ECLI:NL:RBMNE:2025:7359

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
9 december 2025
Publicatiedatum
23 januari 2026
Zaaknummer
16/189598-21
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Medeplichtigheid aan hennepteelt en vrijspraak voor diefstal van elektriciteit

Op 9 december 2025 heeft de Rechtbank Midden-Nederland uitspraak gedaan in een strafzaak tegen een verdachte die beschuldigd werd van medeplichtigheid aan het telen van hennepplanten en diefstal van elektriciteit. De verdachte had zijn gehuurde woning ter beschikking gesteld voor de aanleg van een hennepkwekerij. De officier van justitie beschuldigde de verdachte ervan dat hij op 20 april 2021 in Almere samen met anderen 214 hennepplanten had geteeld en elektriciteit had gestolen van Liander N.V. Tijdens de zitting op 25 november 2025 heeft de verdachte verklaard dat hij slechts zijn huurwoning ter beschikking had gesteld aan onbekende personen en verder geen betrokkenheid had bij de hennepkwekerij. De rechtbank oordeelde dat er onvoldoende bewijs was voor de beschuldigingen van het medeplegen van hennepteelt en diefstal van elektriciteit. De rechtbank sprak de verdachte vrij van deze feiten, maar verklaarde wel bewezen dat hij medeplichtig was aan het telen van hennepplanten, omdat hij opzettelijk gelegenheid had verschaft door zijn woning ter beschikking te stellen. De rechtbank legde een voorwaardelijke taakstraf van 80 uren op met een proeftijd van twee jaar, rekening houdend met de overschrijding van de redelijke termijn in de procedure. De rechtbank benadrukte de ernst van de feiten, maar ook de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, die zijn leven weer op orde had.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats: Lelystad
Parketnummer: 16/189598-21
Tegenspraak
Vonnis van de meervoudig kamer van 9 december 2025 in de strafzaak van:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1987 in [geboorteplaats] ,
verblijvende op het adres [adres 1] in [plaats] ,
hierna: de verdachte.

1.Zitting

De strafzaak van de verdachte is inhoudelijk behandeld op de openbare zitting van 25 november 2025.
Op de zitting waren aanwezig:
  • de verdachte;
  • de officier van justitie: mr. G.A. Hoppenbrouwers;
  • de advocaat van de verdachte: mr. J.M. Keizer.

2.Tenlastelegging

De officier van justitie beschuldigt de verdachte ervan dat hij, samengevat:
feit 1 primair
op 20 april 2021 in een pand aan de [adres 2] in [plaats] samen met anderen 214 hennepplanten heeft geteeld en/of aanwezig heeft gehad.
Subsidiairwordt de verdachte ervan beschuldigd dat hij opzettelijk behulpzaam is geweest bij het telen en/of aanwezig hebben van 214 hennepplanten op voornoemde datum door het pand aan de [adres 2] in [plaats] in de periode van 17 juli 2020 tot en met 20 april 2021 ter beschikking te stellen.
Daarnaast wordt de verdachte ervan beschuldigd dat hij:
feit 2
in de periode van 17 juli 2020 tot 20 april 2021 in Almere samen met anderen elektriciteit van Liander N.V. heeft weggenomen door middel van braak of verbreking.
De volledige tekst van de beschuldiging staat in bijlage I bij dit vonnis.

