ECLI:NL:RBMNE:2026:1125

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
C/16/594608 / HL ZA 25-149
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing loonvordering rietdekkerswerk koetshuis en hooischuur wegens ontbreken opdrachtgever

Eiseres heeft rietdekkerswerk verricht aan drie gebouwen op een perceel in Rotterdam. Voor het landhuis was gedaagde sub 1 opdrachtgever, maar voor het werk aan het koetshuis en de hooischuur betwist gedaagde sub 1 dit en stelt dat de vennootschap ‘bedrijf 1’ opdrachtgever was. Eiseres factureerde aan bedrijf 1, dat niet betaalde en inmiddels failliet is.

De rechtbank oordeelt dat eiseres niet mocht verwachten dat gedaagde sub 1 opdrachtgever was voor het werk aan het koetshuis en de hooischuur. Dit volgt uit de communicatie waarin duidelijk werd dat bedrijf 1 als hoofdaannemer fungeerde en de facturen op naam van bedrijf 1 moesten worden gesteld. Eiseres had dit moeten begrijpen of navraag moeten doen.

Subsidiair vorderde eiseres betaling op grond van onrechtmatige daad van gedaagde sub 1 en sub 2, maar ook deze vorderingen worden afgewezen. Er is geen onrechtmatig handelen vastgesteld, ook niet van gedaagde sub 2 die niet hoefde te waarschuwen voor de financiële situatie van bedrijf 1.

Eiseres wordt veroordeeld in de proceskosten en de vorderingen worden afgewezen. Het teveel betaalde griffierecht wordt teruggestort aan partijen.

Uitkomst: De rechtbank wijst de loonvordering af omdat gedaagde sub 1 niet als opdrachtgever kon worden beschouwd.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Lelystad
Zaaknummer: C/16/594608 / HL ZA 25-149
Vonnis van 11 maart 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
in [plaats] ,
eisende partij,
advocaat: mr. J.L.J.M. van de Mortel,
tegen

1.[gedaagde sub 1] B.V.,

in [plaats] ,
2.
[gedaagde sub 2],
in [plaats] ,
gedaagde partijen,
advocaat: mr. A.W. van Luipen.
Partijen zullen hierna genoemd worden: [eiseres] , [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] . [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zullen samen [gedaagden] genoemd worden (vrouwelijk enkelvoud).

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met 22 producties,
- de conclusie van antwoord met 6 producties,
- aanvullende producties van [gedaagden] , genummerd 7 en 8,
- de mondelinge behandeling van 9 oktober 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt, en de advocaten van partijen spreekaantekeningen hebben overgelegd.
1.2.
Daarna is bepaald dat een vonnis zal worden uitgesproken.

2.De kern van de zaak

2.1.
[gedaagde sub 1] was eigenaresse van een perceel in Rotterdam. Op het perceel staat een landhuis, een koetshuis en een hooischuur [1] . [eiseres] heeft rietdekkerswerk aan alle drie de gebouwen verricht. Het rietdekkerswerk aan het landhuis deed [eiseres] in opdracht van [gedaagde sub 1] . Dat werk is klaar en is betaald, en speelt voor de rechtsvordering in deze procedure geen rol. Volgens [eiseres] was [gedaagde sub 1] ook de opdrachtgever voor het rietdekkerswerk aan het koetshuis en de hooischuur. [gedaagde sub 1] betwist dat; volgens haar was voor dat werk de vennootschap ‘ [bedrijf 1] ’ opdrachtgever. Het loon voor het werk aan het koetshuis en de hooischuur heeft [eiseres] gefactureerd aan [bedrijf 1] , maar [bedrijf 1] heeft die facturen onbetaald gelaten. [bedrijf 1] is inmiddels failliet. [eiseres] vordert haar loon (€ 79.166,07 inclusief btw) in deze procedure primair van [gedaagde sub 1] , met nevenvorderingen. Subsidiair vordert [eiseres] haar loon exclusief btw hoofdelijk - op grond van onrechtmatige daad - van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] . De rechtbank wijst alle vorderingen af.

