ECLI:NL:RBMNE:2026:1116

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
11 maart 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
12005428 \ MC EXPL 25-6695 AW/1583
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 223 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening voor realisatie gasaansluiting in huurovereenkomst

In deze zaak verhuurt [partij 1] B.V. sinds 1 april 2023 een bedrijfsruimte aan [partij 2] B.V. [partij 1] stelt dat [partij 2] een huurachterstand heeft en vordert betaling en ontbinding van de huurovereenkomst. [partij 2] stelt dat [partij 1] tekort is geschoten en vordert in een voorlopige voorziening dat [partij 1] binnen een week een gasaansluiting realiseert of machtigt om dit zelf te doen.

De kantonrechter overweegt dat een voorlopige voorziening een dringend belang vereist en moet samenhangen met de hoofdzaak. De gevorderde gasaansluiting komt niet terug in de hoofdzaak en heeft geen tijdelijk karakter, maar is een permanente voorziening. Ook uit de huurovereenkomst blijkt geen verplichting voor [partij 1] om een gasaansluiting te realiseren.

Daarom wijst de kantonrechter de vordering af en veroordeelt [partij 2] in de proceskosten. Voor de hoofdzaak wordt een mondelinge behandeling bevolen om nadere informatie te verkrijgen, stellingen te onderbouwen en te onderzoeken of partijen tot overeenstemming kunnen komen. De verdere procedure wordt aangehouden.

Uitkomst: De vordering tot het realiseren van een gasaansluiting als voorlopige voorziening wordt afgewezen en [partij 2] wordt veroordeeld in de proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 12005428 \ MC EXPL 25-6695 AW/1583
Vonnis van 11 maart 2026
in de zaak van
[partij 1] B.V.,
gevestigd te [plaats 1] ,
eisende partij in conventie in de hoofdzaak,
verwerende partij in reconventie in de hoofdzaak,
verwerende partij in het incident,
hierna te noemen: [partij 1] ,
gemachtigde: mr. E.A.J.M. van de Wijngaard,
tegen
[partij 2] B.V.,
gevestigd te [plaats 2] ,
gedaagde partij in conventie in de hoofdzaak,
eisende partij in reconventie in de hoofdzaak,
eisende partij in het incident
hierna te noemen: [partij 2] ,
gemachtigde: mr. S. Askamp.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord en eis in reconventie tevens houdende een incidentele conclusie ex artikel 223 van Pro het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) tot het treffen van een voorlopige voorziening
- de conclusie van antwoord in het incident.
1.2.
Ten slotte is bepaald dat een vonnis in het incident wordt uitgesproken.

2.De kern van de zaak

2.1.
[partij 1] verhuurt vanaf 1 april 2023 de bedrijfsruimte aan de [adres] te [plaats 2] aan [partij 2] . Volgens [partij 1] heeft [partij 2] een huurachterstand laten ontstaan. [partij 1] wil dat [partij 2] onder meer de huurachterstand betaalt en dat de huurovereenkomst wordt ontbonden. [partij 2] beroept zich op opschorting en verrekening. Volgens [partij 2] is [partij 1] tekortgeschoten in de nakoming van de huurovereenkomst en lijdt zij daardoor schade. [partij 2] wil bij wijze van voorlopige voorziening, vooruitlopend op het oordeel van de kantonrechter in de hoofdzaak, dat [partij 1] wordt veroordeeld om binnen een week een gasaansluiting te realiseren dan wel een machtiging om dit zelf te realiseren. De kantonrechter wijst de vordering in het incident van [partij 2] af.