3.Bewijs

3.1.
Standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat kan worden bewezen dat de verdachte de feiten 1 primair en 2 heeft gepleegd.
De officier van justitie vindt de verklaringen van de verdachte, namelijk dat hij slechts zijn huurwoning ter beschikking heeft gesteld aan mensen die hij niet (goed) kende en verder geen betrokkenheid heeft gehad bij de hennepkwekerij, ongeloofwaardig. Dat de verdachte betrokken is bij de hennepkwekerij blijkt bovendien ook uit de omstandigheden. Bijvoorbeeld heeft de verdachte de schade aan Liander N.V. betaald doordat ten behoeve van de hennepteelt elektriciteit van Liander N.V. is gestolen.
3.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat van de verdachte verzoekt de rechtbank om de verdachte gedeeltelijk vrij te spreken van de feiten 1 primair en 2. Hij heeft hiertoe aangevoerd dat niet kan worden bewezen dat de verdachte zelf betrokken is geweest bij het inrichten en/of onderhouden van de hennepkwekerij. Hij heeft slechts de huurwoning die op zijn naam stond ter beschikking gesteld.
3.3.
Oordeel van de rechtbank
3.3.1.
Vrijspraak feit 1 primair
De rechtbank overweegt dat het scenario dat de verdachte heeft geschetst niet wordt weerlegd door de bewijsmiddelen. De verdachte heeft verklaard dat hij zijn gehuurde appartement ter beschikking heeft gesteld voor het opzetten van een hennepkwekerij en verder hierbij geen betrokkenheid heeft gehad. Deze verklaring van de verdachte niet wordt weerlegd door de inhoud van het strafdossier. In het dossier bevinden zich onvoldoende bewijsmiddelen om te concluderen dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en anderen bij het kweken en/of aanwezig hebben van hennep. Niet kan worden bewezen dat de verdachte zelf handelingen heeft verricht of anderszins betrokken is geweest bij de inrichting of de verzorging van de hennepkwekerij. De rechtbank zal de verdachte daarom vrijspreken van het (mede)plegen.
3.3.2.
Vrijspraak feit 2
De rechtbank oordeelt dat feit 2 (diefstal van elektriciteit) niet is bewezen en zal de verdachte daarvan vrijspreken. Er zijn namelijk onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat de verdachte zelf werkzaamheden heeft verricht aan de elektriciteitsvoorziening of dat hij wist dat de elektriciteit illegaal werd afgetapt. Ook is niet gebleken dat de verdachte een substantiële, intellectuele dan wel materiële bijdrage heeft geleverd aan de diefstal van de elektriciteit, zodat van medeplegen geen sprake kan zijn. Niet is gebleken dat de verdachte na het afgeven van de sleutels nog in de woning is geweest. Als al kan worden vastgesteld dat de verdachte wetenschap heeft gehad van de wegneming van de elektriciteit buiten de meter om, is wetenschap op zichzelf beschouwd niet voldoende om te kunnen worden aangemerkt als een dergelijke voldoende significante of wezenlijke bijdrage aan het delict.
3.3.3.
Bewijsmiddelen feit 1 subsidiair
De rechtbank oordeelt dat feit 1 subsidiair wel is bewezen. De rechtbank baseert dit oordeel op de volgende bewijsmiddelen: [1]
De verdachte heefttijdens de zitting onder meer – zakelijk weergegeven – het volgende verklaard:
Ik huurde vanaf 1 oktober 2019 het appartement aan de [adres 2] in [plaats] . In november 2020 heb ik [persoon] de sleutel van het appartement gegeven. We hadden afgesproken dat [persoon] en een ander persoon een hennepkwekerij zouden opzetten in de woning.
In een proces-verbaal aantreffen hennepkwekerijis door verbalisant [verbalisant] onder meer – zakelijk weergegeven – het volgende gerelateerd:
Op het adres [adres 2] , [postcode] [plaats] , staat ingeschreven [verdachte] , geboren op [geboortedatum] 1987. [2] Na binnentreden op 20 april 2021 werd er een in werking zijnde hennepkwekerij aangetroffen.
Kweekruimte 1 [3] Een (grotere)slaapkamer was geheel volledig lichtdicht gemaakt en geheel ingericht voor de kweek van hennepplanten. In deze kweekruimte stonden in totaal 144 hennepplanten. Ik zag dat de hennepplanten oogstrijp waren.
Kweekruimte 2Een (kleinere)slaapkamer was geheel volledig lichtdicht gemaakt en geheel ingericht voor de kweek van hennepplanten. In deze kweekruimte stonden in totaal 70 hennepplanten. Ik zag dat de hennepplanten oogstrijp waren.
Ik constateerde, gezien de waargenomen uiterlijke kenmerken, kleur en vorm, en daarnaast de herkenbare geur, dat de aangetroffen planten in de kweekruimte hennepplanten betroffen.
3.3.4.
Bewijsoverwegingen feit 1 subsidiair
Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte in november 2020 de sleutel van zijn gehuurde appartement heeft afgegeven aan ene ‘ [persoon] ’, die samen met een ander persoon de hennepkwekerij zou opzetten. Op 20 april 2021 heeft de politie een in werking zijnde hennepkwekerij (214 hennepplanten) in de woning aangetroffen.
Uit deze bewijsmiddelen volgt dat de verdachte medeplichtig is geweest aan het telen en aanwezig hebben van hennepplanten. De verdachte wist namelijk bij het afgeven van de sleutels dat er een hennepkwekerij in de woning zou worden gestart. De rechtbank oordeelt dat de verdachte zowel opzet heeft gehad op het behulpzaam zijn (door het ter beschikking stellen van de door hem gehuurde woning vanaf november 2020), als opzet op het telen en aanwezig hebben van hennepplanten. De rechtbank komt daarmee tot een bewezenverklaring van feit 1 subsidiair.
3.4.
Bewezenverklaring
De rechtbank verklaart bewezen dat de verdachte:
onbekend gebleven personen op 20 april 2021 te Almere met elkaar opzettelijk hebben geteeld en opzettelijk aanwezig hebben gehad (in een pand aan de [adres 2] ) een hoeveelheid van in totaal 214 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, tot en bij het plegen van welke misdrijven verdachte omstreeks de periode van 1 november 2020 tot ppen met 20 april 2021 te Almere opzettelijk gelegenheid en opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die onbekend gebleven personen voornoemd pand voor de teelt/het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen.
De rest van de tekst van de beschuldiging kan niet worden bewezen. De verdachte wordt daarvan vrijgesproken.
De taal- en/of schrijffouten die in de tekst van de beschuldiging voorkomen zijn in de bewezenverklaring verbeterd. Dit benadeelt de verdachte niet.

