Vanaf 25 februari 2021 huurt eiseres bedrijfsruimte van gedaagde. De huurovereenkomst bevat een indexeringsbeding op basis van de CPI van het CBS. Gedaagde verhoogde per 25 februari 2023 de huurprijs met 14,3%, gebaseerd op de CPI. Eiseres verzet zich hiertegen en vordert een lagere indexering, primair 4%, subsidiair lagere percentages, en stelt dat de verhoging onredelijk en onaanvaardbaar is door de hoge inflatie veroorzaakt door overheidsingrijpen vanwege de oorlog in Oekraïne.
De kantonrechter oordeelt dat het beroep op onvoorziene omstandigheden faalt omdat partijen expliciet rekening hielden met inflatie, ook hoge inflatie, bij het sluiten van de overeenkomst. Ook het beroep op redelijkheid en billijkheid wordt verworpen wegens onvoldoende onderbouwing van onaanvaardbare gevolgen.
Hoewel de kantonrechter erkent dat de oude CPI-methode een onaanvaardbaar hoog huurprijspercentage oplevert voor 2023, is een aanpassing alleen voor 2023 niet toewijsbaar omdat dit leidt tot een lagere huurprijs in 2024 dan bij consequente toepassing van één methode. Eiseres heeft geen vordering ingesteld voor aanpassing 2024. Daarom wijst de kantonrechter de vordering af en veroordeelt eiseres in de proceskosten.