet bij hen kan blijven omdat er een machtiging gesloten is afgegeven, is niet in het belang van [minderjarige] . Zij hadden een zorgplicht. De ondertoezichtstelling is noodzakelijk om de relatie tussen de ouders en [minderjarige] te waarborgen. [minderjarige] wil niet meewerken aan de hulp die noodzakelijk is, zijn problematiek zit hem daarbij in de weg. Hij is door zijn angsten zorgmijdend. Ouders zijn niet in staat om [minderjarige] daarin te sturen. Reden waarom zorg in het gedwongen kader noodzakelijk is.
De GI
4.2.
De GI verzoekt om afwijzing van de ondertoezichtstelling. Er is niet voldaan aan de wettelijke vereisten. Ouders werken in dit geval volledig mee aan de in te zetten hulpverlening. Er is daardoor geen sprake van een situatie waarbij ouders geen hulp accepteren. De GI ziet de ontwikkelingsbedreiging bij [minderjarige] . De problematiek bij [minderjarige] is complex, maar een maatregel zoals hier is verzocht, is pas nodig als ouders niet meewerken. Daar is in dit geval geen sprake van. Dat de hulpverlening geen effect heeft, is een trieste situatie, maar geen reden om een maatregel in het gedwongen kader op te leggen. Een machtiging om [minderjarige] gesloten te plaatsen kan ook zonder een ondertoezichtstelling als ouders daarmee instemmen. Het is belangrijk dat er een plek wordt gevonden waar [minderjarige] de juiste hulp krijgt. Een open setting is niet passend, reden waarom is verzocht om een machtiging gesloten.
De ouders
4.3.
Ouders willen het beste voor [minderjarige] . Zij hebben al vroeg gesignaleerd dat [minderjarige] niet goed functioneerde in het reguliere schoolsysteem. [minderjarige] is daar niet goed gehoord en gezien, waardoor hij al op jonge leeftijd klem is komen te zitten. Ouders zijn inmiddels mantelzorger voor [minderjarige] . [minderjarige] is vastgelopen door de dwang, die voortkomt uit de ASS. [minderjarige] probeert controle en veiligheid te creëren door zijn dwang. Inmiddels is alles geprobeerd aan hulpverlening bij ouders thuis, maar de situatie verbetert niet. Dit is voor ouders hartverscheurend. Zij willen het beste voor [minderjarige] , maar realiseren zich dat zij dat thuis niet meer kunnen bieden. Zij zijn op.
4.4.
[minderjarige] was na de spoedmachtiging uithuisplaatsing geplaatst op de Ibis groep in [plaats] . Daar ging het niet goed. [minderjarige] is een aantal keer gefixeerd om hem rustig te krijgen. [minderjarige] wilde daar niet blijven en had veel angst. Hij werd daarbij agressief. Op enig moment is besloten om [minderjarige] niet meer te fixeren. Hij is toen weggelopen en is ook naar het spoor gerend. Hij is wel teruggekomen naar de groep, maar heeft daar niet geslapen en gegeten. [minderjarige] wilde terug naar huis. Doordat de veiligheid van de andere kinderen op de groep niet gewaarborgd kon worden heeft de GI een verzoek gedaan tot een spoedmachtiging gesloten. Die is ook afgegeven. Vervolgens heeft de Ibis groep aangegeven dat zij de plaatsing introkken, omdat er een spoedmachtiging gesloten jeugdhulp was afgegeven. Er was alleen geen plek voor [minderjarige] . Daardoor moesten ouders hem ophalen en zit [minderjarige] nu weer thuis. Ouders weten niet wat nu nog in het belang is van [minderjarige] . [minderjarige] dreigt in hongerstaking te gaan als hij gesloten wordt geplaatst. Ouders willen goede hulp voor [minderjarige] , maar lopen ook vast in het systeem. Thuisblijven is ook geen optie. [minderjarige] geeft nu aan dat hij wel naar een gezinshuis wil. Het idee van [minderjarige] is dat hij dan alleen naar een modern huis gaat, waar dan iemand komt voor de huishoudelijke taken. [minderjarige] heeft bepaalde ideeën over dit huis en als daar niet aan voldaan wordt dan wil hij daar ook niet heen. Ouders benadrukken dat zij willen dat de juiste hulp wordt ingeschakeld voor [minderjarige] . Zij zijn het eens met het uitspreken van de ondertoezichtstelling, zodat de vertrouwensband tussen hen en [minderjarige] blijft. Met betrekking tot een machtiging uithuisplaatsing of de machtiging gesloten plaatsing verzoeken zij aanhouding danwel afwijzing. Ouders willen niet instemmen met een machtiging als niet duidelijk is waar [minderjarige] geplaatst wordt en of dit passend is bij zijn problematiek. Als het verzoek wordt aangehouden kan in de tussengelegen periode nog gekeken worden naar een andere passende plek.
