ECLI:NL:RBMNE:2026:1050

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
11 februari 2026
Publicatiedatum
19 maart 2026
Zaaknummer
26/135
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 4:29 AwbArt. 4:42 AwbArt. 4:48 AwbArt. 4:49 AwbArt. 8:81 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Voorlopige voorziening tegen intrekking van drie subsidies wegens vermeende drugsgerelateerde activiteiten

Deze uitspraak betreft het verzoek om een voorlopige voorziening tegen het besluit van het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vijfheerenlanden om drie aan verzoekster verleende subsidies in te trekken. Verzoekster betwist de intrekking en voert aan dat de beschuldigingen onvoldoende concreet en niet onderbouwd zijn.

Het college baseert het besluit op vermoedens van drugsgerelateerde activiteiten, maar heeft deze niet schriftelijk onderbouwd en de feitelijke grondslag is onduidelijk. De voorzieningenrechter oordeelt dat het besluit evident onrechtmatig is omdat de subsidies nog niet zijn vastgesteld en de intrekking onvoldoende gemotiveerd en onzorgvuldig is voorbereid.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om schorsing van het besluit toe tot zes weken na de beslissing op bezwaar, wijst de overige verzoeken af en veroordeelt het college in de proceskosten van verzoekster. Het college wordt opgedragen af te zien van terugvordering zolang het besluit geschorst is.

Uitkomst: Het besluit tot intrekking van drie subsidies wordt geschorst tot zes weken na de beslissing op bezwaar wegens onvoldoende onderbouwing en onzorgvuldigheid.

Uitspraak

zaaknummer: UTR 26/135

uitspraak van de voorzieningenrechter van 11 februari 2026 in de zaak tussen

[verzoekster] , uit [plaats] , verzoekster

(gemachtigde: mr. R. Moszkowicz),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Vijfheerenlandenhet college,
(gemachtigde: mr. M. de Vries)

Samenvatting

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het besluit van het college om drie aan verzoekster verleende subsidies in te trekken. Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoekster.

Procesverloop

2. Bij besluiten van 13 december 2023, 22 december 2023 en 9 december 2024 heeft het college subsidies verleend aan verzoekster.
3. Op 10 juli 2025 heeft het college het voornemen geuit om deze subsidies in te trekken.
4. Verzoekester heeft daartegen zienswijzen ingediend.
5. Bij besluit van 16 oktober 2025 (het bestreden besluit) heeft het college besloten tot intrekking van de drie subsidies.
6. Verzoekster heeft op 14 november 2025 bezwaar gemaakt tegen het bestreden besluit en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.
7. Het verzoek om een voorlopige voorziening is behandeld op de zitting van 5 februari 2026. Namens verzoekster zijn verschenen haar penningmeester [A] en de voorzitter [B] , bijgestaan door mr. R. Moszkowicz. Het college is ter zitting vertegenwoordigd door hoor gemachtigde.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

8. Ter zitting is duidelijk geworden dat de drie subsidies wel zijn verleend zoals bedoeld in artikel 4:29 van Pro de Awb, maar nog niet werden vastgesteld als bedoeld in artikel 4:42 van Pro de Awb. Alle verleende subsidiebedragen waren al wel bij wijze van voorschot uitbetaald. Besluiten tot terugvordering van de verleende subsidies zijn nog niet genomen.
9. Uit het bestreden besluit volgt dat het college de subsidies heeft ingetrokken op grond van artikel 4:48, eerste lid, onder d van de Awb en artikel 4:49, eerste lid, onder a van de Awb omdat ‘er ernstige vermoedens zijn van drugsgerelateerde activiteiten die plaatsvinden vanuit of in verband staan met verzoekster, dan wel met een bestuurder of medewerker van verzoekster’. Uit de rest van het dossier en de toelichting van het college ter zitting volgt verder dat hierover van verschillende kanten, waaronder van de politie, signalen zijn ontvangen. Van deze signalen staat niets op papier, door de politie is vooralsnog geen bestuurlijke rapportage opgesteld.
10. Naast de hiervoor genoemde subsidies, hebben verzoekster en de gemeente Vijfheerenlanden in respectievelijk 2024 en 2025 ook een ‘raamovereenkomst Modules aanpak kinderarmoede’ gesloten en een inkoopovereenkomst ‘coaching aan jongeren’. De gemeente heeft deze overeenkomsten ‘beëindigd’.
11. Verzoekster heeft tegen het bestreden besluit, kort samengevat, aangevoerd dat deze niet in stand kan blijven omdat het verwijt dat verzoekster wordt gemaakt onvoldoende concreet is en niet is onderbouwd met stukken. Verzoekster betwist dat zij in verband gebracht kan worden met drugsgerelateerde activiteiten. Daarnaast betwist verzoekster dat het college de bevoegdheid had om de subsidies in te trekken op grond van de door het college genoemde artikelen.

