ECLI:NL:RBMNE:2026:12

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
7 januari 2026
Publicatiedatum
7 januari 2026
Zaaknummer
16/019670-20
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vonnis van de meervoudige kamer in een strafzaak betreffende medeplichtigheid aan hennepteelt en diefstal van stroom

Op 7 januari 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van medeplichtigheid aan hennepteelt en diefstal van stroom. De zaak werd inhoudelijk behandeld op 12 december 2025, waarna de rechtbank op 7 januari 2026 uitspraak deed. De verdachte werd beschuldigd van het telen van 535 hennepplanten en het stelen van stroom van Liander N.V. De verdediging voerde aan dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk moest worden verklaard vanwege overschrijding van de redelijke termijn van meer dan zeven jaar. De rechtbank oordeelde dat, hoewel de redelijke termijn was overschreden, dit niet leidde tot niet-ontvankelijkheid van het OM. Wel werd het OM niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van het derde feit, omdat dit was verjaard. De rechtbank sprak de verdachte vrij van de feiten 1 primair en 2, maar verklaarde bewezen dat de verdachte medeplichtig was aan de hennepteelt. Gezien de lange duur van de procedure en de rol van de verdachte, werd besloten om geen straf of maatregel op te leggen. De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering tot schadevergoeding, omdat de schade niet aan de verdachte kon worden toegerekend.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Lelystad
Parketnummer: 16/019670-20
Tegenspraak (art. 279 Sv)
Vonnis van de meervoudige kamer van 7 januari 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [1968] in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres [adres] in [woonplaats] ,
(hierna: de verdachte).

1.Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 12 december 2025. Het onderzoek is met instemming van de advocaat van de verdachte enkelvoudig gesloten op 7 januari 2026, waarna direct daarna uitspraak is gedaan.
Op de zitting op 12 december 2025 waren aanwezig:
  • de officier van justitie: mr. M. Mahmoudi;
  • de advocaat van de verdachte: mr. H. de Kroon, advocaat in Hilversum (hierna: de advocaat);
  • de advocaat van de benadeelde partij [benadeelde] : mr. J. Visscher, advocaat in Amersfoort.

2.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
feit 1 (primair)
in de periode van 19 juli 2016 tot en met 29 november 2016 in Huizen, samen met anderen of alleen en in de uitoefening van een beroep of bedrijf, een grote hoeveelheid van 535 hennepplanten heeft geteeld, bereid, bewerkt, verwerkt of in ieder geval aanwezig heeft gehad;
Subsidiairten laste gelegd als medeplichtigheid aan medeplegen van het in de uitoefening van een beroep of bedrijf telen, bereiden, bewerken, verwerken of in ieder geval aanwezig hebben van een grote hoeveelheid van 535 hennepplanten;
feit 2
in de periode van 19 juli 2016 tot en met 29 november 2016 in Huizen, samen met anderen of alleen en door middel van verbreking, stroom heeft gestolen van Liander N.V;
feit 3
in de periode van 27 november 2012 tot en met 29 november 2016 in Huizen, samen met anderen of alleen, meerdere muren, plafonds, vloeren en elektrische voorzieningen in een pand van [benadeelde] heeft vernield.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage bij dit vonnis.

