ECLI:NL:RBMNE:2026:1158

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
9 maart 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
UTR 25/2556
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
  • M. Coenen
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:9 AwbArt. 6:22 AwbArt. 2.12 WaboArt. 37.8 planregels bestemmingsplanArt. 3.1 planregels bestemmingsplan
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ongegrond beroep tegen omgevingsvergunning voor kleine windmolen vanwege beperkte landschappelijke aantasting

Deze bestuursrechtelijke zaak betreft het beroep van eiseres tegen de verlening van een omgevingsvergunning door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lopik voor het realiseren van een kleine windmolen op het perceel van vergunninghouder.

Eiseres betoogt onder meer dat de vergunning leidt tot een onevenredige aantasting van de open landschapsstructuur, onnodige belemmering van doorzichten, een alternatieve locatie minder nadelen zou opleveren, en dat het college onvoldoende heeft gemotiveerd dat de gebruiksmogelijkheden van haar aangrenzende perceel niet worden beperkt. Tevens stelt zij dat het hoor en wederhoor is geschonden doordat zij niet kon reageren op aanvullend slagschaduwrapport.

De rechtbank toetst de redelijkheid van het besluit en concludeert dat het college de vergunning terecht heeft verleend. De windmolen is grotendeels achter bestaande bebouwing geplaatst, waardoor de landschappelijke openheid slechts beperkt wordt aangetast. De alternatieve locatie is onvoldoende concreet onderbouwd en de gebruiksmogelijkheden van het perceel van eiseres worden niet onevenredig beperkt. Hoewel het college het hoor en wederhoor niet volledig heeft nageleefd, wordt dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 Awb Pro gepasseerd omdat eiseres niet is benadeeld.

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond, draagt het college op het griffierecht te vergoeden en kent eiseres een proceskostenvergoeding toe. Het besluit blijft daarmee in stand.

Uitkomst: Het beroep tegen de omgevingsvergunning wordt ongegrond verklaard en het college mocht de vergunning in redelijkheid verlenen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/2556

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 9 maart 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. J.G.L. van Nus),
en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Lopik, het college

(gemachtigde: A. Steenbergen).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel: [derde belanghebbende] uit [plaats] (de vergunninghouder).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de verlening van een omgevingsvergunning voor het realiseren van een kleine windmolen aan het [adres] in [plaats] . Eiseres is het niet eens met de omgevingsvergunning. Aan de hand van de door eiseres aangevoerde beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of het college de omgevingsvergunning in redelijkheid mocht verlenen.
1.1.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de omgevingsvergunning mocht verlenen. Het college heeft deugdelijk gemotiveerd dat geen sprake is van een onevenredige aantasting van de open landschapsstructuur en een goede omgevingskwaliteit, zoals beschreven in de Nota ruimtelijke beleidsregels kleinschalige duurzame energie. De windmolen is grotendeels achter bebouwing opgetrokken waardoor de aantasting van de landschappelijke openheid beperkt is. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat een alternatieve locatie een gelijkwaardig resultaat zal geven. Het beroep is ongegrond. De rechtbank komt tot het oordeel dat sprake is van een schending van artikel 7:9 van Pro de Awb, dat met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb wordt gepasseerd aangezien aannemelijk is dat eiseres hierdoor niet is benadeeld. Vanwege de toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb wordt wel een proceskostenvergoeding toegekend en moet het college het griffierecht aan eiseres vergoeden. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Vergunninghouder heeft op 20 december 2023 een aanvraag voor een omgevingsvergunning ingediend voor het realiseren van een kleine windmolen. Het gaat om een windmolen van het type EAZ 13.2 met een ashoogte van 15 meter en een tiphoogte van 21,6 meter.
2.1.
Het college heeft met het besluit van 26 maart 2024 een omgevingsvergunning verleend. De omgevingsvergunning is verleend voor de activiteiten bouwen en handelen in strijd met het bestemmingsplan.
2.2.
Het perceel van eiseres is aangrenzend aan het perceel van vergunninghouder. Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de verleende omgevingsvergunning. Naar aanleiding van het bezwaar heeft het college een aanvullende motivering gegeven. Met het besluit van 24 februari 2025 op het bezwaar van eiseres is het college bij het besluit tot het verlenen van de omgevingsvergunning gebleven.
2.3.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
2.4.
De rechtbank heeft het beroep op 18 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van het college en de vergunninghouder. De gemachtigde van eiseres was afwezig.

