ECLI:NL:RBMNE:2025:7371

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
26 november 2025
Publicatiedatum
27 januari 2026
Zaaknummer
C/16/583699 / HA ZA 24-546
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 110 WPOArt. 106 lid 2 WPOArt. 49 lid 2 WPOArt. 3:41 BWArt. 3:296 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Nietigheid opstalrecht en eigendomsoverdracht schoolgebouw Ds. Derksenschool

De Gemeente Buren en de Kosterij c.s. zijn in geschil over het eigendom van het schoolgebouw en de grond van de Ds. Derksenschool in Ravenswaaij. De gemeente stelt dat zij het economisch claimrecht op grond van artikel 110 WPO Pro kan uitoefenen omdat zij zowel het gebouw als de grond volledig heeft gefinancierd. De Kosterij c.s. betwist dit en stelt dat de grond niet met publieke middelen is bekostigd.

De rechtbank oordeelt dat het opstalrecht dat de Kosterij c.s. ten gunste van Stichting CPOB heeft gevestigd nietig is omdat de gemeente geen toestemming heeft gegeven, terwijl zij het gebouw en de grond volledig heeft gefinancierd. De rechtbank wijst de vordering toe dat de Kosterij c.s. gehouden is het eigendom van het schoolgebouw en de grond over te dragen aan Stichting CPOB.

Andere vorderingen van de gemeente, waaronder overdracht aan de gemeente zelf en verklaringen voor recht over toekomstige situaties, worden afgewezen of de gemeente wordt niet-ontvankelijk verklaard. De proceskosten worden gecompenseerd. De uitspraak bevestigt dat de gemeente het economisch claimrecht kan uitoefenen indien zij de grond en het gebouw volledig heeft bekostigd.

Uitkomst: Het opstalrecht is nietig verklaard en de Kosterij c.s. is gehouden het eigendom van het schoolgebouw en de grond over te dragen aan Stichting CPOB.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/583699 / HA ZA 24-546
Vonnis van 26 november 2025
in de zaak van
De publiekrechtelijke rechtspersoon GEMEENTE BUREN,
gevestigd in Buren,
eisende partij,
hierna te noemen: de Gemeente Buren,
advocaat: mrs. H.J.F. Oetgens van Waveren Pancras Clifford en I.R.P.J. van Ham,
tegen

1.Het kerkgenootschap PROTESTANTSE GEMEENTE TE RAVENSWAAIJ,

gevestigd in Ravenswaaij,
2.
De rechtspersoon naar kerkelijk recht KOSTERIJ DER HERVORMDE GEMEENTE VAN RAVENSWAAIJ,
gevestigd in Ravenswaaij,
gedaagde partijen,
hierna samen te noemen: de Kosterij c.s.,
advocaat: mr. C.J.R. van Binsbergen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 8 mei 2024 met producties 1 tot en met 28,
- de conclusie van antwoord met producties 1 tot en met 3,
- het verwijzingsvonnis van de rechtbank Gelderland van 30 oktober 2024,
- de akte overlegging producties 4 tot en met 6 aan de zijde van de Kosterij c.s.,
- de akte overlegging productie 7 aan de zijde van de Kosterij c.s.,
- de akte overlegging producties 29 tot en met 33, met daarin een wijziging van eis, aan de zijde van de Gemeente Buren,
- de mondelinge behandeling van 19 februari 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt,
- de akte uitlating, tevens overlegging productie 34 aan de zijde van de Gemeente Buren,
- de akte uitlating, tevens overlegging producties 8 tot en met 11 aan de zijde van de Kosterij c.s.,
- de akte uitlating aan de zijde van de Gemeente Buren,
- de akte uitlating aan de zijde van de Kosterij c.s.
1.2.
Ten slotte is bepaald dat op 3 september 2025 een vonnis zou worden uitgesproken in deze procedure. Wegens omstandigheden is deze datum verschoven naar vandaag.

2.De kern van de zaak

2.1.
De Gemeente Buren en de Kosterij c.s. twisten over de vraag bij wie het eigendom van het gebouw en de bijbehorende grond van de Ds. Derksenschool in Ravenswaaij moet (komen te) liggen. Op dit moment is de Kosterij c.s. eigenaar, maar volgens de Gemeente Buren mag dat niet vanwege de regels uit de Wet op het primair onderwijs (hierna: WPO). Hierom vordert de Gemeente Buren meerdere verklaringen voor recht met als doel dat de Kosterij c.s. haar eigendom nu, of als de school ophoudt te bestaan, moet overdragen. De Kosterij c.s. is het daar niet mee eens en voert verschillende verweren.

