Eiseres heeft op 10 september 2024 een aanvraag ingediend bij de Commissie Werkelijke Schade voor aanvullende compensatie. Verweerder heeft niet tijdig op deze aanvraag beslist, waardoor eiseres op 9 oktober 2025 beroep instelde tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is overschreden en dat verweerder op 18 september 2025 in gebreke is gesteld. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen, bepaalt de rechtbank dat verweerder dit alsnog moet doen, uiterlijk binnen twee weken na verzending van de uitspraak, tenzij bijzondere omstandigheden een andere termijn rechtvaardigen.
De rechtbank verwijst naar een eerdere uitspraak waarin een nadere beslistermijn van 60 weken na de wettelijke beslistermijn van 52 weken is vastgesteld. In dit geval betekent dit dat verweerder uiterlijk op 4 november 2026 een besluit moet nemen.
Daarnaast legt de rechtbank een dwangsom van € 50,- per dag op voor elke dag dat verweerder de termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-. Verweerder wordt ook veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van eiseres (€ 453,50) en het betaalde griffierecht (€ 53,-).
De rechtbank sluit het onderzoek zonder zitting, omdat partijen geen gebruik wilden maken van het recht op mondelinge behandeling.