ECLI:NL:RBMNE:2025:7352

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
8 december 2025
Publicatiedatum
22 januari 2026
Zaaknummer
16-182736-22
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing vordering tot tenuitvoerlegging van voorwaardelijk opgelegde PIJ-maatregel wegens overtreding van bijzondere voorwaarden

Op 8 december 2025 heeft de Rechtbank Midden-Nederland, zittingsplaats Utrecht, uitspraak gedaan in de zaak met parketnummer 16/182736-22. De rechtbank heeft de vordering tot tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde PIJ-maatregel toegewezen, omdat de veroordeelde, geboren in 2006, de bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd. De rechtbank heeft vastgesteld dat de veroordeelde niet heeft meegewerkt aan de behandeling bij [instelling 2] en dat hij zich niet aan de voorwaarden heeft gehouden. De rechtbank heeft de vordering van de officier van justitie, mr. D.M.A. van der Zwan en mr. N. Schapendonk, toegewezen, ondanks de argumenten van de verdediging dat de veroordeelde geen verwijt kan worden gemaakt voor het niet slagen van de behandeling. De rechtbank heeft geconcludeerd dat de veroordeelde een hoge kans op recidive heeft en dat behandeling noodzakelijk is. De rechtbank heeft de beslissing genomen in het belang van de veiligheid van personen en goederen en de ontwikkeling van de veroordeelde. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer voor strafzaken, bestaande uit drie kinderrechters, en is openbaar uitgesproken op 8 december 2025.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
Parketnummer: 16/182736-22 (tul bijz.)
Beslissing op grond van artikel 6:6:32, zesde lid, van het Wetboek van Strafvordering van de meervoudige kamer voor strafzaken van 8 december 2025
op de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van een eerder voorwaardelijk opgelegde PIJ-maatregel in de zaak tegen:
[veroordeelde] ,
geboren op [geboortedatum] 2006 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] , [postcode] [woonplaats] ,
op dit moment verblijvende in de [verblijfplaats] ,
hierna: [veroordeelde (voornaam)] .

1.De stukken

De rechtbank heeft acht geslagen op de zich in het dossier bevindende stukken, waaronder:
- het onherroepelijk geworden vonnis van de meervoudige kamer in deze rechtbank van 8 december 2023 in de zaak tegen [veroordeelde (voornaam)] met voormeld parketnummer, waarbij [veroordeelde (voornaam)] onder meer is veroordeeld tot een voorwaardelijke plaatsing in een inrichting voor jeugdigen voor de duur van twee jaar met een proeftijd van twee jaren. Aan deze voorwaardelijke maatregel heeft de rechtbank een aantal bijzondere voorwaarden verbonden, waaronder de voorwaarden dat [veroordeelde (voornaam)] :
• zich onder behandeling zal stellen van [instelling 1] (individueel en FAST of soortgelijke behandeling) of een soortgelijke instelling, zolang de jeugdreclassering dat nodig acht;
• zal meewerken aan begeleiding van een buddycoach of andere vorm van hulp, zolang de jeugdreclassering dat nodig acht;
• zal meewerken aan de plaatsing en het verblijven in een instelling
(behandelgroep/woongroep/begeleid wonen) en zich onder behandeling zal stellen op deze instelling, indien de jeugdreclassering dat nodig acht;
• zal meewerken aan het verkrijgen en behouden van een dagbesteding en zich zal houden aan zijn rooster;
• zal meewerken aan het verkrijgen en behouden van een positieve vrijetijdsinvulling;
• wordt verboden om verdovende middelen of alcohol te gebruiken en wordt verplicht ten behoeve van de naleving van dit verbod mee te werken
urineonderzoek, indien de jeugdreclassering dat noodzakelijk acht;
- de mededeling van de voorwaardelijke veroordeling, die op 29 december 2023 per post aan [veroordeelde (voornaam)] is toegezonden;
- de beslissing van deze rechtbank van 25 augustus 2025, waarin de bijzondere voorwaarden zijn gewijzigd en daaraan is toegevoegd dat [veroordeelde (voornaam)] gedurende de proeftijd moet meewerken aan een plaatsing en behandeling binnen een forensische klinische setting ( [instelling 2] , [.] ) en aan ambulante begeleiding nadien, zolang de jeugdreclassering dit nodig acht;
- de terugmeldingsbrief van De Jeugd- en Gezinsbeschermers van 10 juli 2025;
- het rapport van De Jeugd- en Gezinsbeschermers van 10 oktober 2025 waarin wordt aangestuurd op tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijk opgelegde PIJ-maatregel;
- de reactie van de ouders daarop van 3 november 2025 met drie behandelalternatieven;
- de briefreactie van De Jeugd- en Gezinsbeschermers van 6 november 2025;
- de tweede reactie namens de ouders;
- de afsluitbrieven van [instelling 1] van 6 december 2024, [instelling 3] van 24 juni 2025, en [instelling 2] van 16 oktober 2025;
- de vordering van de officier van justitie tot tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijk opgelegde PIJ-maatregel;
- de beslissing van de rechter-commissaris tot voorlopige tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde PIJ-maatregel.

