ECLI:NL:RBMNE:2026:1114

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
25 februari 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
11834018 \ UC EXPL 25-6605
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:265 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Ontbinding huurovereenkomst wegens vondst illegaal vuurwerk en handgranaten niet gerechtvaardigd

De huurder van een woning werd geconfronteerd met een ontruiming door politie en Explosieven Opruimingsdienst na vondst van handgranaten en illegaal vuurwerk in de woning. De verhuurder vorderde ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van de woning.

De kantonrechter stelde vast dat de huurder ernstig tekortgeschoten was in haar verplichtingen, aangezien de gevaarlijke en verboden goederen in haar woning aanwezig waren. De huurder was zelf niet thuis tijdens de vondst en verklaarde dat een man, met wie zij een relatie had, verantwoordelijk was voor de aanwezigheid van de handgranaten en vuurwerk. Desondanks blijft zij als huurder verantwoordelijk.

Echter, de kantonrechter hield rekening met de omstandigheden, waaronder het feit dat de verhuurder pas ruim 3,5 maand na het incident de huurder dagvaardde, de woning inmiddels niet meer gesloten was, en dat het Openbaar Ministerie geen bewijs vond voor betrokkenheid of kennis van de huurder. Ook was er geen recente overlast en had de huurder het contact met de man verbroken.

Daarom werd geconcludeerd dat het incident een eenmalige gebeurtenis was en ontbinding van de huurovereenkomst niet gerechtvaardigd is. De vorderingen van de verhuurder werden afgewezen en zij werd veroordeeld tot betaling van de proceskosten.

Uitkomst: De vordering tot ontbinding van de huurovereenkomst wordt afgewezen en de huurder mag in de woning blijven.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11834018 \ UC EXPL 25-6605 RvdH/1037
Vonnis van 25 februari 2026
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
gevestigd te [vesitigingsplaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. M.C. Blok,
tegen
[gedaagde],
wonende in [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. O. Saaliti.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 6,
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 3,
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald,
- de akte van [gedaagde] met productie 4,
- de mondelinge behandeling van 5 februari 2026, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
De kantonrechter heeft besloten dat de uitspraak vandaag is.