4.Kwalificatie en strafbaarheid

4.1
KwalificatieHet bewezen feit levert het volgende strafbare feit op:
medeplichtigheid aan het medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, terwijl het feit betrekking heeft op een grote hoeveelheid van het middel
4.2
Strafbaarheid feit en verdachteHet feit en de verdachte zijn strafbaar.

5.Straf en/of maatregel

5.1.
Vordering van de officier van justitie
De officier van justitie eist dat de verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 120 uur, te vervangen door 60 dagen hechtenis als de verdachte deze taakstraf niet of niet goed uitvoert.
5.2.
Standpunt van de verdediging
De advocaat van de verdachte voert aan dat de verdachte zijn leven goed op orde heeft en hij, op een overtreding in 2018 na, niet eerder met politie in aanraking is gekomen. In stafmatigende zin moet worden meegewogen dat er sprake is van een extreme overschrijding van de redelijke termijn. De advocaat van de verdachte voert aan dat gelet daarop een bewezenverklaring van feit 1 subsidiair zonder strafoplegging redelijk is, dan wel een geheel voorwaardelijke geldboete of taakstraf.
5.3.
Oordeel van de rechtbank
Bij het bepalen van de straf houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit en de omstandigheden waaronder de verdachte dit feit heeft gepleegd. Ook weegt de rechtbank het strafblad van de verdachte en zijn persoonlijke omstandigheden mee.
Ernst en omstandigheden van het feit
De verdachte heeft zijn gehuurde woning ter beschikking gesteld voor de aanleg en het exploiteren van een hennepkwekerij. Vanwege relatieproblemen heeft de verdachte de woning gehuurd, maar nadat hij weer bij zijn partner ging wonen heeft hij de huur van het appartement aangehouden en dit ter beschikking gesteld voor de aanleg van een hennepkwekerij, zodat hij eraan kon verdienen. Vanuit het oogpunt van de volksgezondheid is hennepteelt ongewenst. Daarnaast is hennepteelt ongewenst omdat de handel in hennep allerlei andere vormen van (ook zware) criminaliteit in de hand werkt. Bovendien brengt de exploitatie van een hennepkwekerij in een woning brandgevaar met zich, mede door manipulatie van elektriciteitswerken. De verdachte heeft zich om die mogelijke gevolgen kennelijk niet bekommerd en heeft kennelijk alleen oog gehad voor zijn eigen belangen, afgaand op zijn verklaring dat hij zich heeft ingelaten met hennepteelt om hier makkelijk geld mee te verdienen. Dit rekent de rechtbank de verdachte aan.
Persoonlijke omstandigheden van de verdachte
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 20 oktober 2025. Hieruit blijkt dat de verdachte niet eerder onherroepelijk is veroordeeld voor strafbare feiten.
Daarnaast weegt de rechtbank mee dat de verdachte zijn leven goed op orde heeft. Hij woont weer bij zijn gezin, de relatie met zijn partner is stabieler en hij werkt in het onderwijs. De verdachte heeft aangegeven dat hij – door deze strafzaak – vreest voor zijn VOG.
Strafkader
Om in vergelijkbare zaken zoveel mogelijk gelijk te straffen, werken strafrechters met landelijke oriëntatiepunten. Deze zijn gebaseerd op opgelegde straffen in andere, vergelijkbare zaken. Het oriëntatiepunt voor meerderjarigen voor het aanwezig hebben van hennepplanten is een taakstraf van 120 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 maand. Dit geldt voor het (mede)plegen van het delict. De rechtbank neemt dit oriëntatiepunt als uitgangspunt, maar zal ervan afwijken en legt hierna uit waarom.
Redelijke termijn
De rechtbank stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. De eerste daad van vervolging is van 25 mei 2021 (de datum van het eerste politieverhoor) en de uitspraak in deze zaak vindt pas plaats op 9 december 2025, dus ruim vier en een half jaar later. De rechtbank constateert dat hierdoor sprake is van een ernstige schending van de redelijke termijn. Deze overschrijding is niet te wijten aan de verdachte. De rechtbank weegt de overschrijding van de redelijke termijn in strafmatigende zin mee.
Strafoplegging
De rechtbank wijkt af van de eis van de officier van justitie omdat zij uitgaat van een andere, minder vergaande bewezenverklaring. Aangezien de rechtbank heeft bewezen dat verdachte medeplichtig is geweest aan het telen en aanwezig hebben van hennepplanten, weegt zij bij het bepalen van de straf mee dat er voor deze deelnemingsvorm een wettelijk strafmaximum geldt, zijnde maximaal twee derde van de straf van een pleger.
De rechtbank legt, alles afwegende, aan de verdachte een geheel voorwaardelijke taakstraf van 80 uren op met een proeftijd van twee jaren.