3.De beoordeling in het incident

3.1.
[partij 2] baseert haar vordering op artikel 223 Rv Pro, dat partijen de mogelijkheid biedt om in een aanhangige procedure (de hoofdprocedure) te vorderen dat de rechter een voorlopige voorziening zal treffen voor de duur van de hoofdprocedure (ook wel aangeduid als een provisionele vordering).
3.2.
Het karakter van een voorlopige voorziening in de zin van artikel 223 Rv Pro brengt mee dat eisende partij in het incident, in dit geval [partij 2] , een zodanig dringend belang bij de gevraagde voorziening moet hebben, dat van haar niet kan worden gevergd dat zij de afloop van de hoofdprocedure afwacht. Bij een beslissing op de vordering moet het belang van [partij 2] bij toewijzing van de vordering worden afgewogen tegen het belang van [partij 1] om de afloop van de procedure af te wachten. Bij die belangenafweging moeten alle omstandigheden van het geval worden betrokken, waaronder de te verwachten duur van het geding, het eventuele restitutierisico en de mate van aannemelijkheid van een toewijzing van de vordering in de hoofdprocedure.
3.3.
Aan het vereiste dat de provisionele vordering moet samenhangen met de hoofdprocedure is niet voldaan. [partij 2] vordert in het incident de realisatie van een volledige en werkende gasaansluiting. Die vordering komt in de hoofdzaak in reconventie niet terug. Daarin vraagt [partij 2] voor recht te verklaren dat [partij 1] tekort is geschoten, niet volgens de huurovereenkomst heeft opgeleverd en veroordeling tot betaling van een schadevergoeding van ten minste € 228.000,00.
3.4.
Als [partij 2] ook heeft bedoeld om realisatie van de gasaansluiting te vorderen in de hoofdzaak, overweegt de kantonrechter als volgt.
3.5.
[partij 2] baseert haar vordering op artikel 17.1 en 17.2 van de huurovereenkomst. Volgens [partij 2] is [partij 1] op grond daarvan verplicht tot
“het realiseren en aansluiten van essentiële voorzieningen, waaronder meters en een gasaansluiting”.[partij 1] betwist dat zij gehouden is tot het plaatsen van een gasaansluiting.
3.6.
Anders dan [partij 2] meent, kan uit de bepalingen in de huurovereenkomst niet worden afgeleid dat [partij 1] verplicht is tot het realiseren van een gasaansluiting. Artikel 17.1 en 17.2 van de huurovereenkomst luiden als volgt:
“Bijzondere bepalingen
17.1
In tegenstelling tot het bepaalde in artikel 4.1 is er in de eerste (twee) huurjaren, aldus over de periode 1 april 2023 tot en met 31 maart 2025 geen sprake van een basishuurprijs en is er alleen sprake van een omzethuur zoals genoemd in artikel 4.2.
17.2
Voor rekening en risico van verhuurder wordt het dak van het gehuurde geïsoleerd, een nieuwe pui geplaatst, een nieuwe afscheidingswand met de botenopslag gerealiseerd alsmede de buitenmuren geïsoleerd. Huurder ontvangt van verhuurder een incentive van maximaal € 20.000 ex BTW ten behoeve van door huurder te maken aanpassingen aan de vloer, elektrische installatie, realisatie van een vetvangput, betegeling van de keuken en aanpassingen / realisatie van afzuiging en koelinstallatie. Huurder zend hiervoor aan verhuurder een factuur vergezeld van onderliggende facturen al bewijs dat genoemde werkzaamheden zijn uitgevoerd.”
In de bepalingen wordt met geen woord gerept over het realiseren van een gasaansluiting. Ook uit het proces-verbaal van oplevering bij aanvang van de huurovereenkomst volgt niet dat er sprake is van een gasaansluiting of een meter daarvoor. [partij 1] stelt dat het nooit de bedoeling is geweest dat een gasaansluiting zou worden gerealiseerd en dat [partij 2] voor het sluiten van de huurovereenkomst ermee bekend was dat het gehuurde niet beschikt over een gasaansluiting. [partij 2] vraagt op 10 oktober 2025 ook aan [partij 1] om toestemming om een airco te plaatsen. Zij hoopt toestemming te krijgen omdat het kouder begint te worden en het al wat fris is in het restaurant. Als onderwerp van de mail geeft zij mee
“installatie verwarming”. [partij 2] geeft niet aan waarom zij een airco wil plaatsen om het restaurant te verwarmen als er sprake is van een gasaansluiting voor onder andere de verwarming. Dit alles maakt dat in dit stadium van de procedure niet met voldoende zekerheid kan worden aangenomen dat het standpunt van [partij 2] dat [partij 1] verplicht is een gasaansluiting te realiseren, juist is. Ook ontbreekt het voorlopige karakter van deze provisionele vordering. Immers het realiseren van een gasaansluiting is geen tijdelijke voorziening, maar een permanente. Om de hiervoor genoemde redenen moet deze vordering van [partij 2] worden afgewezen. De vorderingen met betrekking tot het zelf realiseren van de gasaansluiting op kosten van [partij 1] en schorsing van het vorderingsrecht van [partij 1] tot betaling en verrekening van de basishuur voor de periode tot het moment dat een volledig werkende gasaansluiting is gerealiseerd, treffen hetzelfde lot.
3.7.
Omdat de incidentele vorderingen van [partij 2] worden afgewezen, zullen de daarmee samenhangende vorderingen om [partij 1] een dwangsom op te leggen, ook worden afgewezen.
3.8.
[partij 2] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de proceskosten in het incident. De proceskosten van [partij 1] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
1.010,00
(1 punt × € 1.010,00)
- nakosten
144,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.154,00

