Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1154

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
20 maart 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
UTR 23/4152
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:29 AwbArt. 8:72 AwbArt. 4:17 AwbArt. 4:18 AwbArt. 6:19 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging besluit gemeente Utrecht over openbaarmaking documenten toezicht studentenhuizen

Eiser verzocht de gemeente Utrecht om openbaarmaking van documenten over het toezicht op studentenhuizen. Het college heeft dit verzoek gedeeltelijk ingewilligd, maar eiser was het niet eens met de volledigheid van de openbaarmaking en stelde beroep in.

De rechtbank oordeelt dat het college in het primaire besluit niet voldoende zoekslag heeft gedaan, waardoor dat besluit wordt vernietigd. Het aanvullende besluit op bezwaar bevatte wel een goede zoekslag, zodat geen nieuwe zoekslag nodig is. Wel is vastgesteld dat het college ten onrechte de naam van het Hoofd afdeling FrontOffice & Vergunningen heeft weggelakt, wat onrechtmatig is.

Verder is vastgesteld dat de redelijke termijn voor de behandeling van bezwaar en beroep is overschreden, waardoor eiser recht heeft op een schadevergoeding. De rechtbank veroordeelt het college tot openbaarmaking van de naam, tot betaling van schadevergoeding en proceskosten, en vergoedt het griffierecht. De rechtsgevolgen van het vernietigde besluit blijven in stand.

Uitkomst: Het primaire besluit wordt vernietigd wegens onvoldoende zoekslag, de naam van het Hoofd afdeling FrontOffice & Vergunningen moet openbaar worden gemaakt, en eiser krijgt schadevergoeding en proceskosten toegekend.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 23/4152

uitspraak van de meervoudige kamer van 20 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser] , uit [plaats] , eiser

en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, het college
(gemachtigde: mr. M.W.J. Gorissen).

Samenvatting

Deze uitspraak gaat over het verzoek van eiser om openbaarmaking van documenten over het toezicht van de gemeente en/of de brandweer op een aantal studentenhuizen in Utrecht. Het college heeft dit verzoek gedeeltelijk ingewilligd. Eiser is het er niet mee eens dat zijn verzoek niet volledig is ingewilligd. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de besluiten van het college.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het college de zoekslag in eerste instantie niet goed heeft gedaan. Eiser krijgt op dit punt dus gelijk. Omdat de zoekslag bij het aanvullende besluit op bezwaar wel goed is gedaan, hoeft het college geen nieuwe zoekslag meer te doen. Het besluit wordt daarom vernietigd waarbij de rechtsgevolgen in stand worden gelaten. Bij het aanvullende besluit op bezwaar heeft het college één naam ten onrechte weggelakt. Daarom is ook het beroep tegen dit besluit gegrond. De rechtbank bepaalt dat het college deze naam alsnog openbaar moet maken.
Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot haar oordeel is gekomen.

Procesverloop

Eiser heeft een verzoek ingediend om openbaarmaking van documenten op grond van de Wet open overheid (Woo). Het college heeft deze aanvraag met het besluit van 10 oktober 2022 gedeeltelijk ingewilligd. Met het bestreden besluit van 25 juli 2023 op het bezwaar van eiser heeft het college nog een aantal documenten (gedeeltelijk) openbaar gemaakt.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Op 10 februari 2025 heeft het college een aanvullend besluit op bezwaar genomen.
Het college heeft op het beroep gereageerd met twee verweerschriften.
De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:29, vijfde lid, van de Awb kennis genomen van de niet openbaar gemaakte informatie.
De rechtbank heeft het beroep op 12 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van het college. Eiser is niet verschenen.

