Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2026:1075

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
12 maart 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
UTR 26/1337
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing voorlopige voorziening bijzondere bijstand verhuiskosten wegens ontbreken spoedeisend belang

Verzoekers hebben een voorlopige voorziening gevraagd tegen de afwijzing van hun aanvraag voor bijzondere bijstand voor verhuiskosten door het college van burgemeester en wethouders van Utrecht. Zij stellen dat zij vanwege medische klachten moeten verhuizen en geen financiële middelen hebben om de nieuwe woning bewoonbaar te maken.

De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekers onvoldoende stukken hebben overgelegd om het spoedeisend belang te onderbouwen, zoals bewijs van toewijzing van een nieuwe woning, opzegging van de huidige huurovereenkomst, en actuele financiële gegevens. Ook is niet duidelijk gemaakt dat de verhuizing medisch noodzakelijk is.

Omdat er geen sprake is van een spoedeisend belang en het bestreden besluit niet evident onrechtmatig is, wijst de voorzieningenrechter het verzoek af. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitkomst: Het verzoek om een voorlopige voorziening wordt afgewezen wegens ontbreken van spoedeisend belang en geen evident onrechtmatig besluit.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 26/1337

uitspraak van de voorzieningenrechter van 12 maart 2026 in de zaak tussen

[verzoeker] en [verzoekster] , uit [plaats] , verzoekers

(gemachtigde: mr. M. el Idrissi),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, het college
(gemachtigde: W. van Beveren).

Inleiding

1.1.
In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoekers tegen de afwijzing van de aanvraag van verzoekers voor bijzondere bijstand voor verhuiskosten. Het college heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 29 januari 2026 afgewezen. Verzoekers hebben hiertegen bezwaar gemaakt.
1.2.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. Artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) maakt dat mogelijk. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.
Spoedeisend belang
3. De voorzieningenrechter treft op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Awb alleen een voorlopige voorziening als "onverwijlde spoed" dat vereist. Bij een financieel geschil, zoals in deze zaak, is dat niet snel het geval. In beginsel kan namelijk na afloop van de bodemzaak het bedrag waarover het geschil gaat, alsnog worden (terug)betaald, zo nodig met vergoeding van de wettelijke rente. Als er geen onomkeerbare situatie dreigt, bijvoorbeeld faillissement, of acute financiële nood is, neemt de voorzieningenrechter aan dat spoedeisend belang ontbreekt, zodat hij alleen al daarom geen voorlopige voorziening treft.
4. Verzoekers voeren aan dat zij via de regeling “Voorrang Van Groot Naar Beter” plotseling een woning toegewezen hebben gekregen en dat zij genoodzaakt zijn om te verhuizen nu de huidige woning niet meer passend is gelet op medische klachten van verzoekster. Verzoekers hebben inmiddels hun huurovereenkomst voor de huidige woning opgezegd en zij hebben niet de middelen om de nieuwe woning bewoonbaar en leefbaar te maken. Ter onderbouwing hiervan hebben zij een e-mailbericht van Loket Huren van Woonin van 29 oktober 2025 overgelegd waarin staat dat zij zijn toegelaten tot de regeling “Voorrang van Groot Naar Beter”.
5. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekers bij het verzoekschrift geen stukken hebben overgelegd ter onderbouwing van het spoedeisend belang. Bij brief van 16 februari 2026 is daarom door de griffier gevraagd om nadere onderbouwing van de financiële situatie van verzoekers, waarbij is verzocht om kopieën van bankafschriften, kopieën van aanmaningen als sprake is van schulden, en eventuele stukken met betrekking tot huisuitzetting.
6. Verzoekers hebben op 24 februari 2026 daarop gereageerd. Zij hebben aangegeven dat zij een woning toegewezen hebben gekregen en dat zij moeten verhuizen gelet op de medische klachten van verzoekster. Verzoekers moeten de toegewezen woning stofferen en bewoonbaar maken en zij beschikken niet over financiële middelen om dit te doen. Verzoekster heeft geen inkomen en verzoeker heeft alleen een WAO-uitkering. Ter onderbouwing hebben verzoekers een betaalspecificatie van het UWV van 13 januari 2025 overgelegd op naam van verzoeker.
7. De voorzieningenrechter is van oordeel dat niet gebleken is van een spoedeisend belang. Verzoekers hebben niet met stukken onderbouwd dat zij een nieuwe woning toegewezen hebben gekregen en dat zij hun oude huurovereenkomst hebben opgezegd. Verder hebben verzoekers niet te kennen gegeven per welke datum zij zouden moeten verhuizen. Uit het door verzoekers overgelegde mailbericht van Loket Huren van Woonin blijkt alleen dat zij in oktober 2025 zijn toegelaten tot de regeling “Voorrang van Groot Naar Beter”, maar hier blijkt niet uit dat er een woning is toegewezen. Verzoekers hebben verder de in de brief van 16 februari 2026 gevraagde gegevens niet overgelegd, zodat niet duidelijk is wat hun financiële situatie is. Een enkele betaalspecificatie van ruim een jaar geleden is daartoe onvoldoende. Verzoekers hebben evenmin onderbouwd dat de verhuizing medisch noodzakelijk is. Het college heeft er daarbij op gewezen dat verzoekers een aanvraag voor verhuiskosten in het kader van de Wmo kunnen indienen als er sprake is van een medische noodzaak om te verhuizen. Niet duidelijk is of verzoekers dit hebben gedaan. Uit de door verzoekers overgelegde stukken kan de voorzieningenrechter ook niet afleiden dat verzoekers op dit moment niet in hun levensbehoeften kunnen voorzien of dat binnen een afzienbare tijd een onomkeerbare situatie dreigt te ontstaan. De conclusie is dan ook dat er geen spoedeisend belang is.
Evident onrechtmatig
8. Omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat verzoekers geen spoedeisend belang hebben, kan een voorlopige voorziening alleen nog worden getroffen als het bestreden besluit evident onrechtmatig is. Met evident onrechtmatig wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door het college ingenomen standpunt juist is en of het bestreden besluit in de bodemprocedure in stand zal blijven. De voorzieningenrechter is van oordeel dat op basis van de nu overgelegde stukken niet evident is dat het bestreden besluit geen stand zal kunnen houden.
Belangenafweging
9. Uit het voorgaande volgt dat geen sprake is van een spoedeisend belang en dat het bestreden besluit ook niet evident onrechtmatig is. Gelet hierop ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding de belangenafweging in het voordeel van verzoekers te laten uitvallen.

Conclusie en gevolgen

10. Het verzoek is daarom kennelijk ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek dus af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.S. Lodder, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 12 maart 2026.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.