ECLI:NL:RBMNE:2026:11

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
7 januari 2026
Publicatiedatum
7 januari 2026
Zaaknummer
16/019655-20
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vonnis in strafzaak betreffende teelt van hennepplanten en diefstal van stroom met verjaring en niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

Op 7 januari 2026 heeft de Rechtbank Midden-Nederland uitspraak gedaan in de strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van het telen van hennepplanten, diefstal van stroom en vernieling van eigendommen. De zaak werd inhoudelijk behandeld op 12 december 2025, waarna de rechtbank op 7 januari 2026 uitspraak deed. De officier van justitie beschuldigde de verdachte van drie feiten: het telen van 535 hennepplanten, het stelen van stroom van Liander N.V., en het vernielen van eigendommen van een benadeelde partij. De verdediging voerde aan dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk verklaard moest worden wegens overschrijding van de redelijke termijn van vervolging, wat door de rechtbank werd erkend. De rechtbank oordeelde dat de redelijke termijn met meer dan zeven jaar was overschreden, maar dat dit niet automatisch leidde tot niet-ontvankelijkheid van het OM. Wel werd het OM niet-ontvankelijk verklaard in de vervolging van het derde feit, omdat dit feit was verjaard. De rechtbank sprak de verdachte vrij van de feiten 1 en 2, omdat deze niet bewezen konden worden. De benadeelde partij, die schadevergoeding vorderde, werd niet-ontvankelijk verklaard in zijn vordering, omdat de verdachte was vrijgesproken van de feiten waarvoor schadevergoeding werd gevorderd. De rechtbank bepaalde dat de benadeelde partij de proceskosten moest vergoeden, maar deze werden op nihil vastgesteld.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Lelystad
Parketnummer: 16/019655-20
Tegenspraak (art. 279 Sv)
Vonnis van de meervoudige kamer van 7 januari 2026 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [1966] in [geboorteplaats] ,
ingeschreven op het adres [adres] in [woonplaats] ,
(hierna: de verdachte).

1.Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 12 december 2025. Het onderzoek is met instemming van de advocaat van de verdachte enkelvoudig gesloten op 7 januari 2026, waarna direct daarna uitspraak is gedaan.
Op de zitting op 12 december 2025 waren aanwezig:
  • de officier van justitie: mr. M. Mahmoudi;
  • de advocaat van de verdachte: mr. H. de Kroon, advocaat in Hilversum (hierna: de advocaat);
  • de advocaat van de benadeelde partij [benadeelde] : mr. J. Visscher, advocaat in Amersfoort.

2.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
feit 1
in de periode van 19 juli 2016 tot en met 29 november 2016 in Huizen, samen met anderen of alleen en in de uitoefening van een beroep of bedrijf, een grote hoeveelheid van 535 hennepplanten heeft geteeld, bereid, bewerkt, verwerkt of in ieder geval aanwezig heeft gehad;
feit 2
in de periode van 19 juli 2016 tot en met 29 november 2016 in Huizen, samen met anderen of alleen en door middel van verbreking, stroom heeft gestolen van Liander N.V;
feit 3
in de periode van 27 november 2012 tot en met 29 november 2016 in Huizen, samen met anderen of alleen, meerdere muren, plafonds, vloeren en elektrische voorzieningen in een pand van [benadeelde] heeft vernield.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage bij dit vonnis.

3.Ontvankelijkheid van de officier van justitie

3.1.
Standpunt van de verdediging
Namens de verdachte is betoogd dat het Openbaar Ministerie (hierna: OM) niet-ontvankelijk moet worden verklaard in de ingestelde vervolging. De advocaat heeft hiertoe aangevoerd dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6, eerste lid, Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) is overschreden met ruim zeven jaren.
3.2.
Standpunten van de officier van justitie
De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het OM ontvankelijk is in de vervolging. Het tijdsverloop is volgens bestendige jurisprudentie van de Hoge Raad geen reden voor niet-ontvankelijkheid.
De officier van justitie heeft verzocht het OM niet-ontvankelijk te verklaren in de vervolging van het onder 3 tenlastegelegde, omdat dit feit is verjaard.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
Overschrijding redelijke termijn
De rechtbank stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn. Deze in artikel 6 EVRM neergelegde waarborg strekt ertoe te voorkomen dat een verdachte langer dan redelijk is onder de dreiging van een strafvervolging zou moeten leven. De redelijke termijn is in eerste aanleg met ruim zeven jaar overschreden. De rechtbank overweegt dat de overschrijding van de redelijke termijn, ook wanneer deze zeer aanzienlijk is, volgens vaste rechtspraak van de Hoge Raad in de regel niet tot niet-ontvankelijkheid van het OM in de vervolging leidt, ook niet in uitzonderlijke gevallen. Vermindering van de op te leggen straf is telkens de aangewezen sanctie. De rechtbank ziet in hetgeen door de verdediging is aangevoerd geen reden van deze vaste lijn af te wijken en zal daarom eventueel overeenkomstig de jurisprudentie van de Hoge Raad de overschrijding van de redelijke termijn betrekken bij het bepalen van de straf.
Verjaring (feit 3)
Gelet op artikel 70 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) vervalt het recht tot strafvordering door verjaring na zes jaren voor misdrijven waarop een gevangenisstraf van niet meer dan drie jaren is gesteld. De verdachte wordt vervolgd voor artikel 350 Sr, waarop een strafmaximum van twee jaren gevangenisstraf is gesteld.
De vervolging is aangevangen op 14 november 2025 met de uitreiking van de dagvaarding aan de verdachte. De periode waarin het ten laste gelegde feit zou zijn gepleegd, is meer dan zes jaren geleden. Van enige daad van vervolging in de tussenliggende periode waardoor de verjaring is gestuit, is niet gebleken. Met de officier van justitie is de rechtbank daarom van oordeel dat het OM niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte nu het ten laste gelegde feit is verjaard. De rechtbank zal het OM niet ontvankelijk verklaren in de vervolging van het onder 3 ten laste gelegde feit.