Beoordeling door de rechtbank

Niet verschijnen op de zitting door eiser
Eiser heeft de rechtbank op 1 december 2025 verzocht om digitaal aan de zitting te mogen deelnemen. Eiser gaf hiervoor als reden op dat hij de afgelopen week een uitnodiging had ontvangen voor een digitale zitting om 11.00 uur van een andere rechtbank. De rechtbank stelt voorop dat een fysieke zitting uitgangspunt is en de voorkeur verdient. In de door eiser opgegeven reden heeft de rechtbank geen aanleiding gezien om eisers verzoek toe te wijzen. Gelet op het aanvangstijdstip van de zitting, namelijk 9.30 uur, was het voor eiser, die in Utrecht woont, mogelijk om de zitting fysiek bij te wonen. Er was dus geen reden om van het uitgangspunt af te wijken. Vervolgens heeft eiser ervoor gekozen om niet op de zitting te verschijnen.
Totstandkoming van het besluit
Op 17 augustus 2022 heeft eiser verzocht om openbaarmaking van alle documenten die zien op het toezicht van de gemeente en/of de brandweer op de studentenhuizen aan de [adres 1] , [adres 2] , [adres 3] en de [adres 4] in [plaats] . Hij heeft (niet limitatief) verzocht om openbaarmaking van inspectierapporten, correspondentie, verslagen van overleggen waarin deze panden zijn besproken, maar ook besluiten en aanschrijvingen.
Bij besluit van 10 oktober 2022 heeft het college 12 documenten openbaar gemaakt met weglakking van de persoonsgegevens in deze documenten. Het document ‘kadastraal bericht object’ heeft het college geweigerd openbaar te maken.
Nadat eiser bezwaar had gemaakt tegen dit besluit, heeft het college bij het besluit op bezwaar nog eens 12 documenten openbaar gemaakt met weglakking van de persoonsgegevens daarin. Voor het overige is het college bij zijn besluit gebleven.
Op 10 februari 2025 heeft het college een aanvullend besluit op bezwaar genomen. Bij dit besluit heeft het college nog eens 8 documenten gedeeltelijk openbaar gemaakt. Bij dit besluit heeft het college verder alsnog uit 10 documenten een aantal gegevens openbaar gemaakt die eerder waren geweigerd. Op grond van artikel 6:19 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het beroep ook tegen dit besluit gericht.
De zoekslag
Eiser voert aan dat de door het college uitgevoerde zoekslag onvoldoende is geweest. Deze beroepsgrond slaagt. Alleen al uit het feit dat het college bij het aanvullende besluit op bezwaar van 10 februari 2025 nog acht nieuwe documenten heeft aangetroffen en (gedeeltelijk) openbaar heeft gemaakt, volgt dat het besluit op bezwaar van 25 juli 2023 onvoldoende zorgvuldig is voorbereid. Het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 25 juli 2023 is gegrond. De rechtbank ziet wel aanleiding om de rechtsgevolgen van dit besluit in stand te laten, gelet op hetgeen hierna wordt overwogen.
De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat er concrete aanwijzingen zijn dat ook na de laatste zoekslag nog steeds documenten ontbreken. Het is vaste rechtspraak [1] dat het, wanneer een bestuursorgaan stelt dat na onderzoek is gebleken dat een bepaald document niet of niet meer onder hem berust en een dergelijke mededeling niet ongeloofwaardig voorkomt, in beginsel aan degene die om informatie verzoekt is om aannemelijk te maken dat, in tegenstelling tot de uitkomsten van het onderzoek door het bestuursorgaan, dat document toch onder het bestuursorgaan berust. Bij de beoordeling of een stelling van een bestuursorgaan niet ongeloofwaardig voorkomt, wordt betrokken op welke wijze het onderzoek is verricht.
8. Het college heeft uiteengezet hoe het de zoekslag heeft gedaan. Na de zoekslagen die zijn gedaan bij het primaire besluit en in de bezwaarfase is bij het aanvullende besluit op bezwaar van 10 februari 2025 nogmaals een brede en systematische zoekslag gedaan, waarbij opnieuw is gezocht in alle relevante gemeentelijke systemen, inclusief Squit (voor oude VTH-registraties tot eind 2024), JOIN en Corsa, en in de opslagschijven en mailboxen van betrokken medewerkers. Er is gezocht met alle relevante zoektermen, waaronder de vier pandadressen, namen van vaste dossiers en interne referentienummers.
9. Eiser benoemt een aantal documenten die er volgens hem zouden moeten zijn, maar die bij de zoekslag niet boven water zijn gekomen.
10. Van een aantal door eiser genoemde documenten stelt het college zich op het standpunt dat deze buiten de reikwijdte van eisers verzoek vallen, te weten de legesnota en gebruiksmeldingen/vergunningen. Deze documenten hebben geen betrekking op het toezicht door de gemeente en daar ziet het Woo-verzoek van eiser op. De rechtbank onderschrijft dit.
11. Voor de tekeningen waarnaar wordt verwezen in document 8 bij het aanvullende besluit op bezwaar verwijst het college eiser terecht naar Het Utrechts Archief. Het gaat om archiefbescheiden in de zin van artikel 1 van Pro de Archiefwet 1995. Op grond van artikel 8.8 van de Woo en de daarbij behorende bijlage is de Woo daarop niet van toepassing.
12. Over het verzoek tot het indienen van een zienswijze van 18 april 2013 heeft het college opgemerkt dat dit verzoek is vervat in de vooraankondiging last onder dwangsom van die datum. Dit is document 6 bij het primaire besluit. Dit verzoek is dus, in tegenstelling tot eisers bewering, wel bij de zoekslag gevonden en ook openbaar gemaakt. Ook de foto’s waarnaar wordt verwezen in document 1 bij het besluit op bezwaar van 10 februari 2025 zijn, anders dan eiser stelt, door het college gevonden en openbaar gemaakt, namelijk als document 12 bij het primaire besluit.
