Uitspraak
RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
1.De zitting
3 maart 2026.
- de verdachte;
- de officier van justitie: mr. F.A.M. Bouwhuis;
- de advocaat van de verdachte: mr. A.C. Vingerling (hierna: de advocaat)
- de slachtoffers: [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] ;
- de psychiater van het NIFP, de heer P.K.J. Ronhaar ;
- de psycholoog van het NIFP, mevrouw D.R. van der Velden ;
- de reclasseringswerker van Inforsa, mevrouw [A] (aanwezig via een videoverbinding).
2.De tenlastelegging
3.Het bewijs
de rechtbank begrijpt: de verdachte]. Mijn jongste zoon [
de rechtbank begrijpt: [slachtoffer 1]] was op de slaapkamer op zolder toen ik de woning verliet om naar het politiebureau te gaan. Ik heb mijn jongste zoon gebeld en aangegeven dat wij in gevaar zijn voor [verdachte] . Toen ik op het politiebureau was, is mij verteld dat er brand in mijn woning was. [2]
de rechtbank begrijpt 16 september 2024] was ik thuis aan de [adres 1] in [plaats 1] . Ik had besloten om op mij kamer te verblijven, die gelegen is op zolder. Mijn moeder vertelde mij dat zij naar het politiebureau in [plaats 1] ging. Ik hoorde [verdachte] de trap op lopen van de eerste verdieping naar de zolder. Ik hoorde dat hij het dakraam op zolder dichtdeed. Ik hoorde dat er met iets gespoten werd, alsof er met een deodorant bus gespoten werd, en ik hoorde het klikken van een aansteker. Ik hoorde dat [verdachte] door ging met spuiten.
de rechtbank begrijpt: de bewoners direct naast de woning van verdachte] waren ten tijde van de brandstichting in hun woning aanwezig. Zij verklaarden op 16 september 2024 omstreeks 23:00 uur naar bed te zijn gegaan en toen allerlei lawaai en geschreeuw te hebben gehoord bij de buren. Toen zij rook uit het raam op [nummer] zagen komen, hebben zij hun woning verlaten. [12]
4.Bewezenverklaring
5.Kwalificatie en strafbaarheid
6.Strafoplegging
- een gevangenisstraf voor de duur van 24 maanden, met aftrek van het voorarrest;
- een terbeschikkingstelling met bevel tot verpleging van overheidswege (hierna: tbs met dwangverpleging).
1 mei 2025, opgesteld door [B] , reclasseringswerker. Hieruit blijkt dat de reclassering zich aansluit bij het advies van de gedragsdeskundigen om tbs met dwang op te leggen. De verdachte toont namelijk geen intrinsieke behandelmotivatie en wordt niet in staat geacht om zich langere tijd te committeren aan een kader van tbs met voorwaarden. Volgens de reclassering is een stevig behandelkader met een hoge mate van beveiliging geïndiceerd en zal een tbs met voorwaarden niet toereikend zijn om het recidiverisico te verminderen.
7.Toegepaste wetsartikelen
8.De beslissing
een gevangenisstraf van 547 dagen;
ter beschikking wordt gesteld en beveelt dat hij van overheidswege wordt verpleegd.
mr. O. Böhmer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. B.J. Mol als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 17 maart 2026.