3.De achtergrond van de zaak

3.1.
De Ds. Derksenschool is opgericht in de jaren vijftig van de vorige eeuw. Volgens het kadaster was de Kosterij c.s. tot 2004 eigenaar van het schoolgebouw en het bijbehorende terrein, en vormde de Kosterij c.s. bovendien ook het bevoegd gezag van deze school. In een akte van 17 december 2003 (hierna: de Akte) heeft de Kosterij c.s. het bevoegd gezag per 1 januari 2004 overgedragen aan Stichting Christelijk Primair Onderwijs Betuwe en Bommelerwaard (hierna: Stichting CPOB). In de Akte is verder bepaald dat ten gunste van Stichting CPOB een recht van opstal is gevestigd, op het schoolgebouw en de daarbij behorende grond door de Kosterij c.s. Dit recht van opstal geldt zolang de school nog bestaat.
3.2.
Tussen de Gemeente Buren en de Kosterij c.s. bestaat nu een verschil van mening over de vraag of de Ds. Derksenschool onder het economisch claimrecht van de gemeente valt. Dit claimrecht is opgenomen in artikel 110 WPO Pro en bepaalt dat het eigendomsrecht op het schoolgebouw en -terrein om niet wordt overgedragen aan de gemeente, wanneer de school ophoudt te bestaan. Voorwaarde is wel dat het schoolgebouw of -terrein volledig met overheidsgeld is bekostigd. Met het economisch claimrecht heeft de wetgever namelijk beoogd gemeentes te compenseren voor de gedane investeringen in huisvesting van scholen.
3.3.
Volgens de Gemeente Buren heeft zij zowel het schoolgebouw als de bijbehorende grond van de Ds. Derksenschool volledig gefinancierd. Hierom vindt de Gemeente Buren dat zij gebruik kan maken van het economisch claimrecht als de school op enig moment in de toekomst ophoudt te bestaan. De Kosterij c.s. is het daar niet mee eens omdat er volgens haar nooit publieke middelen zijn besteed aan de aankoop van de grond waar de Ds. Derksenschool op staat. Partijen zijn al een aantal jaar met elkaar in gesprek over de (toekomstige) eigendomssituatie van de Ds. Derksenschool maar dit heeft niets opgeleverd.
Hierom vordert de Gemeente Buren verschillende verklaringen voor recht met de bedoeling dat de Kosterij c.s. haar eigendom over de school en het bijbehorende terrein nu, of wanneer de school ophoudt te bestaan, overdraagt.