4.Vrijspraak

4.1.
Standpunten van de officier van justitie en de verdediging
De officier van justitie en de advocaat van de verdachte stellen zich op het standpunt dat de verdachte moet worden vrijgesproken van alle ten laste gelegde feiten (feiten 1 en 2).
4.2.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank oordeelt dat de feiten 1 en 2 niet zijn bewezen en zal de verdachte daarvan vrijspreken. De officier van justitie en de verdediging komen tot dezelfde conclusie, zodat de rechtbank dit oordeel niet verder zal motiveren.

5.Vordering benadeelde partij

5.1.
Vordering van de benadeelde partij
[benadeelde] , bijgestaan door advocaat mr. J. Visscher, heeft zich gesteld als benadeelde partij en vordert de verdachte te veroordelen tot de hoofdelijke betaling van een schadevergoeding van € 29.100,00 voor de feiten 1 tot en met 3, vermeerderd met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit een vergoeding van materiële schade. De materiële schade bestaat uit de volgende onderdelen:
1. begrote herstelkosten en waardevermindering schuur: € 11.600,00;
2. herstel stroominstallatie en stroomkosten: € 17.500,00.
Verder verzoekt de benadeelde partij de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.
5.2.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij af te wijzen.
5.3.
Standpunt van de verdediging
De verdediging heeft verzocht de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren in de vordering.
5.4.
Oordeel van de rechtbank
De rechtbank spreekt de verdachte vrij voor de feiten 1 en 2 en verklaart het OM niet-ontvankelijk in de vervolging ten aanzien van feit 3. Volgens de wet kan de strafrechter dan geen schadevergoeding toekennen aan een benadeelde partij. De rechtbank bepaalt daarom dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering.
Bij vorderingen tot schadevergoeding is de hoofdregel dat de partij die ongelijk krijgt, de proceskosten van de andere partij moet vergoeden. De benadeelde partij wordt niet-ontvankelijk verklaard in de vordering, waardoor niet is komen vast te staan of en in hoeverre de vordering terecht is ingediend. De benadeelde partij moet daarom de kosten vergoeden die de verdachte heeft gemaakt om tegen deze vordering in te gaan. De rechtbank is van oordeel dat op dit moment niet vaststaat dat de verdachte daarvoor kosten heeft gemaakt en begroot de kosten daarom op nihil.

6.De beslissing

De rechtbank:
Ontvankelijkheid officier van justitie
- verklaart de officier van justitie
niet-ontvankelijkin de vervolging van de verdachte ten aanzien van feit 3;
Vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat de verdachte de feiten 1 en 2 heeft gepleegd en
spreektde verdachte daarvan
vrij;
Benadeelde partij [benadeelde] (feiten 1 en 2)
- verklaart [benadeelde] niet-ontvankelijk in de vordering en bepaalt dat de vordering kan worden aangebracht bij de burgerlijke rechter;
- veroordeelt de benadeelde partij in de kosten door de verdachte gemaakt, tot op heden begroot op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. A. Blanke, voorzitter, mrs. H.J. van Woudenberg en J.A. Koorevaar, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.B. Postma als griffier en is in het openbaar uitgesproken op 7 januari 2026.
De voorzitter en oudste rechter zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
feit 1
hij in of omstreeks de periode van 19 juli 2016 tot en met 29 november 2016 te Huizen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, in de uitoefening van een beroep of bedrijf, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt,
in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres] ) een grote hoeveelheid als bedoeld in artikel 11 lid 5 van de Opiumwet, te weten in totaal ongeveer 535 hennepplanten, zijnde een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;
feit 2
hij in of omstreeks de periode van 19 juli 2016 tot en met 29 november 2016 te Huizen tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening in/uit een pand aan de [adres] , heeft weggenomen stroom, in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan Liander N.V., in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of haar mededaders, waarbij verdachte en/of haar mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft en/of die/dat weg te nemen stroom onder haar/hun bereik hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking;
feit 3
hij in of omstreeks de periode van 27 november 2012 tot en met 29 november 2016 te Huizen, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen opzettelijk en wederrechtelijk meerdere muren, plafonds, vloeren en elektrische voorzieningen in een pand (aan de [adres] ), in elk geval enig goed, dat geheel of ten dele aan een
ander dan aan verdachte en/of zijn/haar mededader(s), te weten aan de [benadeelde] toebehoorde, heeft vernield, beschadigd en/of onbruikbaar gemaakt en/of weggemaakt.