ECLI:NL:RBMNE:2026:116

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
16 januari 2026
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
C/16/582106
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1:377b BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing omgangsregeling biologische vader, wel informatieregeling voor minderjarige

De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 16 januari 2026 een verzoek van de biologische vader om een omgangsregeling met zijn minderjarige kind vast te stellen. De moeder en de juridische vader verzetten zich tegen dit verzoek. De Raad voor de Kinderbescherming had geadviseerd dat omgang onder voorwaarden veilig en in het belang van het kind zou zijn, mits de biologische vader eerst psycho-educatie volgt en zich aanmeldt voor behandeling van zijn PTSS.

Tijdens de zitting bleek dat de biologische vader niet aan deze voorwaarden had voldaan, mede doordat hij geen behandeling was gestart vanwege een gebrek aan vaste woon- of verblijfplaats. Daarnaast waren er meerdere meldingen van overlast en bedreiging door de biologische vader, wat de draagkracht van de moeder ernstig aantastte. De rechtbank oordeelde dat het belang van het kind en het gezinsleven van de moeder en juridische vader bescherming verdienen en dat omgang op dit moment niet passend is.

Wel werd een informatieregeling vastgesteld waarbij de moeder maandelijks een e-mail stuurt over de ontwikkeling en belangrijke zaken van het kind, aangevuld met een kwartaalfoto. Een consultatieregeling werd afgewezen omdat de biologische vader geen ouder is in de zin van de wet en geen omgang heeft met het kind. De beslissing is uitvoerbaar bij voorraad en partijen dragen elk hun eigen proceskosten.

Uitkomst: Verzoek omgangsregeling biologische vader afgewezen, wel maandelijkse informatieregeling opgelegd.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Familierecht
locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/582106 / FO RK 24-1218
Omgangsregeling
Beschikking van 16 januari 2026
in de zaak van:
[biologische vader],
wonende in [woonplaats 1] ,
hierna te noemen: de biologische vader,
advocaat mr. C.L. Berkel,
tegen
[de moeder],
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen: de moeder,
advocaat mr. J.L. Vermeer.
en
[juridische vader],
wonende in [woonplaats 2] , gemeente [gemeente] ,
hierna te noemen: de juridische vader.

1.De procedure

1.1.
De rechtbank heeft op 16 januari 2025 de beslissing op de verzoeken uitgesteld en advies gevraagd aan de Raad voor de Kinderbescherming (hierna: de Raad).
1.2.
De rechtbank heeft daarna de volgende stukken ontvangen:
  • het rapport van de Raad van 7 augustus 2025;
  • de brief (met bijlage) van de biologische vader van 25 augustus 2025;
  • de brief van de moeder van 26 augustus 2025;
  • de brief van de moeder (met bijlage) van 9 december 2025.
1.3.
De verzoeken zijn besproken tijdens de mondelinge behandeling (zitting) van 12 december 2025. Daarbij waren aanwezig:
  • de biologische vader met zijn advocaat;
  • de moeder met haar advocaat;
  • de juridische vader.
1.4.
De Raad heeft zich voorafgaand aan de zitting afgemeld.
1.5.
De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om de minderjarige [minderjarige] in de gelegenheid te stellen om aan de rechter te vertellen wat hij van de verzoeken vindt. De rechtbank vraagt dat alleen aan kinderen van acht jaar of ouder. Kinderen onder de acht jaar vindt de rechtbank daar nog te jong voor.