De verzoeken

12. Verzoekster heeft, samengevat, verzocht om de volgende voorlopige voorzieningen te treffen, naast schorsing van het bestreden besluit:
a. de gemeente te gebieden om de bestaande raamovereenkomst en op basis daarvan gesloten overeenkomsten na te blijven komen;
b. de gemeente te gebieden om reeds verstrekte subsidies in stand te laten;
c. de gemeente te verbieden om reeds gedane betalingen, uit welke hoofde dan ook, terug te vorderen;
d. de gemeente te gebieden om reeds overeengekomen subsidies voor de toekomst te verlenen;
e. de gemeente te gebieden om door verzoekster gestuurde facturen voor verrichte werkzaamheden te betalen.
13. De voorzieningenrechter overweegt over deze verzoeken als volgt. Uit artikel 8:81 van Pro de Awb vloeit voort dat een verzoek om een voorlopige voorziening moet voldoen aan de vereisten van formele en materiële connexiteit. Onder materiële connexiteit wordt verstaan dat wat een verzoeker met zijn verzoek wil bereiken ook betrekking moet hebben op de inhoud van het besluit dat voor ligt.
14. In dit geval ziet het bestreden besluit uitsluitend op de intrekking van drie verleende (en bij wijze van voorschot uitbetaalde) subsidies. Het bestreden besluit ziet niet op de opzegging van gesloten overeenkomsten (verzoek a), op grond daarvan verzonden facturen (verzoek e) of andere (toekomstige) subsidies (verzoeken b en d). Daarnaast is in het bestreden besluit nog niet besloten tot terugvordering (verzoek c). Het materiële connexiteitsvereiste verzet zich dan ook tegen de gevraagde voorzieningen. De enige voorlopige voorziening die in deze zaak is verzocht en gelet op het connexiteitsvereiste ook getroffen zou kunnen worden, is de schorsing van het bestreden besluit. Dat verzoek zal in het vervolg worden beoordeeld.

Spoedeisend belang?