Beoordeling door de rechtbank

3. De rechtbank toetst of het college in redelijkheid de omgevingsvergunning voor de bouw van de windmolen mocht verlenen.
Het beoordelingskader
3.1.
Op 1 januari 2024 is de Wabo ingetrokken en is de Omgevingswet in werking getreden. Omdat voor die datum de aanvraag om de omgevingsvergunning is ingediend, is in deze zaak de Wabo met de onderliggende regelingen nog van toepassing. [1]
3.2.
Het perceel waar de windmolen op staat heeft op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan “Eerste herziening bestemmingsplan Landelijk gebied” (hierna: het bestemmingsplan) de enkelbestemming “agrarisch", de dubbelbestemming “waarde - archeologie 2”, de functieaanduiding "fruitteelt" en de gebiedsaanduidingen "overige zone - agrarisch gebied met landschappelijke openheid" en “overige zone - cultuurhistorische waarden”.
3.3.
Op grond van artikel 3.1, sub t van de planregels van het bestemmingsplan zijn de voor 'Agrarisch' aangewezen gronden bestemd voor een windturbine, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'windturbine'. Het perceel van vergunninghouder heeft niet een dergelijke aanduiding en de windmolen is dus in strijd met het bestemmingsplan. In dat geval kan op grond van artikel 2.12, eerste lid, onder a, onderdeel 1 van de Wabo kan de omgevingsvergunning worden verleend indien de activiteit niet in strijd is met een goede ruimtelijke ordening en met toepassing van de in het bestemmingsplan opgenomen regels inzake afwijking.
3.4.
Het college heeft gebruik gemaakt van de binnenplanse afwijkingsbevoegdheid van artikel 37.8 van de planregels van het bestemmingsplan. Op grond van deze bepaling kan bij een omgevingsvergunning worden afgeweken van de bestemmingsregels voor het bouwen van bouwwerken, geen gebouwen zijnde, ten behoeve van duurzame energie opwekking, met dien verstande dat er sprake dient te zijn van een goede omgevingskwaliteit, zoals beschreven in de Nota ruimtelijke beleidsregels kleinschalige duurzame energie (de Nota), dan wel diens rechtsopvolger.
3.5.
Artikel 2.2.2, onder lid a, van de Nota bepaalt dat kleinschalige windmolens binnen het bouwvlak worden toegestaan. Op grond van artikel 2.2.2, onder lid c, van de Nota mag de plaatsing van een windmolen niet leiden tot een onevenredige aantasting van de waarden en belangen van de omgeving, waaronder in ieder geval wordt verstaan:
1. geen onevenredige afbreuk aan het karakter van de omgeving, en er dus sprake dient te zijn van een goede landschappelijke inpassing;
i. de locatie van de kleinschalige windmolen moet aansluiten bij de ruimtelijke structuren van het landschap, waarbij die ruimtelijke structuren herkenbaar blijven.
ii. bestaande doorzichten naar het achtergelegen landschap mogen niet
onnodig worden belemmerd.
2. geen onevenredige afbreuk aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende
gronden en bouwwerken,
i. waarbij burgemeester en wethouders nadere eisen kunnen stellen ten
aanzien van de mogelijkheid tot voortzetting dan wel uitbreiding van een
bestaand aangrenzend bedrijf.
3. geen onaanvaardbare situatie ontstaat met betrekking tot veiligheid
i. hiervoor geldt dat de afstand tot een andere windmolen tenminste drie keer de rotordiameter van de grootste van de twee windmolens bedraagt;
ii. de afstand tot kwetsbare objecten, zoals woningen, bedraagt:
a. de ashoogte + halve rotordiameter
b. of de werpafstand bij nominaal toerental
iii. de afstand van de windmolen tot openbaar gebied is zodanig dat de
wieken of de constructie niet overhangt boven openbaar
(toegankelijk) gebied.
Onevenredige aantasting van de open landschapsstructuur
4. Eiseres voert aan dat sprake is van een onevenredige aantasting van de open landschapsstructuur. Volgens eiseres moet op grond van artikel 3.1, sub aj, van de planregels rekening worden gehouden met de aanwezige open landschapsstructuur. Eiseres vindt dat het bestreden besluit niet berust op een zorgvuldige belangenafweging en dat een deugdelijke motivering ontbreekt.
4.1.
Het college vindt dat geen sprake is van een onevenredige aantasting van de open landschapsstructuur. Het college wijst er in dat verband op dat de openheid in het gebied al enigszins beperkt wordt door aanwezige (bedrijfs)bebouwing, een transformatorhuisje en een boomgaard. Het college wijst ook op het nader advies van Mooisticht van 11 september 2024 met nadere motivering waarom geen sprake is van een onnodige belemmering van bestaande doorzichten naar het achtergelegen landschap.
4.2.
De rechtbank stelt voorop dat sprake is van een binnenplanse afwijkingsmogelijkheid waarbij juist wordt afgeweken van het bepaalde in hoofdstuk 2 van de planregels, waaronder artikel 3.1, sub aj. De rechtbank begrijpt de beroepsgrond van eiseres zo, dat zij aanvoert dat vanwege onevenredige aantasting van de open landschapsstructuur geen sprake is van een goede ruimtelijke ordening in de zin van artikel 2.12 van de Wabo en de invulling die daaraan is gegeven in artikel 2.2.2, onder lid c, sub 1, onder i, van de Nota. De toepassing van artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wabo is een zogenoemde discretionaire (dat wil zeggen: een vrije) bevoegdheid van het college. De rechtbank moet het al dan niet gebruiken van deze bevoegdheid terughoudend toetsen. Dat betekent dat de rechtbank beoordeelt of het college, bij afweging van alle betrokken belangen, in redelijkheid heeft kunnen beslissen van deze bevoegdheid gebruik te maken.