2.Waar de procedure over gaat

2.1.
Uit de moeder is op [geboortedatum] 2023 in [woonplaats 1] geboren:
-
[minderjarige]. De biologische vader is de verwekker van [minderjarige] .
[minderjarige] woont bij de moeder.
2.2.
De moeder heeft na de geboorte van [minderjarige] een relatie gekregen met de juridische vader.
2.3.
De moeder heeft toestemming gegeven aan de juridische vader om [minderjarige] te erkennen. De juridische vader heeft [minderjarige] op 23 januari 2024 erkend. Deze relatie is inmiddels verbroken.
2.4.
De moeder en de juridische vader hebben samen het gezag over [minderjarige] . Dat betekent dat zij samen de belangrijke beslissingen over [minderjarige] kunnen nemen.
2.5.
In de beschikking van 16 januari 2025 heeft de rechtbank aan de Raad gevraagd om onderzoek te doen naar de vragen of omgang tussen de biologische vader en [minderjarige] veilig en in het belang van [minderjarige] is, en zo ja, welke omgangsregeling dan in het belang van [minderjarige] is. Daarnaast heeft de rechtbank een voorlopige informatieregeling vastgesteld die inhoudt dat de moeder voorlopig een keer per maand een e-mail zal sturen aan de biologische vader over:
  • de ontwikkeling van [minderjarige] ,
  • belangrijke aangelegenheden omtrent [minderjarige] .
2.6.
De rechtbank dient nu nog te beslissen over de volgende verzoeken van de biologische vader:
  • primairde volgende zorgregeling,
    subsidiairde volgende omgangsregeling tussen de biologische vader en [minderjarige] vast te stellen en te bepalen dat [minderjarige] bij de biologische vader kan verblijven een zaterdag of zondag om de week van 12.00 uur tot na het avondeten om 19.00 uur dan wel een door de rechtbank in goede justitie te bepalen zorg- dan wel omgangsregeling;
  • de volgende informatie- en consultatieregeling vast te stellen en te bepalen dat:
o de moeder de biologische vader wekelijks informeert over de zaken die betrekking hebben op [minderjarige] (zijn lichamelijke en mentale ontwikkeling/zijn voedings- en slaappatroon en dergelijke) en waarbij er bijvoorbeeld een fotootje van [minderjarige] wordt meegestuurd;
o de moeder bij acute omstandigheden aangaande [minderjarige] de biologische vader per direct telefonisch dan wel door middel van een WhatsApp-bericht op de hoogte stelt;
o de moeder de biologische vader tijdig consulteert over belangrijke beslissingen, [minderjarige] aangaande, waarover de ouders samen beslissingen zouden dienen te nemen (bijvoorbeeld schoolkeuze / gezondheid / inentingen en zo meer).
2.7.
De moeder en de juridische vader vragen de rechtbank de biologische vader in zijn verzoeken niet-ontvankelijk te verklaren dan wel de verzoeken van de biologische vader af te wijzen.

