ECLI:NL:RBMNE:2026:1109

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
6 maart 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
25/819
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2.1 WhtArt. 8a Besluit KinderopvangtoeslagWet hersteloperatie toeslagen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing compensatieverzoek kinderopvangtoeslag toeslagjaren 2008-2014 op grond van Wet hersteloperatie toeslagen

Eiseres heeft bij Dienst Toeslagen een verzoek ingediend voor herbeoordeling en compensatie van kinderopvangtoeslag over de jaren 2008 tot en met 2014 op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht). Dienst Toeslagen wees dit verzoek af, waarop eiseres bezwaar maakte. De bezwaarschriftencommissie (BAC) adviseerde deels compensatie toe te kennen voor de jaren 2012 en 2013 vanwege hardheid van het stelsel, maar Dienst Toeslagen volgde dit advies niet en verklaarde het bezwaar ongegrond.

Eiseres stelde beroep in bij de rechtbank, die het beroep behandelde ondanks afwezigheid van eiseres en haar gemachtigde. De rechtbank beoordeelde de beroepsgronden en concludeerde dat voor de jaren 2008, 2009 en 2010 geen compensatie kan worden toegekend omdat de correcties op de toeslagen berusten op door eiseres zelf verstrekte gegevens en menselijke vergissingen die onvoldoende zijn voor hardheid of vooringenomenheid.

Voor de jaren 2012 en 2013 oordeelde de rechtbank dat de terugvorderingen voortvloeiden uit een wetswijziging (de 70%-regeling) en niet uit hardheid van het stelsel. Hoewel de situatie voor eiseres nadelig was, kwalificeert dit niet als bijzondere omstandigheden voor compensatie. Het beroep werd daarom ongegrond verklaard en eiseres kreeg geen vergoeding van griffierecht of proceskosten.

Uitkomst: Het beroep van eiseres tegen de afwijzing van compensatie voor kinderopvangtoeslagjaren 2008-2014 wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/819

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 maart 2026 in de zaak tussen

[eiseres] , uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: mr. S.N. Ali),
en

Dienst Toeslagen, kantoor [plaats]

(gemachtigden: [gemachtigden] ).

Procesverloop

1. Eiseres heeft op 12 februari 2021 melding gemaakt bij Dienst Toeslagen dat zij gedupeerde is van de toeslagenaffaire en dat zij een herbeoordeling wenst van het recht op kinderopvangtoeslag over de toeslagjaren 2008 tot en met 2014 op grond van de Wet hersteloperatie toeslagen (Wht).
1.1.
Met de besluiten (met de kenmerken UHT-DC-I A en UHT-DH5 A) van 20 juli 2022 heeft Dienst Toeslagen aan eiseres laten weten dat zij voor de toeslagjaren 2008 tot en met 2014 geen recht heeft op compensatie vanwege vooringenomenheid of hardheid van het stelsel op grond van de Wht.
1.2.
Eiseres heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
1.3.
De bezwaarschriftencommissie (BAC) heeft Dienst Toeslagen geadviseerd om de bezwaren tegen besluit UHT-DC-I A ongegrond te verklaren en de bezwaren tegen besluit UHT-DH5 A deels gegrond te verklaren. Voor de toeslagjaren 2012 en 2013 heeft de BAC geadviseerd om aan eiseres compensatie op grond van hardheid toe te kennen, de vergoeding voor immateriële schadevergoeding te berekenen tot de datum van het bestreden besluit en een proceskostenvergoeding toe te kennen.
1.4.
Dienst Toeslagen heeft het advies van de BAC ten aanzien van besluit UHT-DH5 A (over de toeslagjaren 2012 en 2013) niet gevolgd en het bezwaar met het besluit van
17 december 2024 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
1.5.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Dienst Toeslagen heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
1.6.
De rechtbank heeft het beroep op 30 december 2025 op een zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigden van Dienst Toeslagen deelgenomen. Eiseres en haar gemachtigde zijn niet op de zitting verschenen. De rechtbank merkt daarover op dat eiseres zowel per aangetekende brief als per gewone post is uitgenodigd voor de zitting en de rechtbank voorafgaande aan de zitting tevergeefs telefonisch contact heeft proberen op te nemen met de gemachtigde van eiseres.

