ECLI:NL:RBMNE:2026:1161

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
10 februari 2026
Publicatiedatum
24 maart 2026
Zaaknummer
C/16/605544 / JL RK 26-29
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:260 BWArtikel 2 Besluit gezagsregisters
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verlenging ondertoezichtstelling minderjarige kinderen voor zeven maanden

De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling om de ondertoezichtstelling van twee minderjarige kinderen te verlengen. De moeder heeft het ouderlijk gezag en de kinderen wonen bij haar. De vader heeft geen gezag en geen contact met de kinderen, maar is wel bij de zitting aanwezig.

De gecertificeerde instelling verzoekt verlenging voor een jaar, terwijl de moeder instemt met maximaal zes maanden vanwege de ervaren druk. De kinderrechter constateert positieve ontwikkelingen bij de moeder en kinderen, zoals verbeterde draagkracht en goede schoolprestaties, maar blijft bezorgd over het ontbreken van contact tussen vader en kinderen en de gebrekkige communicatie tussen ouders.

De kinderrechter besluit de ondertoezichtstelling te verlengen voor zeven maanden, met het oog op het herstel van de zorgcapaciteit van de moeder en het bieden van ruimte aan de vader om contact te zoeken en mee te werken aan een omgangsregeling. De beslissing wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard en in het gezagsregister aangetekend.

Uitkomst: De ondertoezichtstelling van de minderjarige kinderen wordt verlengd voor zeven maanden en de beschikking wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familie- en Jeugdrecht
Locatie Almere
Zaaknummer: C/16/605544 / JL RK 26-29
Datum uitspraak: 10 februari 2026
Beschikking van de kinderrechter over een verlenging ondertoezichtstelling
in de zaak van
LEGER DES HEILS JEUGDBESCHERMING & RECLASSERING,
gevestigd te Lelystad,
hierna te noemen: de gecertificeerde instelling (de GI),
over
[minderjarige 1],
geboren op [geboortedatum] 2021 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 1] ,
[minderjarige 2],
geboren op [geboortedatum] 2022 in [geboorteplaats] ,
hierna te noemen: [minderjarige 2] .
De kinderrechter merkt als belanghebbende aan:
[moeder],
hierna te noemen: de moeder,
wonende in [woonplaats] .

1.Het verloop van de procedure

1.1.
De kinderrechter neemt het verzoekschrift met bijlagen, ontvangen op 16 januari 2026, mee in de beoordeling.
1.2.
De zitting met gesloten deuren heeft plaatsgevonden op 10 februari 2026. Daarbij waren aanwezig:
- de moeder;
- [A] namens de GI;
en met bijzondere toegang van de kinderrechter:
- [B] , ambulant begeleider van de moeder vanuit de Omega Groep.
1.3.
De kinderrechter heeft [vader] , de vader, niet opgeroepen voor de zitting omdat hij geen juridisch ouder is van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] en geen over hen gezag heeft. Verder heeft hij geen contact met de kinderen, waardoor hij ook niet als informant informatie kan verstrekken. Desalniettemin is hij verschenen op het moment van de zitting. De kinderrechter heeft hem daarom, als de vader van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] , toch bijzondere toegang tot de zitting verleend.

2.De feiten

2.1.
De moeder is belast met het ouderlijk gezag over [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
2.2.
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] wonen bij hun moeder.
2.3.
De kinderrechter heeft bij beschikking van 28 mei 2025 [minderjarige 1] en [minderjarige 2] onder toezicht gesteld tot 28 februari 2026.

3.Het verzoek

De GI verzoekt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te verlengen voor de duur van een jaar en de beslissing uitvoerbaar bij voorraad te verklaren.

4.De standpunten

De GI
4.1.
De GI heeft op de zitting naar voren gebracht een verlenging van de ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar passend te vinden. Pas vanaf oktober 2025 is de ondertoezichtstelling opgepakt door de GI. Er is geïnventariseerd waar de zorgen liggen. Zo moet de communicatie tussen de vader en de moeder beter en moet de omgang tussen de vader en de kinderen opgestart worden. De moeder zet zich enorm in voor de kinderen, maar heeft het daar zwaar mee. De GI vindt het daarom belangrijk om het komende jaar te blijven monitoren hoe het met de kinderen gaat. Als blijkt dat de ondertoezichtstelling eerder opgeheven kan worden, dan zal de GI de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad) verzoeken een vroegtijdige beëindiging van de ondertoezichtstelling te toetsen.
De moeder
4.2.
De moeder kan instemmen met een verlenging van de ondertoezichtstelling, mits deze voor de duur van maximaal zes maanden wordt verlengd. De moeder ervaart veel druk door de ondertoezichtstelling, waardoor een langere duur niet wenselijk is. De kinderen hebben in het verleden te veel meegemaakt, waar zij hulp bij nodig hebben. Verder doen ze het goed op school.