4.3.
In het bestreden besluit is een aanvullende motivering opgenomen van het college dat geen sprake is van een onevenredige afbreuk aan het karakter van de omgeving. De aanvullende motivering in het bestreden besluit is als volgt: “
De aanwezige open landschapsstructuur, zoals kavels en percelen en de grens tussen land en water (het verkavelingspatroon), blijft leesbaar wanneer een kleine windmolen wordt geplaatst. De openheid van het gebied wordt minimaal beïnvloed. De slanke groene mast, de houten staart en het zichtbare hout van de rotorbladen benadrukken het onderscheid met een grootschalige windmolen. Dit zorgt voor een betere leesbaarheid en positieve beleving van het landschap. De welstandscommissie stelt dat de landschappelijke openheid van de omgeving door de windmolen niet wordt aangetast. Kubiek adviseert dat het bestaande doorzicht naar het achtergelegen landschap onnodig wordt belemmerd. Wij concluderen dat van enige aantasting van de landschappelijke openheid sprake is, maar dat die aantasting zeer beperkt is. Dat komt omdat de windmolen grotendeels achter bebouwing wordt opgericht. Ook uit de foto’s in het rapport van Kubiek blijkt dat de windmolen vanuit uw bedrijfswoning zichtbaar is boven bestaande bebouwing uit. Van gehele landschappelijke openheid is geen sprake, ook omdat de windmolen in een boomgaard staat. De kleine extra aantasting van de landschappelijke openheid is geen reden de vergunning te weigeren.”De rechtbank kan deze motivering volgen. Het college heeft hiermee deugdelijk gemotiveerd dat geen sprake is van een onevenredige aantasting van de open landschapsstructuur, omdat de windmolen grotendeels achter bebouwing is opgericht waardoor de aantasting van de landschappelijke openheid beperkt is. Daarbij mocht het college ook betrekken dat van gehele landschappelijke openheid geen sprake is. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Onnodige belemmering van bestaande doorzichten naar achtergelegen landschap
5. Eiseres voert aan dat op grond van de Nota de plaatsing van een windmolen niet mag leiden tot een onevenredige afbreuk aan het karakter van de omgeving. Zij voert aan dat het college onvoldoende ruimtelijke argumenten heeft gegeven dat bestaande doorzichten naar het achterliggende landschap niet onnodig belemmerd worden door de plaatsing van de windmolen, zoals bedoeld in artikel 2.2.2, onder lid c, sub 1, onder ii, van de Nota.
5.1.
Het college voert aan dat geen sprake is van een onevenredige afbreuk aan het karakter van de omgeving. De windmolen is grotendeels opgetrokken achter bestaande bebouwing, waardoor sprake is van een zeer beperkte aantasting van de landschappelijke openheid.
5.2.
De rechtbank is van oordeel dat het college met de aanvullende motivering in het bestreden besluit en de verwijzing naar het advies van Mooisticht van 11 september 2024 deugdelijk heeft gemotiveerd waarom geen sprake is van een aantasting van waardevolle zichtlijnen. Daarbij is betrokken dat de kavels achter de boerderij de functieaanduiding fruitteelt hebben waardoor de beleving van grootschalige openheid in de huidige situatie beperkt is. De windmolen staat zoveel mogelijk achter bestaande bebouwing. Op de zitting is aan de hand van foto’s en met gebruik van Google Maps de feitelijke situatie besproken met partijen. Daarbij is gebleken dat de windmolen vanaf de openbare weg vanuit de meeste oogpunten achter de bestaande bebouwing staat (de bebouwing op het perceel van vergunninghouder en het transformatorhuisje). Alleen vanaf zijwaartse inkijk vanaf de openbare weg is de windmolen niet achter bestaande bebouwing opgetrokken. Wel is de rechtbank bij de bespreking van de feitelijke situatie op zitting gebleken dat de windmolen vanuit de zijwaartse zichtlijn in lijn staat met de (veel) hogere windmolens die een aantal kilometer verderop staan. Gezien hetgeen het college hierover heeft aangevoerd en wat op de zitting is besproken, oordeelt de rechtbank dat niet is gebleken dat sprake is van een onnodige belemmering van de bestaande doorzichten naar het achtergelegen landschap. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Alternatieve locatie van de windmolen
6. Eiseres voert aan dat een andere locatie van de windmolen op het bouwvlak van vergunninghouder minder verstoring zou opleveren. Zij baseert zich daarbij op het stedenbouwkundig rapport van Kubiek.
6.1.
Het college voert aan dat het enkel toetst of de aangevraagde locatie aanvaardbaar is en niet zelf de locatie van de windmolen kan kiezen. Dat eiseres de windmolen liever op een ander deel van het perceel had gezien, is geen onderdeel van die toetsing.
6.2.
De rechtbank is van oordeel dat het college terecht heeft aangevoerd dat bij de beoordeling of een omgevingsvergunning dient te worden verleend, het concreet voorgelegde bouwplan het uitgangspunt vormt. Indien dit bouwplan op zichzelf aanvaardbaar is, kan het bestaan van alternatieven slechts dan tot het onthouden van medewerking nopen, indien op voorhand duidelijk is dat door verwezenlijking van de alternatieven een gelijkwaardig resultaat kan worden bereikt met aanmerkelijk minder bezwaren. [2] Naar het oordeel van de rechtbank is hetgeen door eiseres naar voren is gebracht onvoldoende concreet van aard en kan om die reden niet worden aangemerkt als een alternatief dat tot een gelijkwaardig resultaat met minder bezwaren zal leiden. De stelling dat er alternatieve locaties mogelijk zijn dan wel dat alternatieve locaties voor eiseres minder nadelen opleveren is daarvoor onvoldoende. Ter zitting heeft vergunninghouder gesteld dat de locatie van de windmolen weloverwogen gekozen is. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat een alternatieve locatie op het perceel van vergunninghouder een gelijkwaardig resultaat zal geven. [3] Deze beroepsgrond slaagt niet.