Beoordeling door de rechtbank

2. De rechtbank beoordeelt de vraag of Dienst Toeslagen het verzoek van eiseres om compensatie op goede gronden heeft afgewezen. Zij doet dit aan de hand van de beroepsgronden van eiseres. Eiseres heeft ten aanzien van de toeslagjaren 2011 en 2014 geen gronden aangevoerd. Daarom zal de rechtbank hierna alleen de beroepsgronden ten aanzien van de toeslagjaren 2008, 2009, 2010, 2012 en 2013 bespreken.
3. De rechtbank is van oordeel dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Toetsingskader
4. De rechtbank overweegt dat het uitgangspunt van de hersteloperatie is dat gedupeerde ouders alsnog ontvangen wat ten onrechte is teruggevorderd of onthouden, aangevuld met een vergoeding voor materiële en immateriële schade. Uit artikel 2.1, eerste lid, van de Wht volgt dat Dienst Toeslagen compensatie toekent aan een aanvrager die schade heeft geleden doordat ten aanzien van hem in de periode vóór 23 oktober 2019 bij de beoordeling van het recht op kinderopvangtoeslag sprake is geweest van institutionele vooringenomenheid of doordat de toepassing van wettelijke regelingen heeft geleid tot onbillijkheden van overwegende aard als gevolg van de hardheid waarmee het wettelijke systeem vóór 23 oktober 2019 werd toegepast. Om voor compensatie in aanmerking te komen dient dus in ieder geval sprake te zijn van schade die eiseres daadwerkelijk heeft geleden als gevolg van de institutionele vooringenomenheid of van de hardheid die heeft geleid tot een terugvordering van kinderopvangtoeslag of tot stopzetting van de voorschotverlening. [1]
4.1.
Uit de memorie van toelichting bij de Wht blijkt dat sprake is van hardheid van het stelsel als de kinderopvangtoeslag op nihil is vastgesteld in plaats van naar rato van het bedrag van de kosten waarvan de aanvrager van een kinderopvangtoeslag heeft aangetoond dat deze tijdig zijn betaald aan de kinderopvangorganisatie. Ook is er sprake van hardheid van het stelsel bij de aanwezigheid van bijzondere omstandigheden waarbij de kinderopvangtoeslag in zijn geheel is teruggevorderd en deze terugvordering onevenredig was in verhouding tot de met die terugvordering te dienen doelen. [2]
Van bijzondere omstandigheden is bijvoorbeeld sprake als:
  • een derde identiteitsfraude pleegt en op naam en buiten medeweten van de belanghebbende de toeslag aanvraagt en de toeslag aantoonbaar – geheel of gedeeltelijk – niet ten goede komt aan de belanghebbende;
  • een derde, bijvoorbeeld een kinderopvangorganisatie, op een andere wijze fraudeert zonder medeweten en (directe) betrokkenheid van de belanghebbende; of
  • een door belanghebbende redelijkerwijze niet (meer) te herstellen geringe formele tekortkoming, zoals het ontbreken van een handtekening in een contract, heeft geleid tot aanzienlijke negatieve gevolgen voor het recht op kinderopvangtoeslag, terwijl aan alle materiële eisen voor de kinderopvangtoeslag is voldaan – tenzij de belanghebbende na herhaalde verzoeken van verweerder de geringe formele tekortkoming niet heeft hersteld, terwijl hij daartoe wel in de gelegenheid was.
4.2.
Verder blijkt uit de toelichting dat de financiële situatie of financiële problemen van een belanghebbende, die terugbetaling van toeslagen verhinderden, in het algemeen niet zullen leiden tot de conclusie dat diegene gedupeerd is door hardheid van het stelsel. Voor deze situatie bestaat de mogelijkheid van een (persoonlijke) betalingsregeling. [3]
Toeslagjaar 2008