5.De beoordeling

5.1.
De kinderrechter is van oordeel dat aan de voorwaarden voor een verlenging van de ondertoezichtstelling is voldaan. [1] De kinderrechter verlengt daarom de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] voor de duur van zeven maanden. Zij wijst het overige deel van het verzoek af. De kinderrechter legt hieronder uit waarom zij deze beslissing neemt.
5.2.
In de afgelopen periode zijn er positieve stappen gezet rondom [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Door de inzet van persoonlijke hulpverlening voor de moeder is haar draagkracht verbeterd. Hierdoor is zij meer beschikbaar voor de kinderen, waardoor het ook beter met hen gaat. Zo komen de kinderen verzorgd en op tijd op school. Ook op school zelf gaat het goed met hen. Toch zijn er nog wel zorgen over de kinderen. Een van die zorgen is dat [minderjarige 1] en [minderjarige 2] geen contact hebben met hun vader. De vader heeft bij de GI en op zitting aangegeven wel contact met zijn kinderen te willen. Toch zet hij niet de stap richting de GI om dat contact daadwerkelijk te realiseren, waardoor de omgang tot op heden niet plaatsvindt. Daarnaast is de communicatie tussen de vader en de moeder een zorg. Door het ontbreken van deze communicatie lukt het de ouders niet om beslissingen te nemen rondom [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Het gewenste communicatie-verbetertraject is vanwege het uitblijven van contact tussen de vader en de GI ook niet van start gegaan. Tot slot zijn er nog uitdagingen voor de moeder. Hoewel de moeder positieve stappen maakt in het verbeteren van haar draagkracht, is het belangrijk om deze ontwikkelingen de komende periode te bestendigen. Op basis van het voorgaande komt de kinderrechter tot het oordeel dat het noodzakelijk is dat de GI de komende periode betrokken blijft bij [minderjarige 1] en [minderjarige 2] .
5.3.
De kinderrechter verlengt de ondertoezichtstelling voor de duur van zeven maanden. Zij overweegt hierover het volgende. Gezien de ontwikkelingen bij de moeder en de kinderen in de afgelopen periode, is het de verwachting dat de moeder op korte termijn weer zelf in staat is de zorg voor [minderjarige 1] en [minderjarige 2] te dragen. Eventueel zou de betrokkenheid van de Omega Groep ter ondersteuning van de moeder in het vrijwillig kader kunnen worden voortgezet. Desalniettemin blijft het uitblijven van de omgang van de vader met de kinderen en het ontbreken van communicatie tussen de vader en de moeder een zorg. Om deze zorgen weg te nemen is het aan de vader om in contact te treden met de GI en open te staan voor de benodigde hulpverlening. Daartegenover staat dat het ook in het belang van de kinderen is om duidelijkheid te hebben over de omgang met hun vader. Wanneer de vader zich niet of niet geheel aan een omgangsregeling houdt, is dit ook onwenselijk voor de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] . Omdat de GI drie maanden voor het aflopen van een ondertoezichtstelling een verzoekschrift moet indienen voor een verlenging, dan wel de Raad moet verzoeken het beëindigen van de ondertoezichtstelling te toetsen, blijven er vier maanden over waarin de vader nogmaals de kans krijgt om te laten zien dat hij echt actie onderneemt voor zijn kinderen. Het is nu de verantwoordelijkheid van de vader om in contact te treden met de GI, structureel mee te werken aan een (begeleide) omgangsregeling en het belang van zijn kinderen voorop te stellen. De kinderrechter is van oordeel dat die vier maanden voldoende zijn voor de vader om tot actie te komen.
5.4.
De beslissing wordt van rechtswege aangetekend in het gezagsregister. [2]
5.5.
De kinderrechter verklaart de beslissing uitvoerbaar bij voorraad, zoals is verzocht. Dat wil zeggen dat de beslissing direct geldt, ook als iemand in hoger beroep gaat.

6.De beslissing

De kinderrechter:
6.1.
verlengt de ondertoezichtstelling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] tot 28 september 2026;
6.2.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;
6.3.
wijst het meer of anders verzochte af.
Deze beslissing is gegeven en in het openbaar uitgesproken op 10 februari 2026 door
mr. D. van Bloemendaal, kinderrechter, in aanwezigheid van J. Mather als griffier, en op schrift gesteld op 26 februari 2026.
Tegen eindbeslissingen in deze beschikking is hoger beroep mogelijk bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. Hiervoor is een advocaat nodig. Wie kunnen hoger beroep instellen:
  • degenen aan wie een afschrift van de beschikking is verstrekt of verzonden, binnen drie maanden na de dag van de uitspraak;
  • andere belanghebbenden, binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of binnen drie maanden nadat zij op andere wijze daarvan kennis hebben genomen.

Voetnoten

1.Artikel 1:260 BW Pro.
2.Artikel 2 Besluit Pro gezagsregisters.