Onevenredige beperking gebruiksmogelijkheden aangrenzende gronden
7. Eiseres voert aan dat op grond van artikel 2.2.2, onder lid c, sub 2, van de Nota de plaatsing van de windmolen geen onevenredige afbreuk mag doen aan de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden of bouwwerken. Eiseres stelt dat het college dit onvoldoende heeft gemotiveerd omdat het college nalaat om inzicht te geven in de afweging van visuele hinder, beleving en andere ruimtelijke effecten. Dit is volgens eiseres in strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel.
7.1.
Het college voert aan dat eiseres niet onderbouwt dat de windmolen de gebruiksmogelijkheden van haar perceel onevenredig zou belemmeren. Het college stelt dat het niet inziet hoe de kleinschalige windmolen de voortzetting of uitbreiding van één van de drie op het perceel van eiseres geregistreerde bedrijven zou belemmeren (een klusbedrijf, een bedrijf in het geven van trainingen en cursussen, en een praktijk voor fysio- en manuele therapie).
7.2.
De rechtbank is van oordeel dat niet is gebleken dat eiseres wordt beperkt in de gebruiksmogelijkheden van het aangrenzend perceel. Het college heeft in het bestreden besluit nader gemotiveerd waarom de plaatsing van de windmolen geen onevenredige inbreuk maakt op de gebruiksmogelijkheden van het aangrenzend perceel van eiseres. Die motivering luidt:
“De windmolen beperkt de gebruiksmogelijkheden van aangrenzende gronden en gebouwen niet. Vanuit uw bedrijfswoning is slechts over de bestaande bebouwing heen zicht op de bovenkant van de windmolen. De afstand tot aan het dichtstbijzijnde gevoelige object is 98 meter. Dat u de windmolen vanaf uw perceel kunt zien, maakt niet dat er sprake is van onevenredige inbreuk op de gebruiksmogelijkheden van uw perceel. De bedrijfswoning en de bedrijfspanden kunnen, ongeacht de aanwezigheid van de windmolen, op dezelfde wijze in gebruik blijven.”Eiseres vindt deze motivering onvoldoende omdat het abstract zou blijven en ruimtelijke onderbouwing zou ontberen. Nu eiseres echter niet onderbouwt in hoeverre zij beperkt zou worden in de gebruiksmogelijkheden van het perceel, is de rechtbank niet gebleken dat de aanvullende motivering van het college onvoldoende concreet zou zijn. De rechtbank is aldus niet gebleken dat sprake is van een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel of het motiveringsbeginsel. Deze beroepsgrond slaagt niet.
Strijd hoor en wederhoor ten aanzien van aanvullend slagschaduwrapport
8. Eiseres voert aan dat zij niet in de gelegenheid is gesteld om zich over de aanvullingen op het slagschaduwrapport van 22 november 2024 uit te laten, nu deze pas na het hoorgesprek in bezwaar is ontvangen door het college. Het college mocht deze stukken volgens eiseres daarom niet bij het bestreden besluit betrekken.
8.1.
Het college voert aan dat de stukken pas zijn ontvangen nadat het hoorgesprek plaatsvond. Omdat de stukken niet voor het hoorgesprek zijn ontvangen kon het college deze ook niet voorafgaand aan het hoorgesprek ter inzage leggen. Het college vindt daarom dat geen sprake is van een schending van wettelijke bepalingen.
8.2.
De rechtbank is van oordeel dat het college eiseres in de gelegenheid had moeten stellen over de nieuwe stukken te worden gehoord. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. Artikel 7:9 van Pro de Awb bepaalt dat wanneer na het horen aan het bestuursorgaan feiten of omstandigheden bekend worden die voor de op het bezwaar te nemen beslissing van aanmerkelijk belang kunnen zijn, dit aan belanghebbenden wordt meegedeeld en dat zij in de gelegenheid worden gesteld daarover te worden gehoord. Het is niet altijd nodig om stukken die ná het hoorgesprek zijn ontvangen nog aan belanghebbenden voor te leggen. Dit kan bijvoorbeeld achterwege blijven als een nader advies niet wezenlijk verschilt van een eerder advies. [4] De rechtbank is echter van oordeel dat in dit geval geen sprake is van voortbouwen op een eerder advies, omdat is gebleken dat de situatie vanaf de bedrijfswoning van eiseres in het geheel niet aan de orde was gekomen in het eerste stuk. Het gaat naar het oordeel van de rechtbank dan ook om nieuwe informatie van aanmerkelijk belang voor de op het bezwaar te nemen beslissing, waardoor eiseres op grond van artikel 7:9 van Pro de Awb in de gelegenheid had moeten gesteld daarover te worden gehoord. Nu dat niet is gebeurd, is sprake van een schending van hetgeen is bepaald in artikel 7:9 van Pro de Awb.
8.3.
De rechtbank ziet aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van Pro de Awb te passeren, omdat aannemelijk is dat eiseres hierdoor niet is benadeeld. Zij heeft in beroep voldoende gelegenheid gehad om zich uit te laten over deze stukken. Ook als dit gebrek zich niet zou hebben voorgedaan, zou een besluit met gelijke uitkomst zijn genomen, te meer nu eiseres inhoudelijk niets heeft aangevoerd tegen deze stukken.