5. Eiseres stelt dat Dienst Toeslagen ten onrechte geen compensatie heeft berekend over toeslagjaar 2008. Volgens eiseres heeft Dienst Toeslagen over dit jaar zonder enige motivering en onderbouwing geconcludeerd dat de opvanguren zijn verlaagd en dat er sprake zou zijn van een verhoging van het toetsingsinkomen. Volgens eiseres heeft er geen wijziging plaatsgevonden in haar inkomen. Zij was destijds alleenstaand en had dus geen toeslagpartner. Nu een onderbouwing met bewijsmiddelen vanuit Dienst Toeslagen ontbreekt kan zij zich niet verweren.
6. De rechtbank constateert dat uit het dossier blijkt dat de kinderopvangtoeslag over het jaar 2008 twee keer neerwaarts is gecorrigeerd vanwege informatie door eiseres zelf. De eerste correctie is gedaan in een beschikking van 8 februari 2008 vanwege een verlaging van de opvanguren en een verhoging van het toetsingsinkomen. De tweede correctie heeft plaatsgevonden met een beschikking van 11 april 2008 vanwege een eerdere stopzetting van de kinderopvangtoeslag door eiseres per 15 april 2008. Deze besluiten zijn in de bezwaarfase ook opgenomen in het dossier. Verder blijkt uit het informatie- en beoordelingsformulier 2008 en het antwoordformulier kinderopvangtoeslag 2008 dat eiseres zelf 162 uur aan opvanguren heeft opgegeven. Niet gebleken is dat de besluiten van 8 februari 2008 en 11 april 2008 hiermee niet in overeenstemming zijn. Eiseres heeft dit verder ook niet aannemelijk gemaakt. Daarbij merkt de rechtbank op dat als al sprake zou zijn geweest van een foutieve overname van het aantal opvanguren door Dienst Toeslagen dat dit in beginsel kwalificeert als een menselijke vergissing die op zichzelf onvoldoende is om te spreken van vooringenomenheid of hardheid van het stelsel. Eiseres heeft verder geenszins aangegeven en niet onderbouwd dat hier wel sprake van is. Dit betekent dus dat eiseres niet in aanmerking kan komen voor compensatie over het jaar 2008.
7. Verder volgt de rechtbank de stelling van eiseres niet dat Dienst Toeslagen stelt dat zij een toeslagpartner in toeslagjaar 2008 had. Voor zover eiseres hierbij doelt op de term 'gezamenlijk toetsingsinkomen' in onder meer het SAS-overzicht en het informatie- en beoordelingsformulier, heeft Dienst Toeslagen in het bestreden besluit en ook in beroep uitgelegd dat dit een standaard term is die ook in gevallen waarin geen toeslagpartner aanwezig is, wordt gehanteerd.
Toeslagjaar 2009
8. Eiseres stelt dat Dienst Toeslagen ten onrechte geen compensatie heeft berekend over toeslagjaar 2009. Volgens eiseres is Dienst Toeslagen over dit jaar ten onrechte uitgegaan van 634 opvanguren. Eiseres stelt dat zij 695 opvanguren heeft afgenomen. Dit volgt volgens eiseres uit het antwoordformulier kinderopvangtoeslag 2009 en de facturen van de kinderopvang instelling (productie 3 bij het aanvullend beroepsschrift). Volgens eiseres kan uit deze stukken worden geconcludeerd dat zij over de periode juni tot en met december van het jaar 2009 gebruik heeft gemaakt van de volgende opvanguren. Voor juni 30,57, voor juli 152,85, voor augustus 2,58, voor september 127,25, voor oktober 127,25, voor november 127,25 en voor december 127,25 opvanguren. Dat gezamenlijk wijst op 695 opvanguren en wijkt dus af van de 634 opvanguren waar Dienst Toeslagen van uit is gegaan.