[minderjarige]
4.5.
De advocaat van [minderjarige] heeft verteld dat zij met [minderjarige] heeft gesproken in aanwezigheid van beide ouders. [minderjarige] wil absoluut niet naar een gesloten plek. [minderjarige] is erg rigide in zijn denken, dit past ook bij ASS. [minderjarige] is helemaal vastgelopen. Hij geeft aan dat als hij naar dezelfde opensetting of een gesloten setting gaat, dat hij dan hetzelfde zal doen als de eerste keer. Dit betekent dat hij niet zal eten en slapen. De vraag is als [minderjarige] zo beheerst wordt door zijn angst en dwang of een gesloten plaatsing dan de hulp gaat bieden die [minderjarige] nodig heeft. Een alternatief voor [minderjarige] is een plaatsing in een gezinshuis. Er moet dan wel expertise aanwezig zijn voor de problematiek van [minderjarige] . Het moet huiselijk ingericht zijn. De advocaat verzoekt namens [minderjarige] om afwijzing van alle verzoeken. Het gedwongen kader is contraproductief. Mogelijk dat er dan ook gekeken kan worden of er hulp kan worden gevonden via de Wet op de geestelijke gezondheidszorg (Wvggz).

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een voorlopige ondertoezichtstelling is voldaan. [1] Er is een ernstig vermoeden dat de ontwikkeling van [minderjarige] acuut en ernstig wordt bedreigd. De voorlopige ondertoezichtstelling is noodzakelijk om die bedreiging weg te nemen. De kinderrechter legt hieronder uit waarom.
5.2.
De kinderrechter heeft gehoord wat het standpunt is van de GI. Iedereens is het erover eens dat de problematiek bij [minderjarige] complex is en dat er sprake is van een ontwikkelingsbedreiging die zijn ontwikkeling naar volwassenheid belemmert. Het gedrag van [minderjarige] komt voort uit ASS, trauma’s en dwang. De thuissituatie is onhoudbaar. [minderjarige] wordt beheerst door zijn dwangstoornis. Dit belemmert hem zodanig dat hij niet naar school gaat, maar ook geen eenvoudige taken thuis kan uitvoeren zoals het smeren van een boterham. Ouders moeten hem nu in alles ondersteunen. Als dingen niet gaan zoals [minderjarige] het in zijn hoofd heeft wordt hij erg boos. Ouders zijn niet meer in staat om [minderjarige] te confronteren/ sturen in zijn zorgelijke gedrag. Ondanks de inzet van hulpverlening thuis, is er geen verandering gekomen in het gedrag van [minderjarige] . De situatie is erg ongezond voor [minderjarige] , zijn ouders en zijn broer en zus. Reden waarom een uithuisplaatsing van [minderjarige] noodzakelijk is.
5.3.