3.Ontvankelijkheid van de officier van justitie

3.1.
Standpunten van de verdediging
Namens de verdachte is betoogd dat het Openbaar Ministerie (hierna: OM) niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de ingestelde vervolging. De advocaat heeft hiertoe aangevoerd dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden met ruim zeven jaren.
3.2.
Standpunten van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het OM ontvankelijk is in de vervolging. Het tijdsverloop is volgens bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad geen reden voor niet-ontvankelijkheid.
De officier van justitie heeft verzocht het OM niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging van het onder 3 tenlastegelegde, omdat dit feit is verjaard.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
Overschrijding redelijke termijn
De rechtbank stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Deze in artikel 6 EVRM neergelegde waarborg strekt ertoe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. De redelijke termijn is in eerste aanleg met ruim zeven jaar overschreden. De rechtbank overweegt dat de overschrijding van de redelijke termijn, ook wanneer deze zeer aanzienlijk is, volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad in de regel niet tot niet-ontvankelijkheid van het OM in de vervolging leidt, ook niet in uitzonderlijke gevallen. Vermindering van de op te leggen straf is telkens de aangewezen sanctie. De rechtbank ziet in hetgeen door de verdediging is aangevoerd geen reden van deze vaste lijn af te wijken en zal daarom eventueel overeenkomstig de jurisprudentie van de Hoge Raad de overschrijding van de redelijke termijn betrekken bij het bepalen van de straf.
Verjaring (feit 3)
Gelet op artikel 70 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) vervalt het recht tot strafvordering door verjaring na zes jaren voor misdrijven waarop een gevangenisstraf van niet meer dan drie jaren is gesteld. De verdachte wordt vervolgd voor artikel 350 Sr, waarop een strafmaximum van twee jaren gevangenisstraf is gesteld.
De vervolging is aangevangen op 26 november 2025 met de uitreiking van de dagvaarding aan de verdachte. De periode waarin het ten laste gelegde feit zou zijn gepleegd, is meer dan zes jaren geleden. Van enige daad van vervolging in de tussenliggende periode waardoor de verjaring is gestuit, is niet gebleken. Met de officier van justitie is de rechtbank daarom van oordeel dat het OM niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte nu het ten laste gelegde feit is verjaard. De rechtbank zal het OM niet ontvankelijk verklaren in de vervolging van het onder 3 ten laste gelegde feit.

4.Het oordeel van de rechtbank

4.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat de verdachte moet worden vrijgesproken van feit 1 primair en feit 2. De officier van justitie acht het onder 1 subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend te bewijzen.
4.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat verzoekt de rechtbank om de verdachte vrij te spreken van de feiten 1 primair en 2. De advocaat voert ten aanzien van feit 1 subsidiair geen verweer over het bewijs.
4.3.
Oordeel van de rechtbank
4.3.1.
Vrijspraak feit 1 primair en feit 2 (medeplegen hennepteelt en diefstal stroom)
De rechtbank oordeelt dat de feiten 1 primair en 2 niet zijn bewezen en zal de verdachte daarvan vrijspreken. De officier van justitie en de verdediging komen tot dezelfde conclusie, zodat de rechtbank dit oordeel niet verder zal motiveren.
4.3.2.
Bewijsmiddelen feit 1 subsidiair (medeplichtigheid aan hennepteelt)
De verdachte bekent dat hij feit 1 subsidiair, namelijk de medeplichtigheid aan hennepteelt, heeft gepleegd, zoals dit hieronder bewezen is verklaard. Namens hem is ook niet om vrijspraak van dit feit gevraagd. In die situatie hoeft de rechtbank niet de inhoud van de bewijsmiddelen op te schrijven. De rechtbank noemt daarom alleen de bewijsmiddelen waarop zij haar oordeel baseert: [1]
- het
proces-verbaal van verhoor verdachtevan 29 november 2016; [2]
- het
proces-verbaal aantreffen hennepkwekerijvan 20 december 2016 met bijbehorende fotobijlage. [3]
- het
proces-verbaal van bevindingenvan 29 november 2016. [4]
4.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
feit 1 subsidiair
een of meer onbekend gebleven personen in de periode van 27 september 2016 tot en met 29 november 2016 te Huizen met elkaar, althans één van hen, in de uitoefening van een beroep of bedrijf, opzettelijk hebben geteeld (in een pand aan de [adres] ) een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet, te weten in totaal ongeveer 535 hennepplanten, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, bij het plegen van welk misdrijf verdachte in de periode van 27 september 2016 tot en met 29 november 2016 te Huizen, meermalen, telkens opzettelijk behulpzaam is geweest, door voeding en water te geven aan die hennepplanten.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.

5.Kwalificatie en strafbaarheid

5.1.
Kwalificatie
Het bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
feit 1 subsidiair:
medeplichtigheid aan opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod.
5.2.
Strafbaarheid feit en verdachte
Het feit en de verdachte zijn strafbaar.