9. Naar het oordeel van de rechtbank mist het standpunt van eiseres, dat in de correcties is uitgegaan van een verkeerd aantal opvanguren, feitelijke grondslag. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt. Dienst Toeslagen mocht uitgaan van het antwoordformulier kinderopvangtoeslag 2009 waarop eiseres zelf in totaal 634 opvanguren heeft opgegeven. Eiseres heeft dit antwoordformulier op zichzelf ook niet betwist. Daarbij komt dat eiseres uitgaat van een onjuiste berekening van de door haar overgelegde facturen. Zij voert onterecht aan dat zij in juni 2009 30,57 opvanguren heeft afgenomen nu de betreffende factuur over deze maand een negatieve correctie van - 30,57 uren vermeldt. Verder is de factuur met 152,58 uren niet van juli, maar ook van juni 2009. Deze tweede factuur is van een latere datum in juni 2009. Dat betekent dat eiseres in juni 2009 in totaal 122,01 opvanguren heeft afgenomen. Wanneer deze uren worden opgeteld bij de uren van augustus tot en met december (respectievelijk 2,58 + 127,25 + 127,25 + 127,25 + 127,25), komt het totaal uit op 633,59, afgerond op 634 opvanguren. De rechtbank merkt ook hierbij op dat als al sprake zou zijn geweest van een foutieve overname van het aantal opvanguren door Dienst Toeslagen dat dit in beginsel kwalificeert als een menselijke vergissing die op zichzelf onvoldoende is om te spreken van vooringenomenheid of hardheid van het stelsel. Eiseres heeft verder geenszins aangegeven en niet onderbouwd dat hier wel sprake van is. Dit betekent dus dat eiseres niet in aanmerking kan komen voor compensatie over het jaar 2009.
Toeslagjaar 2010
10. Eiseres stelt dat Dienst Toeslagen ten onrechte geen compensatie heeft berekend over toeslagjaar 2010. Volgens eiseres is het aantal afgenomen opvanguren in 2010 vergelijkbaar geweest met het aantal afgenomen opvanguren in 2009. Zij verwijst daarbij naar het antwoordformulier kinderopvangtoeslag 2010 (productie 4 bij het aanvullend beroepsschrift). Volgens eiseres heeft zij geen wijziging in het aantal opvanguren, haar inkomen of haar leefsituatie doorgegeven.
11. De rechtbank merkt ten eerste op dat het niet duidelijk is geworden wat eiseres beoogt te betogen met deze beroepsgrond. Voor zover eiseres beoogt te betogen dat Dienst Toeslagen van een onjuist aantal opvanguren over het jaar 2010 is uitgegaan kan de rechtbank dat niet volgen. Dienst Toeslagen heeft zich namelijk terecht op het standpunt gesteld dat de verlaging van het recht op kinderopvangtoeslag over het jaar 2010 is gebaseerd op het door eiseres op het antwoordformulier 2010 zelf doorgegeven aantal opvanguren van 284 over heel 2010. Eiseres verwijst in deze beroepsgrond ook zelf naar dit antwoordformulier. Nu niet duidelijk is wat eiseres met deze beroepsgrond beoogt te betogen en uit de in beroep overgelegde stukken ook niet kan worden opgemaakt dat Dienst Toeslagen in toeslagjaar 2010 van een onjuist aantal uren is uitgegaan, heeft Dienst Toeslagen zich op het standpunt kunnen stellen dat eiseres niet in aanmerking kan komen voor compensatie over het jaar 2010.
Toeslagjaren 2012 en 2013
Het advies van de BAC
12. De BAC heeft in haar advies gesteld dat over de toeslagjaren 2012 en 2013 sprake is van een onredelijke bezwarende besluitvorming en daarmee van hardheid in de zin van de Wht. De BAC heeft aan haar advies ten grondslag gelegd dat de neerwaartse correcties van 31 juli 2015 en 10 april 2015 zonder toelichting zijn verricht, waardoor eiseres bezwaar heeft moeten indienen en pas bij de beslissingen op bezwaar van 29 maart 2016 op de hoogte raakte van de reden voor deze correcties, te weten de introductie van de 'koppeling gewerkte uren' in artikel 8a van het Besluit Kinderopvangtoeslag (BKO) per 1 januari 2012 (de 70%-regeling). Daarbij komt dat Dienst Toeslagen volgens de BAC in de toeslagjaren 