ECLI:NL:RBMNE:2026:1208

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
27 februari 2026
Publicatiedatum
27 maart 2026
Zaaknummer
12052608 \ AV EXPL 26-1 VL/58599
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verstek
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:119 BWArt. 6:96 BWWet op de omzetbelasting 1968
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nakoming schikking en betaling van schadevergoeding in kort geding

In deze kort geding procedure vordert [opposante] B.V. nakoming van een schikkingsovereenkomst gesloten op 18 november 2025, waarbij [geopposeerde] €6.000,00 aan haar moest betalen. Ondanks intrekking van een eerdere procedure door [opposante], is betaling uitgebleven.

De kantonrechter verleent verstek tegen [geopposeerde], die niet is verschenen, en gaat uit van de juistheid van de door [opposante] gestelde feiten. Er is sprake van een spoedeisend belang omdat de niet-nakoming financiële problemen veroorzaakt, onderbouwd met aanmaningen van de belastingdienst.

De kantonrechter wijst de vordering tot betaling van €6.000,00 toe, inclusief wettelijke rente vanaf 18 december 2025, en een vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van €675,00 exclusief btw. Tevens wordt [geopposeerde] veroordeeld in de proceskosten van €1.408,65. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.

Uitkomst: Gedaagde wordt veroordeeld tot betaling van €6.000,00 met rente, incassokosten en proceskosten, uitvoerbaar bij voorraad.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Amersfoort
Zaaknummer: 12052608 \ AV EXPL 26-1 VL/58599
Verstekvonnis in kort geding van 27 februari 2026
in de zaak van
[opposante] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [opposante] ,
gemachtigde: mr. R.A. Rila,
tegen
[geopposeerde] , h.o.d.n.[handelsnaam],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [geopposeerde] ,
niet verschenen.

1.De procedure

1.1.
[opposante] heeft [geopposeerde] op 5 februari 2026 gedagvaard voor de kantonrechter. De kantonrechter heeft vervolgens een mondelinge behandeling bepaald, waaraan voorafgaand [opposante] aanvullende producties heeft overgelegd.
1.2.
Tijdens de mondelinge behandeling was de heer [A] , bestuurder van [opposante] , aanwezig. Hij werd bijgestaan door mr. Rila. [geopposeerde] was niet aanwezig. Hij had zich van tevoren afgemeld; de ontvangst van deze afmelding is door de griffie van de rechtbank aan hem bevestigd bij e-mail van 12 februari 2026. [opposante] heeft antwoord gegeven op vragen van de kantonrechter en de griffier heeft aantekeningen gemaakt van dat wat is besproken. Tenslotte heeft de kantonrechter bepaald dat vandaag vonnis wordt gewezen.

2.De kern van de zaak

2.1.
Vanwege een eerder geschil tussen partijen hebben partijen op 18 november 2025 een schikking getroffen, die inhoudt dat [geopposeerde] tegen finale kwijting € 6.000,00 betaalt aan [opposante] en [opposante] de op dat moment lopende procedure [1] intrekt. [opposante] heeft de destijds lopende procedure ingetrokken, maar [geopposeerde] blijft met betaling in gebreke. [opposante] wil dat [geopposeerde] deze € 6.000,00 betaalt, vermeerderd met rente en kosten. De kantonrechter wijst deze vorderingen grotendeels toe.