6.Toegepaste wetsartikelen

De opgelegde straf is gebaseerd op de volgende wetsartikelen:
  • 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 48 en 49 van het Wetboek van Strafrecht en
  • 3 en 11 van de Opiumwet;
zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

7. De beslissing

De rechtbank:
vrijspraak
- verklaart niet bewezen dat de verdachte de feiten 1 primair en 2 heeft gepleegd en spreekt hem daarvan vrij;
bewezenverklaring
- verklaart bewezen dat de verdachte feit 1 subsidiair heeft gepleegd, zoals hierboven in paragraaf 3.4 is omschreven;
- verklaart het overige dat in de beschuldiging staat niet bewezen en spreekt hem daarvan vrij;
strafbaarheid feit
- verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en kwalificeert dit zoals hiervoor in paragraaf 4.1 is vermeld;
strafbaarheid verdachte
- verklaart de verdachte strafbaar voor het onder feit 1 subsidiair bewezenverklaarde;
straf
- veroordeelt de verdachte tot een
taakstraf van 80 (tachtig) uren;
- beveelt dat voor het geval de verdachte de taakstraf niet of niet naar behoren verricht de taakstraf wordt vervangen door 40 dagen hechtenis;
- bepaalt dat de taakstraf
niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders gelast op grond van het feit dat de verdachte de hierna te melden algemene of bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd;
- stelt daarbij een
proeftijd van 2 (twee) jarenvast;
- als voorwaarde geldt dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.M. van Meer, voorzitter, mr. R.B. Eigeman en mr. H.J. van Woudenberg, in tegenwoordigheid van mr. E.C. Kasper-Kerkdijk, griffier, en is in het openbaar uitgesproken op 9 december 2025.
De voorzitter en de jongste rechter zijn niet in de gelegenheid dit vonnis te ondertekenen.
Bijlage I: De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 20 april 2021 te Almere tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, opzettelijk heeft geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt,
in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad (in een pand aan de [adres 2] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 214, althans een groot aantal hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II, dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid van die wet;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
een of meer onbekend gebleven personen op of omstreeks 20 april 2021 te Almere met elkaar, althans één van hen, opzettelijk heeft/hebben geteeld en/of bereid en/of bewerkt en/of verwerkt, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft/hebben gehad (in een pand aan de [adres 2] ) een hoeveelheid van (in totaal) ongeveer 214, althans een groot aantal, hennepplanten en/of delen daarvan, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram van een materiaal bevattende hennep, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II,
tot en/of bij het plegen van welk(e) misdrijf/misdrijven verdachte in of omstreeks de periode van 17 juli 2020 tot en met 20 april 2021 te Almere, in elk geval in Nederland, meermalen, althans eenmaal (telkens) opzettelijk gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen heeft verschaft en/of opzettelijk behulpzaam is geweest, door aan die onbekend gebleven persoon/personen voornoemd pand voor de teelt/het kweken van hennepplanten ter beschikking te stellen;
2
hij in of omstreeks de periode van 17 juli 2020 tot 20 april 2021 te Almere tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, een hoeveelheid elektriciteit, in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan Liander N.V., in elk geval aan een ander dan aan verdachte en/of zijn mededader(s) toebehoorde(n) heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte en/of zijn mededader(s) zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft/hebben verschaft en/of dat/die weg te nemen
goed/goederen onder zijn/haar/hun bereik heeft/hebben gebracht door middel van braak en/of verbreking.

Voetnoten

2.Pagina 17.
3.Pagina 18.