2012 en 2013 zelf geen rekening heeft gehouden met deze wetswijziging, waardoor het gevaar werd geschapen dat de ouder ten onrechte geen rekening hield met deze wijziging en er dus een terugvordering zou ontstaan waarmee zij geen rekening had gehouden en niet had hoeven te houden. De terugvordering van meer dan € 6.000,- vond pas geruime tijd later plaats (in 2015) en was gelet op eiseres haar inkomsten buitensporig. Bovendien werd eiseres volgens de BAC een schappelijke betalingsregeling onthouden. Ten slotte heeft de BAC overwogen dat de wetgever een gewijzigd besef heeft getoond en de 70%-regeling per 1 januari 2021 heeft laten vervallen.
Het standpunt van eiseres
13. Eiseres stelt dat Dienst Toeslagen ten onrechte geen compensatie heeft berekend over de toeslagjaren 2012 en 2013 en dat het bestreden besluit ten onrechte niet conform het advies van de BAC is genomen. Volgens eiseres heeft Dienst Toeslagen niet deugdelijk gemotiveerd waarom het advies van de BAC niet wordt gevolgd. Verder voert eiseres aan dat zij niet bekend was met de 70%-regeling en dat zij de gevolgen van de uitwerking van die regeling ook niet kon overzien. Zij was namelijk niet bekend met de publicatie hiervan in het Staatsblad van 30 september 2011. Volgens eiseres mag van Dienst Toeslagen verwacht worden dat zij belangrijke wijzigingen op een toegankelijke wijze aan burgers kenbaar maakt. Ook voert eiseres aan dat niet van haar verwacht kan worden dat zij de gevolgen van de wijziging had kunnen begrijpen, gelet op de complexe juridische termijnen. Daarnaast voert eiseres zij er redelijkerwijs niet op bedacht hoefde te zijn dat haar toeslag zou veranderen omdat zij doorgaans kon vertrouwen op eerder ontvangen toeslagberekeningen.
De beoordeling door de rechtbank
14. De rechtbank overweegt dat de door de BAC genoemde omstandigheden niet aan te merken zijn als omstandigheden die maken dat sprake is van hardheid, in de zin van de Wht en zoals verwoord in de wetsgeschiedenis. De kinderopvangtoeslag over de jaren 2012 en 2013 is niet op nihil gesteld en er is geen sprake geweest van een volledige terugvordering van de kinderopvangtoeslag. Hierom kan ook niet worden geoordeeld dat er sprake was van hardheid. Uit de memorie van toelichting bij de Wht volgt namelijk dat voor aanspraak op de hardheid van het stelsel de kinderopvangtoeslag op nihil is vastgesteld en/of geheel is teruggevorderd. [4] In dit geval zijn de terugvorderingen ingegeven door een wijzing van wetgeving (artikel 8a van het BKO), waardoor het recht op kinderopvangtoeslag naar beneden is bijgesteld. Eiseres is dan ook niet zozeer het slachtoffer geworden van vooringenomen handelen van Dienst Toeslagen, maar van een voor haar nadelige wetswijziging waar zij niet tijdig van op de hoogte was. De hele gang van zaken rondom de wetswijziging heeft voor eiseres nadelig uitgepakt en het is invoelbaar dat eiseres dit oneerlijk vindt, maar deze omstandigheden kunnen niet als bijzondere omstandigheden worden aangemerkt om hardheid aan te nemen in de zin van de Wht. Niet afzonderlijk en ook niet in samenhang bezien. Naar het oordeel van de rechtbank heeft Dienst Toeslagen dus terecht vastgesteld dat eiseres niet in aanmerking komt voor compensatie op grond van de Wht voor de toeslagenjaren 2012 en 2013.

Conclusie en gevolgen

15. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, rechter, in aanwezigheid van mr. A.L.K. Dagmar, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2026.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.