Uitspraak
RECHTBANK Midden-Nederland
1.[gedaagde sub 1] B.V.,
2.
[gedaagde sub 2],
1.De procedure
- de conclusie van antwoord met 6 producties,
- aanvullende producties van [gedaagden] , genummerd 7 en 8,
2.De kern van de zaak
3.De beoordeling
“Hierbij treft je de link naar alle tekeningen van het koetshuis en de hooimijt. (…) [bedrijf 1] (cc) doet de rest van de verbouwing en zij zullen ook de planning doen in overleg met jou.” [4] [eiseres] was dus al bekend (of wordt verondersteld bekend te zijn) met [bedrijf 1] als belangrijke aannemer: het is [bedrijf 1] die kennelijk de regie over het werk voert. Op 26 juli 2023 stuurt [eiseres] de offerte voor haar werk aan het koetshuis aan [gedaagde sub 1] . In antwoord op die offerte e-mailt [gedaagde sub 2] namens [gedaagde sub 1] op 20 september 2023:
“Hebben jullie inmiddels contact gehad met [bedrijf 1] inzake de planning voor onderstaande offerte? Ik heb de heren van [bedrijf 1] in cc gezet. Zou je hen ook de opdrachtbevestiging (op naam van [bedrijf 1] ) willen sturen?” [5] [eiseres] antwoordt niet op deze e-mail en voert nu aan dat zij niet van plan zou zijn geweest om met [bedrijf 1] te contracteren.
“Dank voor de offerte. Is bij deze akkoord! Lukt het om dit (ongeveer) gelijktijdig met de werkzaamheden in de hooimijt en koetshuis uit te voeren? En zou je de offerte (en factuur) op naam willen zetten van[n.a.w. gegevens [gedaagde sub 1] , rechtbank] [6] ”. Naar het oordeel van de rechtbank maakt [gedaagde sub 1] met deze expliciete acceptatie en aanwijzing voor de tenaamstelling een duidelijk onderscheid tussen het werk aan het landhuis en het werk aan het koetshuis en de hooischuur. Op 23 oktober 2023 brengt [eiseres] een offerte uit voor het werk aan de hooischuur [7] , ook op naam van [gedaagde sub 1] , maar daar blijft een dergelijke expliciete acceptatie uit.
“Graag de facturen voor hooiberg en koetshuis naar [bedrijf 1] sturen op hun naam (…) Facturen voor het hoofdhuis betalen wij.”, waarop [eiseres] antwoordt
“Gaan we regelen.” [10] [eiseres] heeft vervolgens haar facturen op naam van [bedrijf 1] gesteld. [eiseres] heeft verklaard dat zij uit de aanwijzing van [gedaagde sub 1] niet heeft geconcludeerd dat [bedrijf 1] haar opdrachtgever was, omdat het in haar branche niet ongebruikelijk is dat de betaling via een derde loopt. Maar die uitleg volgt de rechtbank niet. In samenhang met de eerdere omstandigheden zoals hiervoor omschreven, moet [eiseres] kunnen hebben vermoed dat [gedaagde sub 1] bedoelde dat [bedrijf 1] de opdrachtgever van [eiseres] was.