3.De beoordeling

De beslissing
3.1.
De rechtbank zal beslissen dat de moeder één keer per maand informatie over [minderjarige] zal sturen aan de biologische vader, waarbij de moeder eenmaal per kwartaal ook een recente foto van [minderjarige] zal meesturen. De overige verzoeken van de biologische vader worden afgewezen. De rechtbank zal hierna uitleggen hoe zij tot deze beslissing is gekomen.
Omgangsregeling
3.2.
Uit het Raadsrapport blijkt dat de Raad vindt dat een omgangsregeling (met randvoorwaarden) voldoende veilig en in het belang van [minderjarige] is. De voorwaarden van de Raad zijn dat:
  • de moeder statusvoorlichting geeft aan [minderjarige] , met daaraan gekoppeld begeleide omgangsmomenten;
  • voordat die begeleide omgangsmomenten gestart kunnen worden, de biologische vader psycho educatie krijgt rondom de ontwikkelingsfase van [minderjarige] , bijvoorbeeld door het voeren van een gesprek waaruit duidelijk wordt wat van wie kan worden verwacht;
  • voordat die begeleide omgangsmomenten gestart kunnen worden, de biologische vader zich moet aanmelden bij GGZ voor (intensieve) behandeling voor zijn PTSS. De Raad vindt dat de biologische vader dit voor de zitting gedaan moet hebben. Er hoeft niet gewacht te worden tot de behandeling is gestart i.v.m. de wachttijden.
3.3.
Tijdens de zitting is gebleken dat de biologische vader zich niet heeft aangemeld bij GGZ voor (intensieve) behandeling voor zijn PTSS. Daarmee staat vast dat de biologische vader niet heeft voldaan aan een van de voorwaarden van de Raad, voor het opstarten van begeleide omgang. In de brief van de huisarts van de biologische vader staat weliswaar dat het opstarten van een trauma behandeling nu nog niet mogelijk is, omdat hij geen vaste woon- of verblijfplaats heeft, maar dit doet aan dit feitelijke gegeven niet af. De PTSS zal dus voorlopig niet behandeld worden, waardoor geen reden bestaat aan te nemen dat de gedragsproblemen die hieruit voortvloeien zich niet meer zullen voordoen. De biologische vader heeft overigens wel een vaste woonplaats. Hij woont namelijk bij zijn moeder, maar laat zich daar niet inschrijven om redenen die met uitkeringen verband houden.
3.4.
Maar ook afgezien van het feit dat voorlopig niet aan de problematiek van de biologische vader gewerkt zal worden vindt de rechtbank dat de begeleide omgangsmomenten op dit moment niet opgestart kunnen worden. Redengevend hiervoor is onder meer de draagkracht van de moeder. De moeder heeft meerdere meldingen gedaan van overlast en bedreiging door de biologische vader. De situatie was zo ernstig dat de moeder niet meer alleen naar buiten durfde en uiteindelijk, na bemiddeling van hulpverleningsinstanties, heeft moeten verhuizen naar een geheim adres. De biologische vader ontkent de beschuldigen weliswaar, maar de meldingen van de moeder vinden steun in de bevindingen van de politie. De politie ziet een patroon bij de biologische vader. In het verleden (tussen 2019 en 2025) hebben meerdere personen dezelfde ervaringen met de biologische vader gehad en daarover melding gedaan bij de politie. Er was sprake van lastig vallen, agressie en bedreiging met de dood. Deze personen waren net als de moeder angstig.
3.5.
De biologische vader heeft onvoldoende aangetoond dat hij is veranderd. De rechtbank vindt het, anders dan de Raad, wel belangrijk dat de biologische vader zich eerst met succes laat behandelen, aantoont dat hij therapietrouw is en zijn leven op orde brengt, voordat hij enige rol kan gaan spelen in het leven van [minderjarige] . Niet vergeten moet worden dat [minderjarige] al een vader heeft, zowel in juridisch als in sociaal opzicht, die een betekenisvolle rol in het leven van [minderjarige] speelt en is blijven spelen, ook nadat zijn relatie met de moeder is verbroken. De rechtbank heeft weliswaar in haar eerdere beslissing aangenomen dat de biologische vader ontvankelijk is in zijn verzoek op de grond dat een niet-ontvankelijkverklaring, zonder inhoudelijke beoordeling, een ongerechtvaardigde inmenging in het privéleven van de biologische vader zou opleveren, omdat zijn wens tot contact met en toegang tot [minderjarige] een belangrijk deel betreft van zijn identiteit, maar dit doet er niet aan af dat hij in feite niet of nauwelijks een rol heeft gespeeld in het leven van [minderjarige] . [minderjarige] kent hem niet en ziet de juridische vader als zijn vader. Bovendien verdient ook het familie- en gezinsleven van de moeder en de juridische vader bescherming. Uit hetgeen zij ter zitting hebben verklaard volgt dat zij de wens van de vader tot omgang met [minderjarige] als een verstoring en bedreiging van hun gezinsleven ervaren en dat de stress die dit heeft opgeleverd mede een rol heeft gespeeld in de beëindiging van hun relatie. Onder de hierboven genoemde omstandigheden acht de rechtbank het niet in het belang van [minderjarige] dat op dit moment gestart gaat worden met begeleide omgang. Vooralsnog vereist het belang van [minderjarige] niet meer dan dat hij wordt voorgelicht over zijn afstamming, zoals de Raad heeft geadviseerd.