4.De beoordeling

4.1.
De rechtbank zal alleen de derde vordering van de Gemeente Buren toewijzen. Voor de overige vorderingen geldt dat de rechtbank die zal afwijzen, of de Gemeente Buren daarin niet-ontvankelijk zal verklaren. De rechtbank legt hieronder uit waarom zij zo beslist.
4.2.
Eerst overweegt zij nog het volgende. De Gemeente Buren heeft in deze procedure zowel de Protestantse Gemeente te Ravenswaaij, als de Kosterij Der Hervormde Gemeente Van Ravenswaaij gedagvaard. Tijdens de procedure is gebleken dat de Kosterij Der Hervormde Gemeente Van Ravenswaaij geen rechtspersoonlijkheid heeft, en slechts onderdeel uitmaakt van de Protestantse Gemeente te Ravenswaaij. In navolging van alle procespartijen heeft de rechtbank hen gezamenlijk als de Kosterij c.s. aangeduid in dit vonnis. Onder deze aanduiding vallen ook andere benamingen die door procespartijen zijn gebruikt voor de Protestantse Gemeente te Ravenswaaij, waaronder ‘de kerkenraad’. Ook daarvoor geldt namelijk dat niet is gesteld of gebleken dat het om zelfstandige juridische entiteiten gaat.
De rechtbank wijst vorderingen 1 en 2 van Gemeente Buren af
4.3.
De Gemeente Buren vordert allereerst dat de rechtbank voor recht verklaart dat het gedeelte van de Akte dat gaat over de vestiging van het opstalrecht nietig is, en dat het eigendom van het schoolgebouw en het bijbehorende terrein daarom bij Stichting CPOB ligt. Daarnaast vordert de Gemeente Buren dat de rechtbank de Kosterij c.s. veroordeelt om mee te werken aan de inschrijving hiervan in de openbare registers. Deze vorderingen zijn gegrond op haar stelling dat (eventuele) nietigheid van de bepalingen over het opstalrecht, overdracht van eigendom aan Stichting CPOB tot gevolg moet hebben. Maar die stelling vindt de rechtbank niet juist.
4.4.
Omdat de Gemeente Buren van mening is dat zij zowel het schoolgebouw als de bijbehorende grond van de Ds. Derksenschool volledig heeft gefinancierd, beroept zij zich op artikel 106 lid 2 WPO Pro. Hierin is bepaald dat het bevoegd gezag van zulke scholen het gebouw en terrein alleen mag bezwaren met een zakelijk recht (hier dus een opstalrecht), als de gemeente daar toestemming voor heeft gegeven. Gebeurt dit niet, dan is deze rechtshandeling nietig. In dit geval stelt de Gemeente Buren dat zij geen toestemming heeft gegeven aan de Kosterij c.s. toen de Kosterij c.s. ten gunste van Stichting CPOB een recht van opstal vestigde in de Akte. Hierom wil de Gemeente Buren dat de rechtbank alle bepalingen over het opstalrecht nietig verklaart en (volgens de Gemeente Buren) in lijn met de overige tekst van de Akte verklaart dat de school in eigendom is overgedragen aan Stichting CPOB. Daarbij wijst de Gemeente Buren op een van de eerste bepalingen uit de Akte, waarin staat dat de juridische eigendom van alle genoemde scholen in de akte wordt overgedragen aan Stichting CPOB. [1]
4.5.
De rechtbank begrijpt de vordering van de Gemeente Buren zo dat zij een beroep doet op partiële nietigheid (artikel 3:41 BW Pro) van de Akte. Hiermee kan een rechtshandeling in stand blijven, ook als een deel daarvan (hier dus alle bepalingen over opstal) nietig is. Van belang is wel dat dit alleen kan als het deel dat in stand blijft, niet onlosmakelijk verbonden is met het nietige deel. In dit geval is daar geen sprake van naar het oordeel van de rechtbank. Uit de toelichting van de Kosterij c.s. volgt dat zij in de veronderstelling was (en nog steeds is) dat de gemeente de grond onder de school niet heeft gefinancierd, en het dus was toegestaan om op deze manier een recht van opstal te vestigen. Hierom heeft zij er in de Akte uitdrukkelijk voor gekozen om voor de Ds. Derksenschool een uitzondering (het opstalrecht) te maken op de bepaling waaruit volgde dat de juridische eigendom zou worden overgedragen. Naar het oordeel van de rechtbank is de bepaling over het opstalrecht daarom onlosmakelijk verbonden met de overige afspraken uit de Akte over de Ds. Derksenschool. Voor een geval als dit biedt artikel 3:41 BW Pro met de mogelijkheid van partiële nietigheid dan ook geen uitkomst.
4.6.
