Eiseres heeft bezwaar gemaakt tegen de definitieve beschikking compensatie kinderopvangtoeslag, waarop verweerder niet tijdig heeft beslist. Na ingebrekestelling op 1 mei 2024 en het verstrijken van meer dan twee weken, stelde eiseres beroep in bij de rechtbank.
De rechtbank stelt vast dat de wettelijke beslistermijn is overschreden en dat verweerder nog geen besluit heeft genomen. Gelet op de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, geldt een nadere beslistermijn van zestig weken, die inmiddels is verstreken. Daarom moet verweerder binnen twee weken na verzending van deze uitspraak alsnog een besluit nemen.
De rechtbank legt een dwangsom van € 100,- per dag op met een maximum van € 15.000,- vanwege de overschrijding, rekening houdend met het ontbreken van weigerachtigheid en de omstandigheden bij verweerder. Tevens wordt verweerder veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van € 467,- en het betaalde griffierecht van € 53,- aan eiseres.
De uitspraak is gedaan door rechter G. Schnitzler en uitgesproken op 13 maart 2026 in Utrecht. Partijen kunnen binnen zes weken verzetschrift indienen tegen deze uitspraak.