Ouders werken mee met de ingezette hulpverlening en verzetten zich niet. Echter, het gaat niet alleen om het mee
willenwerken maar ook of het lukt om mee te werken. Dat laatste ziet meer op het
kunnenaccepteren en benutten van de hulp die nodig is. De wens van ouders om de relatie met [minderjarige] goed te houden, beïnvloed hun keuze voor de in te zetten hulpverlening. Dat is nu ook zichtbaar bij de verzoeken die voorliggen. Ouders geven aan achter een uithuisplaatsing te staan, maar willen wel inspraak bij de plek waar [minderjarige] terecht komt. Dat is op zichzelf begrijpelijk, maar wat voorop staat is dat het thuis niet meer gaat met [minderjarige] . Een uithuisplaatsing is dan noodzakelijk, ook als dat betekent dat hij mogelijk eerst komt op een plek die minder passend is. Ouders zitten klem tussen wat [minderjarige] nodig heeft en wat hij wil. Daarom is regie vanuit het gedwongen kader nodig om de zorg te kunnen inzetten die nodig is voor het wegnemen van de ontwikkelingsbedreiging. Het gedwongen kader biedt de GI de mogelijkheid om regie te voeren en om de hulpverlening in te zetten die de GI passend vindt.
5.4.
Daarnaast is de kinderrechter van oordeel dat jeugdhulp noodzakelijk is in verband met ernstige opgroei- of opvoedingsproblemen die de ontwikkeling van [minderjarige] naar volwassenheid ernstig belemmeren. Deze problemen maken dat het verblijf in een gesloten instelling noodzakelijk en geschikt is om te voorkomen dat [minderjarige] zich onttrekt aan de jeugdhulp die hij nodig heeft of daaraan door anderen wordt onttrokken. Het is niet gebleken dat er minder ingrijpende mogelijkheden zijn om deze problemen te behandelen. [2]
5.5.
[minderjarige] is geplaatst in een open setting. Daar is hij in hongerstaking gegaan en is hij weggelopen om zo af te dwingen dat zijn ouders hem zouden ophalen. Door het gedrag van [minderjarige] was de situatie zo onveilig dat hij verschillende keren is gefixeerd en andere kinderen op een andere groep zijn geplaatst. [minderjarige] is na de eerste keer dat hij is weggelopen wel teruggekomen op de groep. Hij heeft die nacht niet geslapen. De dag erna is [minderjarige] wederom weggelopen. Hij liep toen ook op het spoor. Binnen de opensetting kunnen ze de veiligheid van [minderjarige] niet waarborgen. De thuissituatie is onhoudbaar waardoor een uithuisplaatsing noodzakelijk is. Een plaatsing op een open plek is gezien dat wat er is gebeurd geen optie meer. Mocht blijken dat [minderjarige] beter behandeld kan worden op een plek die zorg verleent op basis van de Wvggz dan moet de GI beoordelen of daarnaast nog aanvullend hulp nodig is binnen het kader van de ondertoezichtstelling.
5.6.
Daarom stelt de kinderrechter [minderjarige] voorlopig onder toezicht voor de duur van drie maanden. Ook machtigt de kinderrechter de GI om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp voor de duur van twee maanden. Het verzoek tot een machtiging uithuisplaatsing van de Raad wijst de rechtbank af.
5.7.
De kinderrechter verklaart de beslissing om de machtiging tot uithuisplaatsing af te geven uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
stelt [minderjarige] voorlopig onder toezicht van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering met ingang van 3 maart 2026 tot 17 mei 2026;
6.2.
verleent een machtiging om [minderjarige] uit huis te plaatsen in een gesloten accommodatie voor jeugdhulp met ingang van 27 februari 2026 tot 27 april 2026;
6.3.
verklaart de beslissing onder 6.1 en 6.2 uitvoerbaar bij voorraad;
6.4.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2026 door
mr. M.M.E. Manning, kinderrechter, in aanwezigheid van mr. M. van Meurs als griffier, en op schrift gesteld op 10 maart 2026
en ondertekend door mr. L.P. de Haas
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking over de machtiging tot uithuisplaatsing is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:257 BW Pro.
2.Artikel 6.1.2, tweede lid, Jeugdwet (Jw).