De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 7 januari 2026 de strafzaak tegen verdachte, die werd beschuldigd van hennepteelt, diefstal van stroom en vernieling van een pand. De zaak werd inhoudelijk behandeld op 12 december 2025 en de uitspraak volgde op 7 januari 2026.
De verdediging voerde een niet-ontvankelijkheidsverweer aan wegens overschrijding van de redelijke termijn van ruim zeven jaar. De rechtbank verwierp dit verweer, verwijzend naar vaste jurisprudentie dat een termijnoverschrijding niet snel leidt tot niet-ontvankelijkheid, maar mogelijk tot strafvermindering. Wel verklaarde de rechtbank het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk in de vervolging van het feit van vernieling wegens verjaring, omdat dit feit meer dan zes jaar geleden zou zijn gepleegd en geen stuiting van verjaring was gebleken.
De rechtbank sprak verdachte vrij van de feiten van hennepteelt en stroomdiefstal, omdat deze niet bewezen waren. De benadeelde partij vorderde een schadevergoeding van €29.100, maar werd niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering, omdat de strafrechter geen schadevergoeding kan toekennen bij niet-ontvankelijkheid van het OM. De vordering kan worden voortgezet bij de burgerlijke rechter.
De rechtbank veroordeelde de benadeelde partij tot vergoeding van de proceskosten van de verdachte, maar begrootte deze op nihil omdat niet vaststond dat kosten waren gemaakt. De uitspraak werd gewezen door de meervoudige kamer onder voorzitterschap van A. Blanke en rechters H.J. van Woudenberg en J.A. Koorevaar.