Conclusie en gevolgen

9. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft.
9.1.
Omdat de rechtbank in overweging 8.2 een gebrek heeft geconstateerd, ziet de rechtbank aanleiding het college op te dragen het griffierecht aan eiseres te vergoeden. Ook ziet de rechtbank aanleiding aan eiseres een vergoeding toe te kennen voor de kosten die zij voor de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt eiseres een vast bedrag per proceshandeling. In beroep heeft elke proceshandeling een waarde van € 934,--. De gemachtigde heeft een beroepschrift ingediend. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 934,--.
Beslissing
De rechtbank
  • verklaart het beroep ongegrond;
  • veroordeelt het college in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 934,--;
  • draagt het college op het betaalde griffierecht van € 194,-- aan eiseres te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Coenen, rechter, in aanwezigheid van J.B. Thépass, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 9 maart 2026.
de griffier is verhinderd
de uitspraak te ondertekenen
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Dat volgt uit het overgangsrecht van artikel 4.3 van de Invoeringswet Omgevingswet.
2.Zie de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State van 21 maart 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BV9450, r.o. 2.7.1.
3.Zie bijvoorbeeld ook de uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland van 8 maart 2022, ECLI:NL:RBMNE:2022:972, r.o. 17.
4.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 20 juni 2007, ECLI:NL:RVS:2007:BA7608.