3.De beoordeling

De achtergrond van de ontwikkeling van het landgoed
3.1.
[gedaagden] heeft aangevoerd dat zij het landgoed eerder verkocht heeft aan [bedrijf 2] (‘ [bedrijf 2] ’), die opdracht heeft gegeven aan de vennootschap [bedrijf 3] (‘ [bedrijf 3] ’) om het koetshuis en de hooischuur te ontwikkelen. Bestuurder van [bedrijf 3] is [gedaagde sub 2] . Het is volgens [gedaagden] [bedrijf 3] die de opdracht voor het werk aan het koetshuis en de hooischuur heeft gegeven aan [bedrijf 1] als hoofdaannemer. Die opdracht omvatte ook het rietdekkerswerk, waarvoor [bedrijf 1] dus (zo stelt [gedaagden] ) [eiseres] heeft ingeschakeld. [gedaagden] heeft voldoende aangetoond dat dit inderdaad feitelijk waar is. Voldoende vast staat dat het rietdekkerswerk is overeengekomen in de werkcalculatie van [bedrijf 1] [2] , en ook dat dat werk (in ieder geval voor het grootste deel) aan [bedrijf 1] is betaald [3] . Maar dat maakt nog niet dat de vordering daarom zonder meer niet toewijsbaar zou zijn.
Het toetsingskader is wat [eiseres] mocht verwachten
3.2.
Dat [eiseres] van het bovenstaande precies op de hoogte was, heeft [gedaagden] onvoldoende aangetoond. Vast staat dat [eiseres] werk heeft verricht, en dat werk niet betaald heeft gekregen. Wie [eiseres] als haar opdrachtgever mocht beschouwen, hangt niet alleen af van hoe het feitelijk zit. Die vraag moet worden beantwoord aan de hand van alle omstandigheden van het geval, en of [eiseres] mocht verwachten dat zij [gedaagde sub 1] als haar opdrachtgever mocht beschouwen (in welk geval er tussen [gedaagde sub 1] en [eiseres] een overeenkomst is ontstaan). Dat is niet het geval, zoals hierna wordt uitgelegd.
[eiseres] wist vanaf het begin wat de rol van [bedrijf 1] was
3.3.
De eerste contacten tussen [eiseres] en [gedaagde sub 1] zijn van half juli 2023. Op 14 juli 2023 e-mailt [gedaagde sub 2] namens [gedaagde sub 1] aan [eiseres] :
“Hierbij treft je de link naar alle tekeningen van het koetshuis en de hooimijt. (…) [bedrijf 1] (cc) doet de rest van de verbouwing en zij zullen ook de planning doen in overleg met jou.” [4] [eiseres] was dus al bekend (of wordt verondersteld bekend te zijn) met [bedrijf 1] als belangrijke aannemer: het is [bedrijf 1] die kennelijk de regie over het werk voert. Op 26 juli 2023 stuurt [eiseres] de offerte voor haar werk aan het koetshuis aan [gedaagde sub 1] . In antwoord op die offerte e-mailt [gedaagde sub 2] namens [gedaagde sub 1] op 20 september 2023:
“Hebben jullie inmiddels contact gehad met [bedrijf 1] inzake de planning voor onderstaande offerte? Ik heb de heren van [bedrijf 1] in cc gezet. Zou je hen ook de opdrachtbevestiging (op naam van [bedrijf 1] ) willen sturen?” [5] [eiseres] antwoordt niet op deze e-mail en voert nu aan dat zij niet van plan zou zijn geweest om met [bedrijf 1] te contracteren.
3.4.
Zoals bij de mondelinge behandeling is besproken, is in de branche van [eiseres] en [bedrijf 1] het inschakelen onderaannemers gebruikelijk. De vraag van [gedaagde sub 1] aan [eiseres] om [bedrijf 1] een ‘opdrachtbevestiging op naam van [bedrijf 1] ’ te sturen, is naar het oordeel van de rechtbank een duidelijke aanwijzing dat [gedaagde sub 1] wil dat [bedrijf 1] als opdrachtgever van [eiseres] optreedt. [eiseres] had ofwel moeten weigeren om een opdrachtbevestiging aan [bedrijf 1] te sturen, ofwel (voor zover de e-mail van [gedaagde sub 1] voor [eiseres] onduidelijk was) [gedaagde sub 1] om opheldering moeten vragen wat [gedaagde sub 1] daarmee precies bedoelde. Beide heeft [eiseres] niet gedaan. Deze omstandigheid doet afbreuk aan de redelijkheid dat [eiseres] [gedaagde sub 1] mocht beschouwen als haar opdrachtgever.