13. Het college heeft nogmaals gezocht naar aanwezige inspectierapporten, in het bijzonder naar het inspectierapport van 7 maart 2013, en een uitvoeringscontract waarnaar wordt verwezen in de Afspraakbrief project slechte panden (document 3 bij het primaire besluit). Het college heeft ook expliciet navraag gedaan bij de destijds betrokken inspecteur, maar deze documenten zijn ook bij de laatste zoekslag niet aangetroffen. Over de handgeschreven aantekening over spoedeisende bestuursdwang op één van de documenten zijn geen documenten aangetroffen en de destijds betrokken collega heeft bevestigd dat daar geen documenten van zijn. Ook de brief van 19 augustus 2009 (aanvraag gedoogverklaring) waarnaar wordt verwezen in document 5 bij het aanvullende besluit op bezwaar, heeft het college niet aangetroffen. Gelet op de door het college gemaakte zoekslag en het tijdsverloop, komt deze uitleg van het college de rechtbank niet ongeloofwaardig voor. Deze beroepsgrond slaagt dus niet. De zoekslag is naar het oordeel van de rechtbank nu volledig geweest en voldoende inzichtelijk gemaakt.
Geweigerde stukken
14. Eiser stelt dat documenten 7 en 8 bij het primaire besluit ten onrechte niet openbaar zijn gemaakt. De rechtbank heeft op de zitting vastgesteld dat document 7 een kadastraal uittreksel betreft. Eiser voert aan dat het college het aangetroffen kadastrale overzicht en een pagina uit een koopakte ten onrechte niet openbaar heeft gemaakt. De rechtbank heeft allereerst vastgesteld dat het niet om een pagina uit een koopakte gaat, maar om een pagina uit een leveringsakte. Het college heeft dat niet juist vermeld in het besluit op bezwaar van 10 februari 2025. Het college heeft wel terecht geweigerd deze pagina openbaar te maken en dat geldt ook voor het kadastrale overzicht. Hoofdstuk 7 van de Kadasterwet is opgenomen in de bijlage bij artikel 8.8 van de Woo, zodat de Woo niet van toepassing is op documenten die zijn opgenomen in het Kadaster. Document 8 is, zoals het college ook al herhaaldelijk heeft opgemerkt, een besluit op bezwaar met betrekking tot een ander adres. Dit document valt buiten de reikwijdte van eisers verzoek.
Weggelakte namen van woningeigenaren, wijkagent en gemandateerde ambtenaar
14. Eiser voert verder aan dat het college ten onrechte heeft geweigerd de namen van de woningeigenaren, de wijkagent en van het Hoofd afdeling FrontOffice & Vergunningen, een gemandateerde ambtenaar, openbaar te maken. De rechtbank overweegt hierover dat het college een zwaarder gewicht heeft mogen toekennen aan het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de woningeigenaren en de wijkagent dan aan het belang van eiser bij openbaarmaking van deze namen. Dat de naam van de wijkagent te vinden is op de internetsite van de politie maakt dit niet anders. Op het moment dat de wijkagent emailcontact heeft met collega’s en/of ketenpartners vervult hij een andere, niet in het openbaar uitgeoefende taak en treedt hij niet in de openbaarheid. Dan weegt de persoonlijke levenssfeer van deze persoon zwaarder.
14. Over de naam van het Hoofd afdeling FrontOffice & Vergunningen heeft het college tijdens de zitting niet kunnen uitleggen waarom deze naam is weggelakt, terwijl de naam van het Hoofd Toezicht en Handhaving (Bebouwde Omgeving) wel openbaar is gemaakt. Het college heeft dan ook onvoldoende gemotiveerd waarom het belang van de eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van deze persoon zwaarder weegt dan het belang van openbaarheid. In zoverre slaagt de beroepsgrond.
Dwangsom wegens niet tijdig beslissen op bezwaar
14. Eiser voert aan dat het college in het besluit op bezwaar ten onrechte de verbeurde bestuurlijke dwangsom niet heeft vastgesteld. Eiser heeft het college op 20 februari 2023 in gebreke gesteld wegens het niet tijdig beslissen op zijn bezwaar van 21 oktober 2022. De rechtbank geeft eiser gelijk dat het college ten onrechte heeft nagelaten de op grond van artikel 4:17 van Pro de Awb verbeurde dwangsom vast te stellen. Daarbij merkt de rechtbank op dat de dwangsomregeling van de Awb op grond van artikel 8.2 van de Woo niet van toepassing is. Gelet echter op het bepaalde in artikel 4:18 van Pro de Awb is het niet aan de rechtbank, maar aan het college om de verschuldigdheid en de hoogte van de dwangsom bij besluit vast te stellen. Deze beroepsgrond kan dan ook niet tot vernietiging van het besluit op bezwaar leiden.
Overigens merkt de rechtbank op dat wat eiser opmerkt over de uitspraak van deze rechtbank van 3 juli 2023 [2] geen betrekking heeft op dit inzageverzoek en het bezwaar van 21 oktober 2022 en in deze zaak dan ook geen rol speelt.
Overschrijding van de redelijke termijn
18. Eiser voert tot slot aan dat de redelijke termijn in deze zaak is overschreden en dat hij om die reden recht heeft op schadevergoeding.
18. De redelijke termijn is overschreden als de bezwaar- en beroepsfase samen langer dan twee jaar hebben geduurd. Daarbij is een termijn van zes maanden voor de behandeling van het bezwaar en een termijn van anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep redelijk. Voor de hoogte van de schadevergoeding is het uitgangspunt een tarief van € 500,- per half jaar of een gedeelte daarvan waarmee de termijn is overschreden, naar boven afgerond.
18. De rechtbank stelt vast dat er vanaf de ontvangst van het bezwaarschrift van eiser op 20 oktober 2022 tot deze uitspraak drie jaar en vijf maandenzijn verstreken. Dit is een overschrijding van één jaar en vijf maanden. Eiser heeft daarom recht op een schadevergoeding van € 1.500,-.
18. De overschrijding van de redelijke termijn moet worden toegerekend aan het college en de rechtbank. Het college heeft de termijn van zes maanden voor de bezwaarfase met (afgerond) vier maanden overschreden en de rechtbank heeft de termijn van anderhalf jaar met (afgerond) 13 maanden overschreden. Dit leidt ertoe dat de overschrijding voor 4/17 deel aan het college moet worden toegerekend en voor 13/17 deel aan de rechtbank. De kosten voor de overschrijding van de termijn door de rechtbank komen voor rekening van de Staat.