6.Straf

6.1.
Vordering van de officier van justitie en standpunt van de verdediging
De officier van justitie en de advocaat van de verdachte hebben wegens de forse overschrijding van de redelijke termijn verzocht om de verdachte schuldig te verklaren zonder oplegging van een straf of maatregel.
6.2.
Oordeel van de rechtbank
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan hennepteelt. Hij was werkzaam in een loods waarin een hennepkwekerij met een grote hoeveelheid hennepplanten is aangetroffen. Het is een feit van algemene bekendheid dat de hennepteelt en de handel in en het gebruik van verdovende middelen vaak gepaard gaan met verschillende vormen van (ernstige) criminaliteit en andere ongewenste neveneffecten voor de maatschappij. De verdachte heeft door zo te handelen een bijdrage geleverd aan de instandhouding hiervan. De rechtbank rekent dit de verdachte aan.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De rechtbank heeft ten aanzien van de persoon van de verdachte kennisgenomen van een
uittreksel Justitiële Documentatie(‘strafblad’) van 11 november 2025. Hieruit blijkt dat de verdachte niet recent is veroordeeld voor (soortgelijke) strafbare feiten.
De op te leggen straf
Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder de verdachte dit feit heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf let de rechtbank op straffen die in soortgelijke zaken worden opgelegd en de landelijke oriëntatiepunten van het LOVS. In beginsel staat er voor een feit zoals gepleegd door de verdachte en gelet op grootte van de aangetroffen hennepkwekerij een forse taakstraf en een voorwaardelijke gevangenisstraf. De rechtbank weegt in het voordeel van de verdachte echter het enorme tijdsverloop in deze zaak mee. De rechtbank heeft geconstateerd dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM in zeer ernstige mate is overschreden. Als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling ter terechtzitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen. De rechtbank stelt vast dat verdachte op 29 november 2016 als verdachte is gehoord door de politie. Dat betekent dat de redelijke termijn met ruim zeven jaar is overschreden. De rechtbank is van oordeel dat een dergelijke overschrijding van de redelijke termijn uitzonderlijk hoog is en zal hiermee in sterke mate rekening houden in het voordeel van de verdachte. Daarnaast is van belang dat de verdachte niet als initiatiefnemer of organisator, maar in een ondersteunende rol bij het feit betrokken is geweest. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het niet opportuun is om de verdachte nu nog een straf op te leggen, ook niet in voorwaardelijke zin. De rechtbank zal toepassing geven aan het bepaalde in artikel 9a Sr en de verdachte schuldig verklaren zonder oplegging van straf of maatregel. Daarmee wordt ook recht gedaan aan het gegeven dat de verdachte zich in de tussenliggende periode heeft onthouden van het plegen van nieuwe strafbare feiten.

7.Vordering benadeelde partij

7.1.
Vordering van de benadeelde partij
[benadeelde] , bijgestaan door advocaat mr. J. Visscher, heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot de hoofdelijke betaling van een schadevergoeding van € 29.100,00 voor de feiten 1 tot en met 3, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit een vergoeding van materiële schade. De materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:
1. begrote herstelkosten en waardevermindering schuur: € 11.600,00;
2. herstel stroominstallatie en stroomkosten: € 17.500,00.
Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
7.2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft de rechtbank gevorderd gebruik te maken van haar schattingsbevoegdheid en het toe te wijzen bedrag vast te stellen aan de hand van de rol van de verdachte als medeplichtige. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen. \
7.3.
Standpunt van de verdediging
De advocaat van de verdachte heeft bepleit dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Tevens heeft de advocaat bepleit dat de schadeveroorzakende feiten (te weten: het inrichten van de gehuurde loods als hennepkwekerij) niet door verdachte zijn gepleegd. De schade aan de loods was immers al aangericht (door een ander) toen verdachte de hennepplanten verzorgde, en dit kan verdachte dan ook niet worden toegerekend.
7.4.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank spreekt de verdachte vrij van het aan hem ten laste gelegde feit 2 en verklaart het OM niet-ontvankelijk in de vervolging ten aanzien van feit 3. Volgens de wet kan de strafrechter ten aanzien van deze feiten dan geen schadevergoeding toekennen aan een benadeelde partij. De rechtbank komt wel tot een veroordeling van de medeplichtigheid aan hennepteelt (feit 1 subsidiair). De rechtbank overweegt ten aanzien hiervan dat alleen schade die rechtstreeks is geleden door het bewezen verklaarde feit voor vergoeding in aanmerking komt. De verdachte heeft, voorafgaand aan de ontdekking van de hennepkwekerij, gedurende een periode van negen weken werkzaamheden (het geven van voeding en water aan de hennepplanten) verricht in de hennepkwekerij. Op basis van het procesdossier acht de rechtbank het echter aannemelijk dat de schade, waarop het verzoek tot schadevergoeding betrekking heeft, al op een eerder moment is ontstaan. Dit is ook wat de verdediging heeft bepleit. Uit het procesdossier blijkt niet dat de verdachte bij het ontstaan van deze schade betrokken is geweest. In dit geval kan de schade dus niet aan de verdachte worden toegerekend en is er geen sprake van rechtstreekse schade. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering.
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. De benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard in de vordering, waardoor niet is komen vast te staan of en in hoeverre de vordering terecht is ingediend. De benadeelde partij moet daarom de kosten vergoeden die de verdachte heeft gemaakt om tegen deze vordering in te gaan. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vaststaat dat de verdachte daarvoor kosten heeft gemaakt en begroot de kosten daarom op nihil.