Mochten de bepalingen over het opstalrecht nietig zijn, dan betekent dit dus niet dat er sprake is van overdracht van eigendom aan Stichting CPOB. De Akte kan niet enkel voor wat betreft de bepalingen over opstal nietig worden verklaard zoals de Gemeente Buren heeft gevorderd.
De rechtbank wijst vordering 3 van de Gemeente Buren toe, maar de Gemeente Buren is niet-ontvankelijk in vordering 4
4.7.
De Gemeente Buren vordert subsidiair dat de rechtbank voor recht verklaart dat het gedeelte van de Akte over de vestiging van het opstalrecht nietig is, en dat de Kosterij c.s. gehouden is het eigendom van het schoolgebouw en het bijbehorende terrein aan Stichting CPOB over te dragen. Om deze reden vraagt de Gemeente Buren de rechtbank ook om de Kosterij c.s. te gebieden het schoolgebouw en het bijbehorende terrein aan Stichting CPOB over te dragen. Het gaat dus om een verklaring voor recht, met daaraan gekoppeld en daarvan afhankelijk een veroordeling om mee te werken aan inschrijving in de openbare registers. De reden voor beide vorderingen is volgens de Gemeente Buren dat het bevoegd gezag (nu dus Stichting CPOB) ook eigenaar moet zijn van het schoolgebouw en het bijbehorende terrein, als de Gemeente Buren ooit gebruik wil kunnen maken van het economisch claimrecht. De rechtbank zal de verklaring voor recht toewijzen omdat:
de Gemeente Buren ontvankelijk is in deze vordering;
de bepalingen over het opstelrecht nietig zijn;
de gemeente gehouden is tot overdracht van het eigendom van het schoolgebouw en het bijbehorende terrein aan Stichting CPOB; en
deze vordering van de gemeente niet is verjaard.
De rechtbank legt dit hieronder uit.
4.8.
Voordat zij dit doet, overweegt de rechtbank nog het volgende over de vordering van de Gemeente Buren om de Kosterij c.s. te bevelen de school aan Stichting CPOB over te dragen. De rechtbank zal deze vordering van de Gemeente Buren afwijzen. Dit kan de Gemeente Buren namelijk niet vorderen. Deze vordering van de Gemeente Buren strekt tot veroordeling tot overdracht van eigendom door een partij, niet zijnde de Gemeente Buren, aan een andere partij, niet zijnde de Gemeente Buren. Artikel 3:296 BW Pro bepaalt echter dat hij die tegenover een ander verplicht is iets te geven daartoe door de rechter, alleen op vordering van de gerechtigde, wordt veroordeeld. In dit geval is geen sprake van een vordering van de eventuele gerechtigde tot de overdracht (Stichting CPOB), maar van een derde (de Gemeente Buren). Dat betekent dat de Gemeente Buren deze vordering onbevoegdelijk heeft ingesteld en dat de Gemeente Buren in zoverre niet in haar vordering kan worden ontvangen. Mocht de Gemeente Buren met deze vordering hebben bedoeld dat de Kosterij c.s. moet worden bevolen om niet meer onrechtmatig te handelen tegenover de Gemeente Buren (omdat de Kosterij c.s. zich niet aan bepalingen uit de WPO houdt), dan is zij ook niet-ontvankelijk in deze vordering. Het is wel zo dat naleving van rechtsplichten waarvan niet-naleving een onrechtmatige daad oplevert, kan worden gevorderd door verbods- of bevelsacties. Maar in dat geval kan alleen worden bevolen een onrechtmatige toestand te beëindigen. Een bevel om de school over te dragen aan Stichting CPOB strekt verder dan alleen de verplichting om de hier spelende onrechtmatige toestand te beëindigen en is dus niet mogelijk.
a) De Gemeente Buren is ontvankelijk in deze vordering
4.9.
De Kosterij c.s. voert onder meer aan dat de Gemeente Buren geen verklaring van recht kan vorderen over de Akte, omdat de Gemeente Buren hier zelf helemaal geen partij bij is. De rechtbank begrijpt dit standpunt van de Kosterij c.s. zo dat zij hiermee bedoelt dat de Gemeente Buren niet is aan te merken als een onmiddellijk betrokken persoon bij de Akte in de zin van artikel 3:302 BW Pro, terwijl dat wel vereist is om daar een verklaring voor recht over te vorderen. Maar naar het oordeel van de rechtbank gaat dit niet op. Zoals hieronder uiteengezet vanaf 4.11, was namelijk toestemming van de Gemeente Buren vereist toen de Kosterij c.s. en Stichting CPOB het opstalrecht vestigden in de Akte. Hieruit volgt dat de Gemeente Buren onmiddellijk betrokken is bij de Akte waar de door haar gevorderde verklaring voor recht over gaat.