3.De beoordeling

Verstek [geopposeerde]
3.1.
De kantonrechter verleent tegen [geopposeerde] verstek, omdat de bij de wet voorgeschreven formaliteiten en termijnen voor de oproeping van [geopposeerde] in acht zijn genomen en hij niet op de mondelinge behandeling is verschenen. Omdat [geopposeerde] geen verweer heeft gevoerd op de mondelinge behandeling, gaat de kantonrechter uit van de juistheid van de gestelde feiten en omstandigheden waarop [opposante] haar vorderingen baseert.
Wettelijke kader
3.2.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. Voor toewijzing van een vordering in kort geding moet aan twee voorwaarden worden voldaan. Er moet sprake zijn van een spoedeisend belang én het moet zeer waarschijnlijk zijn dat de vordering in een bodemprocedure zal worden toegewezen. Als aan één van de twee niet wordt voldaan wordt de vordering afgewezen.
Spoedeisend belang [opposante]
3.3.
De kantonrechter is van oordeel dat [opposante] een spoedeisend belang heeft bij haar vorderingen. Doordat [geopposeerde] de tussen partijen gesloten schikking niet nakomt, is [opposante] in de financiële problemen gekomen. Dit heeft zij onderbouwd met een aan haar gerichte aanmaning van de belastingdienst voor de aanslag omzetbelasting en met een dwangbevel van de belastingdienst aan ‘ [onderneming] B.V.’, de holding die gekoppeld zit aan [opposante] en van wie [opposante] geld heeft geleend dat zij terug moet betalen.
[geopposeerde] moet aan [opposante] € 6.000,00 betalen
3.4.
[opposante] stelt dat partijen op 18 november 2025 een schikking hebben bereikt, op basis waarvan [geopposeerde] € 6.000,00 aan haar moet betalen. Ter onderbouwing daarvan heeft [opposante] de betreffende e-mailwisseling [2] tussen partijen overgelegd. De kantonrechter wijst deze vordering toe. De vordering komt haar namelijk niet onrechtmatig of ongegrond voor en het is naar het oordeel van de kantonrechter voldoende aannemelijk dat deze vordering in een bodemprocedure zal worden toegewezen.
Rente over de hoofdsom
3.5.
[opposante] vordert niet meer de wettelijke handelsrente, maar de wettelijke rente vanaf 3 december 2025 over de hoofdsom. De kantonrechter wijst de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro toe.
3.6.
Aangezien partijen in de schikking geen betalingstermijn zijn overeengekomen, is de in de factuur genoemde vervaldatum [3] van 2 december 2025 geen fatale termijn. Het verzuim van [geopposeerde] is daarom pas ingetreden nadat de in de gebrekestelling [4] genoemde termijn van 17 december 2025 was verstreken. De kantonrechter wijst de wettelijke rente over de hoofdsom daarom toe vanaf 18 december 2025.
[geopposeerde] moet buitengerechtelijke incassokosten betalen
3.7.
[opposante] vordert vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten van € 816,75 inclusief btw. De vordering moet worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW Pro en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten (hierna: het Besluit). [opposante] heeft voldoende gesteld en onderbouwd dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht. [opposante] heeft daarom recht op een vergoeding voor de kosten van die werkzaamheden. [opposante] heeft het gevorderde bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten vermeerderd met btw. De gevorderde btw is niet toewijsbaar, omdat [opposante] niet heeft gesteld geen ondernemer te zijn in de zin van artikel 7 van Pro de Wet op de omzetbelasting 1968 of als ondernemer een vrijgestelde prestatie verricht te hebben. De kantonrechter wijst daarom de gevorderde buitengerechtelijke incassokosten zonder btw toe: € 675,00.
[geopposeerde] moet de proceskosten betalen
3.8.
[geopposeerde] is in het ongelijk gesteld en wordt daarom in de kosten veroordeeld. Hij moet de proceskosten (inclusief nakosten) van [opposante] aan haar betalen. De proceskosten van [opposante] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
128,65
- griffierecht
559,00
- salaris gemachtigde
577,00
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.408,65
3.9.
De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten wijst de kantonrechter toe zoals vermeld in de beslissing.
Uitvoerbaar bij voorraad
3.10.
De kantonrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.

4.De beslissing

De kantonrechter als voorzieningenrechter, rechtdoende in kort geding:
4.1.
veroordeelt [geopposeerde] om aan [opposante] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 6.000,00, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag, met ingang van 18 december 2025 tot de dag van volledige betaling,
4.2.
veroordeelt [geopposeerde] om aan [opposante] tegen behoorlijk bewijs van kwijting te betalen een bedrag van € 675,00 aan buitengerechtelijke kosten,
4.3.
veroordeelt [geopposeerde] in de kosten; hij moet de proceskosten van [opposante] van € 1.408,65 aan haar betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [geopposeerde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.4.
veroordeelt [geopposeerde] tot betaling van de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over de proceskosten als deze niet binnen veertien dagen na aanschrijving zijn betaald,
4.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M. Ramsaroep en in het openbaar uitgesproken op 27 februari 2026.

Voetnoten

1.Bekend onder zaaknummer 11896711 AX EXPL 25-2109.
2.Zie productie 1.
3.Zie productie 2.
4.Zie productie 3.