De gang van zaken vanaf september 2023 wijst verder op [bedrijf 1] als opdrachtgever
3.5.
Vanaf september 2023 communiceren [eiseres] en [bedrijf 1] over de uitvoering van het werk aan het koetshuis en de hooischuur. Partijen zijn het niet eens over de vraag of [bedrijf 1] daarin als leidende hoofdaannemer op is getreden, maar dat doet er in wezen niet toe. Voldoende vast staat dat in ieder geval [gedaagde sub 1] in die communicatie geen leidende rol speelde. Dat in tegenstelling tot het rietdekkerswerk aan het landhuis. Op 28 september 2023 e-mailt [eiseres] daarvoor de offerte, die dezelfde dag nog wordt geaccepteerd door [gedaagde sub 1] . [gedaagde sub 1] e-mailt:
“Dank voor de offerte. Is bij deze akkoord! Lukt het om dit (ongeveer) gelijktijdig met de werkzaamheden in de hooimijt en koetshuis uit te voeren? En zou je de offerte (en factuur) op naam willen zetten van[n.a.w. gegevens [gedaagde sub 1] , rechtbank] [6] . Naar het oordeel van de rechtbank maakt [gedaagde sub 1] met deze expliciete acceptatie en aanwijzing voor de tenaamstelling een duidelijk onderscheid tussen het werk aan het landhuis en het werk aan het koetshuis en de hooischuur. Op 23 oktober 2023 brengt [eiseres] een offerte uit voor het werk aan de hooischuur [7] , ook op naam van [gedaagde sub 1] , maar daar blijft een dergelijke expliciete acceptatie uit.
3.6.
[eiseres] start het werk begin 2024. Een volgende aanwijzing dat [eiseres] er rekening mee kon houden dat [bedrijf 1] als hoofdaannemer fungeerde, ziet de rechtbank in de e-mailwisseling tussen [eiseres] en [bedrijf 1] van 13 februari 2024 [8] . Daarin stelt [eiseres] meerwerk voor over een koperen kap, en geeft [bedrijf 1] daarvoor toestemming.
3.7.
Na de uitvoering van het werk brengt [eiseres] haar loon in rekening aan [gedaagde sub 1] met haar facturen van 8 februari 2024 [9] . [gedaagde sub 1] reageert met haar e-mail van 9 februari 2024:
“Graag de facturen voor hooiberg en koetshuis naar [bedrijf 1] sturen op hun naam (…) Facturen voor het hoofdhuis betalen wij.”, waarop [eiseres] antwoordt
“Gaan we regelen.” [10] [eiseres] heeft vervolgens haar facturen op naam van [bedrijf 1] gesteld. [eiseres] heeft verklaard dat zij uit de aanwijzing van [gedaagde sub 1] niet heeft geconcludeerd dat [bedrijf 1] haar opdrachtgever was, omdat het in haar branche niet ongebruikelijk is dat de betaling via een derde loopt. Maar die uitleg volgt de rechtbank niet. In samenhang met de eerdere omstandigheden zoals hiervoor omschreven, moet [eiseres] kunnen hebben vermoed dat [gedaagde sub 1] bedoelde dat [bedrijf 1] de opdrachtgever van [eiseres] was.
Conclusie: [gedaagde sub 1] was geen opdrachtgever en de vorderingen tegen [gedaagde sub 1] worden afgewezen
3.8.
De rechtbank komt op grond van het bovenstaande tot de conclusie dat [eiseres] niet heeft mogen verwachten dat [gedaagde sub 1] ook voor het koetshuis en de hooischuur haar opdrachtgever was. Tussen hen is geen overeenkomst ontstaan. [gedaagde sub 1] is dus geen loon voor het koetshuis en de hooischuur verschuldigd.
3.9.
Subsidiair vordert [eiseres] haar loon exclusief btw van [gedaagde sub 1] op grond van onrechtmatige daad. Ook dat wordt afgewezen. Zoals hiervoor is beslist, heeft [eiseres] niet mogen verwachten dat [gedaagde sub 1] haar opdrachtgever was. [gedaagde sub 1] kan daarom niet verweten worden dat zij zich zo heeft voorgedaan. Waar een onrechtmatig handelen van [gedaagde sub 1] verder uit zou bestaan, legt [eiseres] niet uit. [eiseres] verwijt [gedaagde sub 2] wel persoonlijk onrechtmatig handelen, maar (voor zover [gedaagde sub 1] daarvoor al aansprakelijk zou zijn) dat wordt hierna afgewezen. Op grond van dit alles wordt de hoofdvordering (betaling van de facturen) afgewezen. De nevenvorderingen (incassokosten en rente) delen dit lot.
