ECLI:NL:RBMNE:2025:892

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
6 februari 2025
Publicatiedatum
4 maart 2025
Zaaknummer
UTR 24/5308
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:41 AwbArt. 8:75 AwbArt. 8:75a Awb
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing proceskostenvergoeding na intrekking beroep wegens late beslissing WIA-uitkering

Verzoeker diende op 7 augustus 2024 beroep in tegen het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV) omdat het UWV niet tijdig had beslist op zijn bezwaar van 16 januari 2024 tegen de afwijzing van een WIA-uitkering van 21 december 2023.

Het UWV nam op 10 oktober 2024 alsnog een besluit op het bezwaar. Vervolgens trok verzoeker het beroep in en vroeg een vergoeding van zijn proceskosten. Het UWV reageerde niet op dit verzoek.

De rechtbank oordeelde dat zij voldoende informatie had om zonder zitting te beslissen. Gezien het intrekken van het beroep na tegemoetkoming door het bestuursorgaan, en het uitblijven van bezwaar van het UWV tegen vergoeding, veroordeelde de rechtbank het UWV tot betaling van €453,50 aan proceskosten. Daarnaast is het UWV verplicht het griffierecht van €51,- te vergoeden.

De uitspraak werd gedaan door rechter J. Wolbrink op 6 februari 2025 te Utrecht.

Uitkomst: Het UWV is veroordeeld tot betaling van €453,50 aan proceskosten aan verzoeker na intrekking van het beroep wegens late beslissing op bezwaar WIA-uitkering.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/5308

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 februari 2025 in de zaak tussen

[verzoeker] , te [plaats] , verzoeker

(gemachtigde: C.J. Loef)
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat verzoeker heeft ingediend op 7 augustus 2024 omdat verweerder volgens hem niet op tijd heeft beslist op zijn bezwaar van 16 januari 2024. Het bezwaar is gericht tegen het besluit van verweerder van 21 december 2023 over de afwijzing van een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet Wia).
Verweerder heeft op 10 oktober 2024 alsnog een besluit genomen op het bezwaar van verzoeker. Verzoeker heeft het beroep daarna ingetrokken en een vergoeding gevraagd voor zijn proceskosten.
Verweerder heeft niet gereageerd op dit verzoek.

Overwegingen

1. De rechtbank doet deze uitspraak zonder partijen voor een zitting uit te nodigen, omdat zij vindt dat zij voldoende informatie heeft om het verzoek te beoordelen.
2. Als het beroep is ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift (dus aan verzoeker) tegemoet is gekomen, kan de rechtbank bepalen dat verweerder de proceskosten van de indiener van het beroepschrift moet betalen
.Dat staat in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).
3. Verweerder heeft niet gereageerd op het verzoek van verzoeker. De rechtbank leidt hier uit af dat verweerder er geen bezwaar tegen heeft om de proceskosten van verzoeker te vergoeden.
4. De rechtbank stelt de proceskosten van verzoeker die verweerder moet betalen vast op
€ 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van
€ 907,- en een wegingsfactor 0,5). [1]
5. Uit het bepaalde in artikel 8:41, zevende lid, van de Awb volgt dat verweerder verplicht is het door verzoeker betaalde griffierecht van € 51,- te vergoeden. Dit volgt rechtstreeks uit de wet. Verzoeker zal zich hiervoor tot verweerder moeten wenden.

Beslissing

De rechtbank veroordeelt verweerder tot betaling van € 453,50 aan proceskosten.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van E.J.H.C. Hui, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 6 februari 2025.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen 6 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum op de stempel die hierboven staat. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven.

Voetnoten

1.Conform de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 2 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1796.