Deze uitspraak betreft een grensgeschil over de exacte ligging van de eigendomsgrens van het perceel van eiser. Het Kadaster had in een meetrapport de grens vastgesteld, maar eiser was het hier niet mee eens en diende een verzoek tot herstel in. Dit verzoek werd afgewezen, waarna eiser bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde tegen het bestreden besluit.
De rechtbank beoordeelde de ontvankelijkheid van het beroep en constateerde dat het beroepschrift te laat was ingediend, namelijk na afloop van de wettelijke termijn van zes weken. Eiser voerde aan dat de termijnoverschrijding verschoonbaar was vanwege intensieve medische behandeling met bijwerkingen, maar de rechtbank oordeelde dat dit onvoldoende was om de overschrijding te rechtvaardigen, mede omdat de beroepstermijn pas enkele weken na het einde van de behandeling afliep.
De rechtbank merkte op dat zelfs indien inhoudelijk beoordeeld zou zijn, het beroep ongegrond zou zijn verklaard omdat het toetsingskader van artikel 7t Kadasterwet strikt is en alleen bij evidente misslagen of fouten in de kadastrale registratie tot correctie kan worden overgegaan. De feitelijke terreinsituatie valt hier niet onder.
Daarom verklaarde de rechtbank het beroep niet-ontvankelijk en wees zij terugbetaling van griffierecht en proceskostenvergoeding af. De uitspraak werd gedaan door rechter J.H. Lange op 13 januari 2026.