4.De beoordeling in de hoofdzaak

In conventie en in reconventie
4.1.
Gelet op de samenhang en onderlinge verwevenheid van de vorderingen in conventie en in voorwaardelijke reconventie zal de kantonrechter deze gezamenlijk beoordelen.
4.2.
Omdat partijen twisten over de hoogte en de opeisbaarheid van de huurachterstand en of [partij 1] toerekenbaar tekort is geschoten, heeft de kantonrechter behoefte aan nadere informatie van partijen. De kantonrechter zal een mondelinge behandeling bevelen om inlichtingen over de zaak te vragen, partijen gelegenheid te geven hun stellingen nader te onderbouwen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden.
4.3.
De kantonrechter wijst erop dat zij uit een niet verschijnen van een partij op de mondelinge behandeling de gevolgtrekkingen – ook in het nadeel van die partij – kan maken die zij geraden zal achten.
4.4.
[partij 1] heeft nog geen gelegenheid gehad om een conclusie van antwoord in reconventie te nemen. Daartoe wordt zij in de gelegenheid gesteld, tot uiterlijk tien dagen voorafgaand aan de mondelinge behandeling.
4.5.
Als een partij wenst dat de kantonrechter bij de beoordeling van het geschil rekening houdt met bijvoorbeeld brieven of andere schriftelijke stukken, dient zij deze uiterlijk tien dagen voordat de zitting plaatsvindt aan de kantonrechter en haar wederpartij toe te zenden.
4.6.
Op de mondelinge behandeling wordt aan de gemachtigden van partijen de gelegenheid geboden de juridische standpunten van partijen nader toe te lichten. Er zal geen gelegenheid worden gegeven om een pleitnota of spreek-/zittingsaantekeningen voor te dragen.
4.7.
Op de mondelinge behandeling zal, eventueel aan de hand van een voorlopig oordeel over de zaak, worden beslist hoe de procedure verder zal gaan. Daarbij kan ook de mogelijkheid van een schikking aan de orde komen. Partijen moeten er op voorbereid zijn dat de kantonrechter tijdens of na de mondelinge behandeling direct mondeling uitspraak kan doen.
4.8.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

5.De beslissing

De kantonrechter
in het incident
5.1.
wijst de vorderingen af,
5.2.
veroordeelt [partij 2] in de proceskosten van € 1.154,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [partij 2] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
in de hoofdzaak
In conventie en in reconventie
5.3.
beveelt een mondelinge behandeling en verschijning van partijen, bijgestaan door hun gemachtigden, voor het geven van inlichtingen, het nader onderbouwen van hun stellingen en het beproeven van een minnelijke regeling, door mr. drs. B.G.W.P. Heijne, in het gerechtsgebouw te Almere, De Diagonaal 37, op een door de kantonrechter vast te stellen datum en tijd,
5.4.
bepaalt dat de partijen dan vertegenwoordigd moeten zijn door iemand die van de zaak op de hoogte is en hetzij rechtens hetzij op grond van een bijzondere schriftelijke volmacht bevoegd is haar te vertegenwoordigen,
5.5.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
woensdag 25 maart 2026voor een schriftelijke opgave van de verhinderdagen van de partijen en hun gemachtigden in de maanden
apriltot en met
oktober 2026, waarna dag en uur van de mondelinge behandeling zullen worden bepaald,
5.6.
bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de kantonrechter het tijdstip van de mondelinge behandeling zelfstandig zal bepalen,
5.7.
bepaalt dat na de vaststelling van het tijdstip van de mondelinge behandeling dit in beginsel niet zal worden gewijzigd,
5.8.
wijst partijen er op, dat voor de mondelinge behandeling
90 minutenzal worden uitgetrokken,
5.9.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. drs. B.G.W.P. Heijne en in het openbaar uitgesproken op 11 maart 2026.