De rechtbank Midden-Nederland behandelde op 7 januari 2026 de strafzaak tegen de verdachte, die werd beschuldigd van hennepteelt, diefstal van stroom en vernieling van een pand. De verdediging voerde een niet-ontvankelijkheidsverweer in verband met een overschrijding van de redelijke termijn en stelde dat het OM niet ontvankelijk moest worden verklaard wegens verjaring van het vernielingsfeit.
De rechtbank verwierp het niet-ontvankelijkheidsverweer wegens overschrijding van de redelijke termijn, verwijzend naar vaste jurisprudentie dat dit niet leidt tot niet-ontvankelijkheid, maar tot strafvermindering. Wel verklaarde de rechtbank het OM niet-ontvankelijk in de vervolging van het vernielingsfeit wegens verjaring, omdat dit feit meer dan zes jaar geleden zou zijn gepleegd en geen stuiting van verjaring was gebleken.
De rechtbank sprak de verdachte vrij van de ten laste gelegde feiten van hennepteelt en diefstal van stroom, omdat deze niet bewezen waren. De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in haar vordering tot schadevergoeding, omdat de verdachte voor de vernieling niet vervolgd kon worden. De rechtbank wees de vordering toe aan de burgerlijke rechter en begrootte de proceskosten op nihil.
De uitspraak werd gedaan door de meervoudige kamer, waarbij de voorzitter en twee rechters het vonnis wezen. De verdachte werd dus vrijgesproken van de hennepteelt en stroomdiefstal, en de vervolging van vernieling werd beëindigd wegens verjaring.