In deze zaak staat een executiegeschil centraal tussen twee bedrijven, waarbij eisende partij zich verzet tegen de inning van dwangsommen opgelegd door het hof Arnhem-Leeuwarden in een eerder arrest. Het hof had een verbod opgelegd aan eisende partij om verspreiding van schadelijke stoffen bij de verwerking van brandblussers te voorkomen. Gedaagde partij stelt dat eisende partij dit verbod meerdere malen heeft overtreden, waardoor dwangsommen zijn verbeurd.
Eisende partij vordert in kort geding dat gedaagde partij de executie van het arrest en de inning van dwangsommen 3 en 4 staakt totdat in de bodemprocedure is beslist. De voorzieningenrechter oordeelt dat eisende partij een spoedeisend belang heeft bij de vordering, omdat reeds dwangsommen zijn geïnd en verdere inning dreigt.
De voorzieningenrechter stelt vast dat gedaagde partij onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat eisende partij het verbod heeft overtreden met betrekking tot dwangsommen 3 en 4. De gemeten PFAS-concentraties zijn waarschijnlijk het gevolg van uitloging van reeds aanwezige stoffen en niet van nieuwe uitstoot. Daarom wordt de vordering tot staking van de executie van dwangsommen 3 en 4 toegewezen met een gematigde dwangsom.
De schorsing van de executie van het arrest wordt echter afgewezen, omdat het belang van gedaagde partij bij het voorkomen van verdere uitstoot zwaarder weegt dan het belang van eisende partij bij schorsing. Beide partijen dragen hun eigen proceskosten.