15. Partijen zijn verdeeld over de vraag of verzoekester een spoedeisend belang heeft bij de gevraagde voorlopige voorziening. Het ontbreken van afdoende spoedeisend belang staat evenwel niet aan het treffen van een voorlopige voorziening in de weg, indien sprake is van een evident onrechtmatig besluit. Daarmee wordt bedoeld dat zonder diepgaand onderzoek naar de relevante feiten en/of het recht zeer ernstig moet worden betwijfeld of het door het college ingenomen standpunt juist is en of het besluit in de bezwaarprocedure in stand zal blijven.
16. Omdat de voorzieningenrechter van oordeel is dat het bestreden besluit evident onrechtmatig is, zal de voorzieningenrechter niet beoordelen of sprake is van een spoedeisend belang, omdat dat niet aan het treffen van een voorziening in de weg staat. In het vervolg zal worden toegelicht hoe de voorzieningenrechter tot het oordeel is gekomen dat sprake is van een evident onrechtmatig bestreden besluit.
Onrechtmatigheid besluit
17. De voorzieningenrechter stelt voorop dat artikel 4:49 van Pro de Awb in dit geval geen grondslag kan bieden voor intrekking van de subsidies, omdat dat artikel alleen ziet op reeds vastgestelde subsidies, terwijl de subsidies in deze zaak nog niet zijn vastgesteld. De intrekking in het bestreden besluit kan daarom alleen zijn gegrond op artikel 4:48, eerste lid, onder d van de Awb. Ter zitting is door het college aangevoerd dat in bezwaar wordt overwogen om ook 4:48, eerste lid, onder c van de Awb aan de intrekkingen ten grondslag te leggen.
18. Artikel 4:48, eerste lid, onder d van de Awb bepaalt dat een verleende subsidie kan worden ingetrokken wanneer de verlening ‘anderszins’ onjuist was en de subisdie-ontvanger dat behoorde te weten.
19. Artikel 4:48, eerste lid, onder c van de Awb bepaalt dat een verleende subsidie kan worden ingetrokken wanneer de subsidie-ontvanger onjuiste of onvolledige gegevens heeft verstrekt en de verstrekking van juiste of volledige gegevens tot een andere beschikking op de aanvraag tot subsidieverlening zou hebben geleid.
20. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is op dit moment onmogelijk te beoordelen of deze intrekkingsgronden zich voordoen, omdat de feitelijke grondslag voor het bestreden besluit nagenoeg geheel onduidelijk is. Uit het bestreden besluit volgt weliswaar dat verzoekster in verband wordt gebracht met drugsgerelateerde activiteiten, maar onduidelijk is om welke activiteiten het dan precies gaat, wanneer deze zouden hebben plaatsgevonden en door wie die activiteiten zouden zijn verricht. Het bestreden besluit is op dit punt dan ook onvoldoende gemotiveerd.
21. Hier komt bij dat het college het bestaan van deze drugsgerelateerde activiteiten ook niet aannemelijk heeft gemaakt. Het college wijst slechts op signalen die uit verschillende hoeken komen, maar verzoekster betwist de juistheid daarvan. Het college heeft verder geen enkele schriftelijke onderbouwing gegeven voor het bestaan van de activiteiten of nader geconcretiseerd uit welke hoeken de informatie komt en hoe die informatie daar bekend is geworden. Ter zitting is duidelijk geworden dat er op dit moment ook niets van de beschuldigingen op papier staat. Het bestreden besluit is daarom ook onzorgvuldig voorbereid.
22. Kort en goed is de voorzieningenrechter van oordeel dat de beschuldigingen aan het adres van verzoekster op dit moment niet aannemelijk zijn gemaakt en te weinig concreet zijn om het bestreden besluit op te kunnen baseren.
23. Het is op zich begrijpelijk dat het college na verontrustende signalen snel actie heeft willen ondernemen, maar tussen het voornemen van 10 juli 2025 en het bestreden besluit van 16 oktober 2025 was er alle tijd om de feitelijke grondslag van het bestreden besluit duidelijk te formuleren en overtuigend te onderbouwen. Dat is niet gebeurd. Ter zitting is gebleken dat de hoorzitting in bezwaar inmiddels heeft plaatsgevonden en er ook nu nog niets op papier staat over de beschuldiging tegen verzoekster, terwijl ook nog altijd geen duidelijkheid is gegeven over de precieze inhoud van de beschuldigingen. De voorzieningenrechter gaat er daarom van uit dat de geconstateerde gebreken aan het besluit niet in bezwaar hersteld zullen worden.
24. De voorzieningenrechter zal het bestreden besluit daarom schorsten tot zes weken na de beslissing op bezwaar. Tot die tijd kan het college nog niet overgaan tot terugvordering van de geldbedragen die als voorschot zijn betaald, omdat die besluiten gebaseerd worden op het onderhavige geschorste besluit. De voorzieningenrechter dringt er bij het college op aan om hoe dan ook van terugvordering af te zien, totdat in de bodemprocedure over de intrekkingen onherroepelijk is besloten, tenzij het college in bezwaar of mogelijk beroep alsnog met een deugdelijke concretisering en onderbouwing van de feitelijke grondslag voor de intrekkingen komt.

Conclusie en gevolgen

25. De voorzieningenrechter wijst het verzoek gedeeltelijk toe en schorst het bestreden besluit tot zes weken na de beslissing op bezwaar. Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet het college het griffierecht aan verzoekster vergoeden. Daarom krijgt verzoekster ook een vergoeding van haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoekster een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 934,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.868,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe in die zin dat het besluit van 16 oktober 2025 wordt geschorst tot zes weken na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
- wijst de overige verzoeken af;
- veroordeelt het college in de proceskosten van verzoekster tot een bedrag van € 1.868,-;
- draagt het college op het griffierecht van € 385 [1] ,- aan verzoekster te vergoeden.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. N.A. Gomes de Jorge, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2026.
De griffier is buiten staat
te ondertekenen
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.In deze zaak is door verzoekster geen griffierecht betaald. In de zaak met nummer AWB 25/6806 is door verzoekster wel griffierecht betaald. Door een administratieve fout is die zaak ten onrechte afgedaan wegens gebrek aan (onderbouwing van) spoedeisend belang. Om die fout te herstellen mocht verzoekster een nieuw verzoek indienen zonder griffierecht te betalen. Nu het verzoek wordt toegewezen, komt het eerder betaalde griffierecht voor vergoeding in aanmerking.