4.10.
De Kosterij c.s. voert daarnaast aan dat de Gemeente Buren geen belang heeft bij een verklaring voor recht dat de Kosterij c.s. de school en het bijbehorende terrein moet overdragen aan Stichting CPOB. Volgens de Kosterij c.s. kunnen de Gemeente Buren en Stichting CPOB met die verklaring namelijk geen overdracht van de school en het bijbehorende terrein (meer) afdwingen. Ook daar gaat de rechtbank aan voorbij. Los van de vraag of er rechtsgevolgen te verbinden zijn aan de verklaring voor recht, speelt in dit geschil nog iets anders mee. De discussie tussen de Gemeente Buren en de Kosterij c.s., loopt al meer dan vijf jaar. Hierin draait het vooral om de vraag of kan worden vastgesteld dat de Gemeente Buren de grond onder de Ds. Derksenschool heeft gefinancierd. Met deze verklaring voor recht krijgt de Gemeente Buren daar duidelijkheid over. Alleen al om die reden heeft de Gemeente Buren er voldoende belang bij.
c) De bepalingen over het opstelrecht in de Akte zijn nietig
4.11.
Zoals onder 4.4 is overwogen, geldt een bezwaringsverbod voor scholen waarbij de gemeente zowel het gebouw als terrein volledig heeft gefinancierd. Alleen wanneer de gemeente toestemming heeft gegeven is de vestiging van een zakelijk recht in dat geval niet nietig. Vast staat dat de Kosterij c.s. geen toestemming van de Gemeente Buren heeft gekregen, toen zij het recht van opstal vestigde ten gunste van Stichting CPOB met de Akte. Die toestemming was wel vereist, omdat naar het oordeel van de rechtbank is gebleken dat de Gemeente Buren zowel de grond als het terrein van de Ds. Derksenschool volledig heeft gefinancierd. De bepalingen uit de Akte waarmee het recht van opstal wordt gevestigd, zijn dus nietig. Op grond waarvan is gebleken dat het gebouw en de grond volledig door de Gemeente Buren zijn gefinancierd, licht de rechtbank hieronder toe.
4.12.
Tussen partijen staat allereerst vast dat het schoolgebouw volledig met het geld van de Gemeente Buren is bekostigd. De Gemeente Buren stelt daarnaast dat zij op twee momenten de grond onder de Ds. Derksenschool heeft bekostigd. De eerste keer was volgens de Gemeente Buren toen de Ds. Derksenschool in 1952 werd opgericht. Hierbij wijst de Gemeente Buren op een brief uit 1951 over de Ds. Derksenschool waarin staat vermeld dat ‘
de kosten van inbreng van de grond en bouwrijpmaken’worden begroot op ƒ 5.650,-. Daarnaast heeft zij een andere brief uit 1952 overgelegd waarin de Gemeente Buren nog eens bevestigt dat deze post is meegenomen in de bij raadsbesluit vastgestelde begroting voor de bouw van de Ds. Derksenschool. Hier is door de Kosterij c.s. onvoldoende tegen ingebracht. Volgens de Kosterij c.s. gaat het in die brieven om een fictief bedrag, en was deze post alleen bedoeld om een door de Kosterij c.s. aan de Gemeente Buren te betalen waarborgsom vast te stellen. Maar aangezien de post voor de inbreng van de grond een uitgave van de Gemeente Buren zelf betreft (en dus niet een ontvangst), gaat de rechtbank hier niet in mee. De Kosterij c.s. heeft verder ook geen stukken overgelegd waaruit blijkt dat zij destijds een waarborgsom van ƒ 5.650,- aan de Gemeente Buren heeft betaald.
4.13.
De Gemeente Buren stelt dat zij vervolgens in 1985 een stuk grond voor de uitbreiding van de school heeft bekostigd. Volgens de Gemeente Buren ging het toen in totaal om een bedrag van ƒ 18.420,-. Ter onderbouwing wijst zij op interne memo’s, haar eigen grootboekkaart uit 1985 en een brief van de Kosterij c.s., waarin dat bedrag telkens staat vermeld als post voor de aankoop van grond in het kader van de uitbreiding van de school. De Kosterij c.s. betwist niet dat de Gemeente Buren dit bedrag destijds heeft betaald, maar voert aan dat het geld niet is besteed aan de aankoop van de grond. Volgens de Kosterij c.s. is het bedrag destijds betaald aan het bevoegd gezag van de school, terwijl de Kosterij c.s. het geld had moeten krijgen als verkoper van de grond voor de uitbouw. Deze betwisting gaat niet op, omdat naar het oordeel van de rechtbank de Kosterij c.s. hiermee ten onrechte een onderscheid maakt tussen zichzelf en de Ds. Derksenschool. De Kosterij c.s. was in 1985 namelijk zelf het bevoegd gezag van die school. Dat de school en haar bevoegd gezag geen deel uitmaakten van de Kosterij c.s. is dan ook onvoldoende gebleken. Weliswaar heeft de Kosterij c.s. stukken overgelegd waaruit volgt dat de school een eigen financiële administratie had, maar ook is het zo dat:
- de Kosterij c.s. in eigen naam (en niet namens de school en haar bevoegd gezag) om de vergoeding voor de grond heeft gevraagd bij de Gemeente Buren;
- de Kosterij c.s. niet heeft aangevoerd, laat staan onderbouwd, wat voor aparte juridische entiteit de school dan is geweest destijds;
- de financiële administratie van de school waarnaar de Kosterij c.s. verwijst is opgesteld in opdracht van de Kosterij c.s., niet de school en haar bevoegd gezag [2] ; en
- niet is weersproken dat de Kosterij c.s. destijds alle zeggenschap had over die financiële administratie en dus ook zelf kon bepalen waar het geld voor de grond terecht zou komen.
4.14.
Gelet op het voorgaande staat vast dat de Gemeente Buren het schoolgebouw en de bijbehorende grond van de Ds. Derksenschool heeft bekostigd. De Kosterij c.s. had dus toestemming moeten vragen aan de Gemeente Buren toen zij in de Akte een recht van opstal vestigde, met als gevolg dat het opstalrecht nietig is nu die toestemming ontbreekt.
d) De Kosterij c.s. is gehouden tot overdracht van het eigendom van het schoolgebouw en het bijbehorende terrein aan Stichting CPOB
4.15.
Volgens de Gemeente Buren is de Kosterij c.s. gehouden tot overdracht van het eigendom van het schoolgebouw en het bijbehorende terrein aan Stichting CPOB. Deze stelling is naar het oordeel van de rechtbank juist, zodat zij dit gedeelte van de gevorderde verklaring voor recht ook zal toewijzen.
4.16.
Zoals de rechtbank hiervoor heeft overwogen, heeft de Gemeente Buren zowel het schoolgebouw als de grond onder de Ds. Derksenschool gefinancierd. Dit brengt met zich mee dat in het geval van de Ds. Derksenschool artikel 49 WPO Pro ook van toepassing is. Hierin is bepaald onder welke voorwaarden het bevoegd gezag over een school kan worden overgedragen. Volgens de Gemeente Buren heeft de Kosterij c.s. zich niet aan deze voorwaarden gehouden toen zij het bevoegd gezag aan Stichting CPOB overdroeg in 2003, en geldt voor de Kosterij c.s. de verplichting om dit nu alsnog te doen.
4.17.
Uit artikel 49 lid 2 WPO Pro volgt dat het bevoegd gezag over een school kan worden overgedragen, maar dat hiermee ook ‘
de rechten ten aanzien van gebouwen en terreinen’over moeten gaan naar die andere rechtspersoon. Aan deze bepaling heeft de Kosterij c.s. niet voldaan, omdat zij nog altijd eigenaar is van alle grond onder de school en het opstalrecht voor het schoolgebouw alleen van tijdelijke aard is. Omdat de Kosterij c.s. echter wel al het bevoegd gezag heeft overgedragen, is zij vanwege artikel 49 lid 2 WPO Pro verplicht om ook het schoolgebouw en de grond onder de Ds. Derksenschool over te dragen aan Stichting CPOB.
e) De vordering van de gemeente niet is verjaard
4.18.
Voor zover de Kosterij c.s. nog heeft bedoeld dat de vordering van de Gemeente Buren om deze verklaring voor recht te vragen is verjaard, slaagt dit verweer niet.
4.19.
De verjaringstermijn bedraagt in dit geval twintig jaar en is vanwege de datum van de Akte gaan lopen vanaf 18 december 2023, zoals de Kosterij c.s. ook terecht stelt. Omdat sinds deze datum meer dan twintig jaar is verstreken, is de vordering van de Gemeente Buren volgens de Kosterij c.s. verjaard. Dat meer dan twintig jaren zijn verstreken sinds de vordering opeisbaar is, betekent echter niet altijd dat de vordering ook verjaard is. De verjaringstermijn kan worden gestuit door een schriftelijke aanmaning, wanneer die aanmaning binnen zes maanden wordt gevolgd door het instellen van een rechtsvordering. Dit heeft tot gevolg dat de verjaringstermijn wordt afgebroken.
4.20.
In dit geval heeft de Gemeente Buren de verjaring op tijd gestuit. In een e-mailbericht van 13 november 2023 heeft de Gemeente Buren de Kosterij c.s. namelijk onder meer laten weten een beroep te doen op de nietigheid van verschillende bepalingen uit de Akte. Verder staat in die e-mail expliciet vermeld dat eventuele lopende verjaringstermijnen worden gestuit. Omdat de dagvaarding in deze procedure op 8 mei 2024 aan de Kosterij c.s. is betekend, is deze aanmaning van 13 november 2023 opgevolgd door het instellen van een eis binnen zes maanden.