2.De kern van de zaak

2.1.
[gedaagde] huurt een woning van [eiseres] . Op 21 april 2025 heeft de politie samen met de Explosieven Opruimingsdienst de woning ontruimd, omdat er meerdere handgranaten en een grote hoeveelheid illegaal vuurwerk werden aangetroffen. [eiseres] wil daarom dat de huurovereenkomst wordt ontbonden en dat [gedaagde] de woning verlaat. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] zeer ernstig is tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen als huurder, maar dat de omstandigheden van dit geval ertoe leiden dat het niet gerechtvaardigd is dat de overeenkomst wordt ontbonden. [gedaagde] mag in de woning blijven.
3. De beoordeling
3.1.
Het uitgangspunt is dat [gedaagde] zich als goed huurder moet gedragen. Dit betekent dat [gedaagde] zich moet houden aan haar verplichtingen uit de huurovereenkomst, de algemene voorwaarden en de wet. Als [gedaagde] deze verplichtingen niet nakomt (een tekortkoming), kan dit reden zijn om de huurovereenkomst te ontbinden, tenzij de tekortkoming, gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis, deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt. [1]
[gedaagde] heeft zich niet als een goed huurder gedragen: zij is tekortgeschoten
3.2.
[gedaagde] huurt de woning alleen. Toen de woning op maandag 21 april 2025 werd ontruimd, was zij niet thuis. [gedaagde] was sinds zondag 20 april 2025 (Eerste Paasdag) bij haar ouders. Voordat zij naar haar ouders ging, waren de handgranaten en het illegale vuurwerk nog niet aanwezig in de woning. [gedaagde] heeft daarover verteld dat zij een relatie had met een man en dat hij af en toe bij haar sliep. Hij was op 21 april 2025 wel in de woning en vast staat dat hij ervoor heeft gezorgd dat de handgranaten en het illegale vuurwerk daar aanwezig waren. [gedaagde] is daarvoor echter als huurder verantwoordelijk. Dat de illegale en zeer gevaarlijke goederen in haar woning zijn aangetroffen, is daarom in beginsel voldoende om de huurovereenkomst te ontbinden omdat het – vanzelfsprekend – zeer gevaarlijk is en niet is toegestaan om handgranaten en illegaal vuurwerk in een woning te hebben. De vondst heeft er dan ook toe geleid dat de burgemeester de woning voor de duur van twee weken heeft gesloten.
Ontbinding van de overeenkomst en ontruiming van de woning zijn niet gerechtvaardigd
3.3.
De kantonrechter moet echter bij de beoordeling rekening houden met alle omstandigheden van dit geval, met de belangen van [gedaagde] als huurder en met die van [eiseres] als verhuurder. [2]
3.4.
[eiseres] heeft [gedaagde] pas begin augustus 2025 – ruim 3,5 maand na het incident – gedagvaard, vanwege personele omstandigheden. De woning was toen al geruime tijd niet meer gesloten (de sluiting door de burgemeester is nooit verlengd). De kantonrechter is van oordeel dat de algemene stelling van [eiseres] dat zij moet zorgen voor een veilige leefomgeving aan kracht heeft verloren doordat zij zo lang heeft gewacht met het uitbrengen van de dagvaarding. [eiseres] heeft niet toegelicht waarom dat belang nu nog steeds zó zwaar weegt, dat het belang van [gedaagde] bij behoud van haar woning daarvoor moet wijken. Dat er op dit moment sprake is van concrete aanwijzingen dat [gedaagde] (al dan niet door het ter beschikking stellen van haar woning) opnieuw zal zorgen voor een onveilige situatie, is niet gebleken. [gedaagde] heeft sinds het incident geen overlast veroorzaakt in de woning of het complex. Zij heeft haar relatie en het contact met de man verbroken. De kantonrechter gaat er daarom van uit dat het incident een (zeer ernstige) eenmalige gebeurtenis was. Meer dan de gebruikelijke onzekerheid over wat een huurder in de toekomst in zijn woning zal doen, is daarom niet aan de orde.
3.5.
De kantonrechter weegt daarbij mee dat het Openbaar Ministerie de rol van [gedaagde] bij het incident heeft onderzocht. Haar telefoon is in beslag genomen voor onderzoek en [gedaagde] is verhoord. De conclusie van het Openbaar Ministerie is dat er geen bewijs is dat [gedaagde] betrokken was c.q. op de hoogte was van de aanwezigheid van de handgranaten en het illegale vuurwerk in haar woning. Het Openbaar Ministerie heeft besloten [gedaagde] niet te vervolgen.
3.6.
[eiseres] stelt ook dat zij de plicht heeft om een signaal af te geven dat dit gedrag in de huurwoning niet wordt getolereerd. De kantonrechter erkent de noodzaak om dergelijke signalen uit te dragen, maar het hanteren van een afschrikkend zero tolerance beleid vraagt meer voortvarendheid. Dit belang van [eiseres] is daarom inmiddels – door het verstrijken van de tijd – van ondergeschikte aard.
De vorderingen van [eiseres] worden afgewezen
3.7.
De kantonrechter is gelet op al deze omstandigheden van oordeel dat de tekortkoming (hoewel die zeer ernstig is) een ontbinding van de huurovereenkomst en als gevolg daarvan de ontruiming, niet rechtvaardigen. De vorderingen van [eiseres] worden daarom afgewezen.
[eiseres] moet de proceskosten betalen
3.8.
[eiseres] is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] worden begroot op:
- salaris gemachtigde
434,00
(2 punten × € 217,00)
- nakosten
108,50
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
542,50

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
wijst de vorderingen van [eiseres] af,
4.2.
veroordeelt [eiseres] in de proceskosten van € 542,50, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiseres] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.3.
verklaart de proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. F.H. Charbon en in het openbaar uitgesproken op 25 februari 2026.

Voetnoten

1.Dit volgt uit artikel 6:265 van Pro het Burgerlijk Wetboek.
2.Hoge Raad 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1810.