Conclusie en gevolgen

22. Het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 25 juli 2023 is gegrond, omdat het bestreden besluit genomen is in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel (rechtsoverweging 6). De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. Maar de rechtbank laat met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand. Dit omdat het college bij het aanvullende besluit op bezwaar van 10 februari 2025 alsnog een afdoende zoekslag heeft gedaan.
22. Het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 10 februari 2025 is gegrond, gelet op rechtsoverweging 16. De rechtbank vernietigt dit besluit voor zover daarbij de naam van het Hoofd afdeling Frontoffice & Vergunningen niet openbaar is gemaakt. De rechtbank neemt met toepassing van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb daarover nu zelf een beslissing en bepaalt dat het college deze naam alsnog openbaar maakt.
22. Omdat het beroep gegrond is moet het college het griffierecht aan eiser vergoeden. Eiser heeft verder terecht aangevoerd dat het college ten onrechte heeft nagelaten de proceskosten die hij heeft gemaakt in de bezwaarfase te vergoeden. Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht stelt de rechtbank deze vergoeding alsnog vast. Voor het bijwonen van de hoorzitting in de bezwaarfase krijgt eiser € 71,25. Het college moet deze vergoeding betalen. Er zijn geen andere voor vergoeding in aanmerking komende kosten.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 25 juli 2023 gegrond;
- vernietigt het besluit van 25 juli 2023;
- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
- verklaart het beroep voor zover gericht tegen het besluit van 10 februari 2025 gegrond;
- vernietigt het besluit 10 februari 2025, voor zover daarbij de naam van het Hoofd afdeling Frontoffice & Vergunningen niet openbaar is gemaakt;
- bepaalt dat het college de naam van het Hoofd afdeling Frontoffice & Vergunningen openbaar maakt en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van het vernietigde besluit;
- draagt het college op hier binnen vier weken na verzending van deze uitspraak uitvoering aan te geven;
- veroordeelt het college tot het betalen van € 352,94 aan schadevergoeding aan eiser;
- veroordeelt de Staat tot het betalen van € 1.147,06 aan schadevergoeding aan eiser;
- veroordeelt het college tot betaling van € 71,25 aan proceskosten aan eiser;
- bepaalt dat het college aan eiser het betaalde griffierecht van € 184,- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.J. Catsburg, voorzitter, en mr. M. van der Knijff en mr. J.A.C.M. Nielen, leden, in aanwezigheid van mr. M.L. Bressers, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 20 maart 2026.
griffier
voorzitter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 4 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1743.