8.De beslissing

De rechtbank:
Ontvankelijkheid officier van justitie
- verklaart de officier van justitie
niet-ontvankelijkin de vervolging van de verdachte ten aanzien van feit 3;
Vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat de verdachte de feiten 1 primair en 2 heeft gepleegd en
spreektde verdachte daarvan
vrij;
Bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat de verdachte feit 1 subsidiair heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 4.4 is omschreven;
- verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt de verdachte daarvan vrij;
Strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 5.1 is vermeld;
Strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde;
Geen straf of maatregel
- bepaalt dat ten aanzien van het onder 1 subsidiair bewezenverklaarde
geen straf of maatregelwordt opgelegd;
Benadeelde partij [benadeelde] (feiten 1 en 2)
- verklaart [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Blanke, voorzitter, mrs. H.J. van Woudenberg en J.A. Koorevaar, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.B. Postma als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 7 januari 2026.
De voorzitter en oudste rechter zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
feit 1
hij in of omstreeks de periode van 19 juli 2016 tot en met 29 november 2016 te Huizen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in de uitoefening van een beroep of bedrijf, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt,
in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres] ) een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet, te weten in totaal ongeveer 535 hennepplanten, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
een of meer onbekend gebleven personen in of omstreeks de periode van 19 juli 2016 tot en met 29 november 2016 te Huizen met elkaar, althans één van hen, in de uitoefening van een beroep of bedrijf, opzettelijk heeft/hebben geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt,
in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad (in een pand aan de [adres] ) een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet, te weten in totaal ongeveer 535 hennepplanten, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte in of omstreeks
de periode van 19 juli 2016 tot en met 29 november 2016 te Huizen, in elk geval in
Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door voeding en/of water te geven aan die hennepplanten, althans het verzorgen van die hennepplanten;
feit 2
hij in of omstreeks de periode van 19 juli 2016 tot en met 29 november 2016 te Huizen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een pand aan de [adres] , heeft weggenomen stroom, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Liander N.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededaders, waarbij verdachte en/of haar mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen stroom onder haar/hun bereik hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;
feit 3
hij in of omstreeks de periode van 27 november 2012 tot en met 29 november 2016 te Huizen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk en wederrechtelijk meerdere muren, plafonds, vloeren en elektrische voorzieningen in een pand (aan de [adres] ), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een
ander dan aan verdachte en/of zijn/haar mededader(s), te weten aan de [benadeelde] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.

Voetnoten

1.Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, zijn dit pagina’s uit het dossier van politie eenheid Midden-Nederland met proces-verbaalnummer 2016330391 en 2017139918, doorgenummerd pagina 1 tot en met 190. Tenzij hieronder anders wordt vermeld, wordt steeds verwezen naar bladzijden van een in de wettelijke vorm, door daartoe bevoegde opsporingsambtenaren, opgemaakt proces-verbaal.
2.Pagina 74.
3.Pagina’s 7 tot en met 20.
4.Pagina 21.