4.21.
De conclusie is daarom dat de rechtbank de gevorderde verklaring voor recht kan toewijzen. Dit geldt niet voor de daaraan gekoppelde vordering tot veroordeling om mee te werken aan inschrijving in de openbare registers.
Gemeente Buren is niet-ontvankelijk in vorderingen 5 tot en met 8
4.22.
De Gemeente Buren vordert ook verschillende verklaringen voor recht die allemaal gaan over de situatie waarin de Ds. Derksenschool op enig moment ophoudt te bestaan. De rechtbank verklaart de Gemeente Buren niet-ontvankelijk in deze vorderingen vanwege het ontbreken van voldoende belang in de zin van art. 3:303 BW Pro.
4.23.
Zoals hiervoor overwogen is, moet degene die een verklaring voor recht vordert voldoende belang bij die vordering hebben. Wanneer de verklaring voor recht gaat over een toekomstige situatie is hiervoor vereist dat er een reële kans bestaat dat die toekomstige situatie zich ook daadwerkelijk voordoet. De verklaringen voor recht gaan in dit geval over het moment waarop de Ds. Derksenschool ophoudt te bestaan en volgens partijen is die situatie nu nog niet aan de orde. Daarom moet in ieder geval vast komen te staan dat er een reële kans bestaat dat de school op korte termijn zal ophouden te bestaan. Maar niet is gebleken dat die kans ook aanwezig is.
4.24.
Zo gaf de Gemeente Buren in de dagvaarding zelf aan dat zij niet verwachtte dat de school in de nabije toekomst zal ophouden te bestaan. Hier is de Gemeente Buren tijdens de zitting wel nog op teruggekomen door te verwijzen naar een krantenartikel over een mogelijke fusie van de Ds. Derksenschool. Naar het oordeel van de rechtbank is dit alleen onvoldoende om van een reële kans te kunnen spreken. Zo had de Gemeente Buren haar stelling, dat er daadwerkelijk een kans bestaat dat de school ophoudt te bestaan, nader kunnen onderbouwen met verklaringen van betrokkenen, concrete gegevens (zoals leerlingenaantallen) of beleidsplannen van het schoolbestuur. Dit heeft de Gemeente Buren nagelaten. De verklaring voor recht (en het belang) is daarom onvoldoende concreet omschreven en daarmee niet toewijsbaar. Hierbij benadrukt de rechtbank wel dat zij het belang van Gemeente Buren bij opheldering over de al jaren lopende discussie met de Kosterij c.s. begrijpt. Maar de gevorderde verklaring voor recht die betrekking heeft op het moment waarop de school ophoudt te staan, is niet de aangewezen route om deze discussie te beslechten.
Conclusie
4.25.
De slotsom is dat alleen vordering 3 van de Gemeente Buren zal worden toegewezen. Voor de overige vorderingen geldt dat de rechtbank die zal afwijzen of Gemeente Buren niet-ontvankelijk zal verklaren.
De proceskosten worden gecompenseerd
4.26.
De proceskosten zullen tussen partijen worden gecompenseerd, dat betekent dat iedere partij zijn eigen kosten draagt. De reden hiervoor is dat partijen over en weer op punten in het ongelijk zijn gesteld.

5.De beslissing

De rechtbank
5.1.
wijst de vorderingen 1 en 2 van de Gemeente Buren af,
5.2.
verklaart voor recht dat het gedeelte van de akte van 17 december 2003
dat ziet op vestiging van het opstalrecht door de Kosterij c.s. aan Stichting
CPOB (en met het opstalrecht verband houdende bepalingen) nietig is (zijn), en dat
de Kosterij c.s. gehouden is tot overdracht van het eigendom van het schoolgebouw en
het onderliggende en omliggende terrein gelegen aan het adres Donkerstraat 3 te
Ravenswaaij, op de percelen kadastraal bekend Maurik G 1112 en Maurik G 1113
aan Stichting CPOB,
5.3.
verklaart de Gemeente Buren niet-ontvankelijk in haar overige vorderingen,
5.4.
bepaalt dat ieder van partijen de eigen proceskosten draagt,
5.5.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. J.A. Schuman en in het openbaar uitgesproken door
mr. J.K.J. van den Boom op 26 november 2025.
5793

Voetnoten

1.Productie 6 aan de zijde van de Gemeente Buren: ‘
2.Zie productie 8 aan de zijde van de Kosterij c.s.