3.6.
Ondanks dit advies van de Raad is de moeder nog niet daadwerkelijk begonnen met de statusvoorlichting. Zij wilde de zitting in deze zaak afwachten. De moeder heeft verteld dat zij zich heeft verdiept in de statusvoorlichting en ook bereid is om daaraan mee te werken. Zij vindt het belangrijk dat [minderjarige] weet waar hij vandaan komt. De rechtbank vindt daarom dat de moeder, ongeacht het traject van de biologische vader, actief moet beginnen met het geven van statusvoorlichting aan [minderjarige] . Dit kan eventueel met behulp van hulpverlening plaatsvinden.
3.7.
De rechtbank zal de zaak niet aanhouden, omdat dit stress oplevert bij de moeder. De moeder voelt zich wel veiliger in haar nieuwe woonplaats, maar kampt met migraine klachten en haar stressniveau loopt telkens hoog op als zij met deze procedure wordt geconfronteerd, zoals zij heeft verklaard tijdens de zitting. De moeder is de primaire verzorgende ouder van [minderjarige] en het is belangrijk dat zij zich veilig en goed voelt, omdat dit anders weerslag heeft op [minderjarige] . Dat is niet in zijn belang. De rechtbank vindt dat het nu aan de biologische vader is om concrete stappen te zetten om te werken aan zijn problematiek en zijn leven op orde te brengen, zodat hij [minderjarige] , als hij hem te zijner tijd leert kennen als biologisch vader, daadwerkelijk iets te bieden heeft en het goede voorbeeld kan geven.
Informatieregeling
3.8.
Volgens de wet [1] is de moeder, als ouder met gezag, verplicht om de ouder zonder gezag, op de hoogte te houden van belangrijke zaken in het leven van [minderjarige] . Hoewel de biologische vader geen ouder is van [minderjarige] in de zin van dit artikel, omdat hij niet in een familierechtelijke betrekking tot hem staat, heeft de rechtbank in haar eerder beschikking een voorlopige informatieregeling vastgesteld. De moeder komt deze voorlopige informatieregeling tot op heden na en ontvangt geen vervelende reacties van de biologische vader. De rechtbank ziet daarom geen reden deze regeling niet voort te zetten. Omdat de rechtbank geen omgangsregeling vaststelt zal de rechtbank daaraan toevoegen dat de moeder eens per kwartaal een recente foto van [minderjarige] met de informatieverstrekking meestuurt. Dit komt tegemoet aan de wens van de biologisch vader en is niet bezwaarlijk voor de moeder. De rechtbank gaat ervan uit dat de moeder de eerstvolgende keer na de datum van de beschikking een recente foto meestuurt.
Consultatieregeling
3.9.
De rechtbank wijst het verzoek tot het vaststellen van een consultatieregeling af. De biologische vader is, zoals gezegd, geen ouder in de zin van de wet en heeft dus geen consultatierecht. Er is op dit moment geen omgang en de biologische vader en [minderjarige] kennen elkaar niet. Om deze reden valt niet in te zien hoe de biologische vader zou kunnen bijdragen aan de te nemen beslissingen over [minderjarige] . Daar komt bij dat de moeder geen contact met de biologische vader wil om redenen die gelegen zijn in zijn gedrag jegens haar in het verleden. Van de moeder kan daarom niet verwacht worden dat zij de biologische vader advies moet vragen over de te nemen beslissingen over [minderjarige] .
De uitvoerbaarheid bij voorraad
3.10.
De rechtbank zal de beslissing uitvoerbaar bij voorraad verklaren, zoals is verzocht. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als één van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing. De beslissing van de rechtbank geldt in dat geval totdat het gerechtshof een andere beslissing neemt.
De kosten van deze procedure
3.11.
De rechtbank zal beslissen dat iedere ouder de eigen proceskosten betaalt, omdat zij geen reden ziet om één van de partijen in de proceskosten te veroordelen.
Hierna volgt de beslissing. De rechtbank gebruikt daar de begrippen uit de wet.

4.De beslissing

De rechtbank:
4.1.
bepaalt dat de moeder een keer per maand een e-mail zal sturen aan de biologische vader over:
  • de ontwikkeling van [minderjarige] ,
  • belangrijke aangelegenheden omtrent [minderjarige] .
4.2.
bepaalt dat de moeder een keer per kwartaal een recente foto van [minderjarige] aan de biologische vader zal sturen;
4.3.
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;
4.4.
wijst de verzoeken van de biologische vader voor het overige af.
Dit is de beslissing van de rechtbank, genomen door mr. M.A.A.T. Engbers, (kinder)rechter in samenwerking met mr. I.C. van Schip, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 januari 2026.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.

Voetnoten

1.Artikel 1:377b BW