ECLI:NL:RBMNE:2026:1111

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
26 maart 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
UTR 25/6619
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a AwbBesluit proceskosten bestuursrecht
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek proceskostenvergoeding na intrekking beroep parkeerbelasting

Verzoekster heeft beroep ingesteld tegen een naheffingsaanslag parkeerbelasting, waarna verweerder de aanslag heeft vernietigd. Verzoekster trok daarop het beroep in en vroeg vergoeding van haar proceskosten.

Verweerder weigerde proceskosten te vergoeden omdat het schrijven van het beroepschrift en de daaraan bestede tijd volgens hem niet onder de vergoeding vallen. De rechtbank overweegt dat alleen kosten van professionele juridische hulpverleners vergoed kunnen worden.

Omdat verzoekster geen advocaat of andere professionele juridische hulpverlener heeft ingeschakeld en ook geen andere vergoedbare kosten heeft aangetoond, wijst de rechtbank het verzoek af. Het griffierecht kan rechtstreeks bij verweerder worden gevorderd.

De uitspraak is gedaan zonder zitting op grond van artikel 8:54 Awb Pro en is in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2026.

Uitkomst: Het verzoek om proceskostenvergoeding wordt afgewezen omdat verzoekster geen professionele juridische hulpverlener inschakelde.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/6619

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 maart 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster

en
de heffingsambtenaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht, verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het verzoek van verzoekster om vergoeding van haar proceskosten.
Verweerder heeft op 19 februari 2026 gereageerd op dit verzoek.

Overwegingen

1. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) zonder zitting uitspraak op het verzoek om proceskostenveroordeling.
2. Verweerder heeft op 21 oktober 2025 een beslissing op bezwaar genomen. Verzoekster is hiertegen in beroep gegaan. Op 9 februari 2026 heeft verweerder medegedeeld dat de onderhavige in geschil zijnde naheffingsaanslag parkeerbelasting is vernietigd. Verweerder heeft dus gedaan wat verzoekster wilde. Verzoekster heeft op 19 februari 2026 het beroep ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor haar proceskosten.
3. Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan verzoekster) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet betalen. Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
4. Verweerder heeft gereageerd op het verzoek van verzoekster en aangegeven dat hij geen proceskosten aan verzoekster wil betalen. Het schrijven van een beroepschrift en de tijd die daarvoor nodig is valt volgens verweerder niet onder de kosten die op grond van het Bpb voor vergoeding in aanmerking komen.
5. De rechtbank overweegt als volgt. Alleen de kosten die gemaakt zijn door een professionele (juridische) hulpverlener kunnen worden vergoed. Omdat verzoekster geen advocaat of andere professionele juridische hulpverlener heeft, zijn er ook geen kosten die vergoed kunnen worden. Ook is niet gebleken dat verzoekster andere kosten heeft gemaakt die volgens het Bpb voor vergoeding in aanmerking komen.
6. Verweerder moet wel het griffierecht van € 53,- aan verzoekster betalen. Omdat dit rechtstreeks uit de wet volgt, hoeft verweerder hier niet toe veroordeeld te worden. Verzoekster kan zich hiervoor tot verweerder wenden.

Beslissing

De rechtbank wijst het verzoek af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. R.C. Stijnen, rechter, in aanwezigheid van
J.M.J. Kooistra, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 26 maart 2026.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.