De vordering tegen [gedaagde sub 2] wordt afgewezen
3.10.
[eiseres] voert aan dat [gedaagde sub 2] tegenover haar onrechtmatig heeft gehandeld en dat [eiseres] daardoor schade heeft geleden (zij kreeg haar facturen niet betaald van [bedrijf 1] ). Dat onrechtmatig handelen bestaat er volgens [eiseres] uit dat [gedaagde sub 2] haar nooit heeft gewaarschuwd dat [bedrijf 1] in financieel zwaar weer zat en dat [gedaagde sub 2] haar heeft aangezet tot het sturen van niet-correcte facturen aan [bedrijf 1] . [bedrijf 1] was (zo stelt [eiseres] ) immers niet de opdrachtgever van [eiseres] .
3.11.
De vorderingen tegen [gedaagde sub 2] worden afgewezen. Het enkele feit dat [bedrijf 1] kennelijk vanaf april 2024 in zwaar weer verkeerde [11] en daarna failliet is gegaan, wil nog niet zeggen dat [bedrijf 1] bij aanvang van de opdracht een insolvabele onderneming was. [eiseres] heeft daarover niets anders aangevoerd dan dat [bedrijf 1] pas in juli 2023 is opgericht, maar dat zegt op zichzelf niets. [gedaagden] heeft aangevoerd dat de aandeelhouders van [bedrijf 1] twee gerenommeerde bouwondernemingen zijn die al tientallen jaren bestaan, en [gedaagde sub 2] dus geen enkele reden zag om aan de solvabiliteit van [bedrijf 1] te twijfelen. De rechtbank acht dat aannemelijk. Er bestond dus geen reden voor [gedaagde sub 2] om [eiseres] voor [bedrijf 1] te waarschuwen. Omdat verder feitelijk vast staat dat [bedrijf 1] de opdrachtgever van [eiseres] is, zijn de facturen [eiseres] aan [bedrijf 1] correct opgesteld. Van onrechtmatig handelen door [gedaagde sub 2] is geen sprake. De subsidiaire vorderingen van [eiseres] worden daarom afgewezen. De nevenvorderingen delen dit lot.
[eiseres] moet de proceskosten betalen
3.12.
[eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. Gebleken is dat het griffierecht onterecht is gesteld op de zaakswaarde van meer dan € 100.000,-. Het verschil tussen het door partijen betaalde griffierecht en het juiste griffierecht van € 2.995,00 zal door de rechtbank worden teruggestort aan partijen. De door [eiseres] te betalen proceskosten aan Golden Years worden begroot op:
- griffierecht
2.995,00
- salaris advocaat
2.580,00
(2 punten × € 1.290,00)
- nakosten
189,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
5.764,00

4.De beslissing

De rechtbank
4.1.
draagt de griffier van de rechtbank op het teveel betaalde griffierecht terug te storten aan partijen,
4.2.
wijst de vorderingen van [eiseres] af,
4.3.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 5.764,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 98,00 plus de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.4.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.M. Staal en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026.
RW4211

Voetnoten

1.Partijen noemen ook ‘hooimijt’ en ‘hooiberg’; de rechtbank gaat ervan uit dat met al deze termen hetzelfde pand wordt bedoeld.
2.Productie 3 van [gedaagden]
3.Producties 7 (facturen [bedrijf 1] aan [bedrijf 3] ) en 8 (bankafschriften) van [gedaagden]
4.Productie 2 van [eiseres]
5.Productie 4 van [eiseres]
6.Productie 7 van [eiseres]
7.Productie 8 van [eiseres]
8.Productie 4 van [gedaagden]
9.Productie 10 van [eiseres]
10.Productie 11 van [eiseres]
11.Zie de e-mail van [bedrijf 1] aan [eiseres] van 24 april 2024, productie 13 van [eiseres]