2.Het onderzoek op de terechtzittingHet onderzoek heeft plaatsgevonden op de besloten zittingen van 11 november 2025 en – na heropening van het onderzoek – van 24 november 2025. Daarbij zijn gehoord:

- [veroordeelde (voornaam)] ;
- de ouders van [veroordeelde (voornaam)] ;
- de advocaat van [veroordeelde (voornaam)] , mr. N.C. Reehuis;
- de officieren van justitie, mr. D.M.A. van der Zwan (op 11 november 2025) en mr. N. Schapendonk (op 24 november 2025);
- [A] (De Jeugd- en Gezinsbeschermers);
- [B] (Raad voor de Kinderbescherming);
- [C] (GZ-psycholoog bij [instelling 3] ; op 24 november 2025).

3.De rapportage en de toelichting daarop

In het rapport van De Jeugd- en Gezinsbeschermers van 10 oktober 2025 wordt aangegeven dat [instelling 2] de plaatsing van [veroordeelde (voornaam)] heeft beëindigd en dat [veroordeelde (voornaam)] daar niet langer kan blijven. Daarmee wordt niet meer voldaan aan de bijzondere voorwaarde, zoals die door de rechtbank op 25 augustus 2025 is geformuleerd. De reden voor de beëindiging van de behandeling bij [instelling 2] is dat de behandeling te overvragend is en [veroordeelde (voornaam)] te zelfbepalend is om de samenwerking goed vorm te geven en om het therapeutisch klimaat voor de andere cliënten optimaal te houden. Een omgeving met meer accent op gedragscorrectie lijkt nodig.
[A] , jeugdreclasseringswerker, is op de zitting als deskundige gehoord en heeft verklaard dat zij de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke maatregel noodzakelijk vindt. Er zijn nog altijd grote zorgen over [veroordeelde (voornaam)] . Eerder is gesproken over een groot recidiverisico waarvoor behandeling noodzakelijk werd gevonden. Die behandeling is nooit goed van de grond gekomen. Lichtere varianten zijn geprobeerd, zoals een ambulante behandeling bij [instelling 1] en [instelling 3] . Die behandelingen zijn steeds gestopt, omdat daarbij onvoldoende bereikt werd en een intensievere vorm van begeleiding noodzakelijk bleek. Uit de terugkoppeling van [instelling 2] blijkt dat ook [instelling 2] niet de juiste zorg kan bieden en dat [veroordeelde (voornaam)] daar niet op zijn plek zat. [veroordeelde (voornaam)] lijkt heel gestructureerde begeleiding nodig te hebben, zoals die binnen de PIJ-maatregel geboden kan worden.
Ook [B] van de Raad van de Kinderbescherming is als getuige gehoord en zij is het eens met de conclusies van De Jeugd- en Gezinsbeschermers. Zij heeft verder verklaard dat het gehele traject zeer zorgvuldig is uitgevoerd.
Ook [C] is als getuige gehoord. Hij heeft op de zitting een algemene toelichting gegeven op het risicotaxatie-instrument FARE dat [instelling 3] hanteert bij het bepalen van het recidiverisico. Voor het overige heeft hij zich beroepen op het verschoningsrecht dat hem toekomt als behandelaar/psycholoog van [veroordeelde (voornaam)] .

4.De standpunten

4.1
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft op de zitting gevraagd de vordering toe te wijzen. De rechtbank heeft met de plaatsing in [instelling 2] aan [veroordeelde (voornaam)] een laatste kans gegeven. Er is een veroordeling uitgesproken voor zeer ernstige feiten. De zorgen zijn nog altijd groot omdat geen enkele behandeling goed van de grond is gekomen. Het recidiverisico blijft daardoor hoog. De officier van justitie heeft erop gewezen dat [veroordeelde (voornaam)] al veel kansen heeft gehad, maar zich zelfbepalend blijft opstellen.
4.2
Het standpunt van de verdediging
De advocaat van [veroordeelde (voornaam)] heeft als eerste gevraagd de beslissing aan te houden, zodat de alternatieven die de ouders hebben voorgesteld, onderzocht kunnen worden. In de rapportage van [instelling 2] staat namelijk dat de plaatsing stopt, omdat [instelling 2] geen goede plek voor [veroordeelde (voornaam)] is. Dat kan hem niet worden verweten en er is daarom aanleiding nog een keer op zoek te gaan naar een goede plek.
Als de rechtbank de beslissing niet aanhoudt, moet de vordering worden afgewezen. [veroordeelde (voornaam)] is bijna aan het eind van de proeftijd. Het is niet zo dat er in de afgelopen periode niets is bereikt. [veroordeelde (voornaam)] heeft heel vaak en heel veel werk gehad, hij heeft diploma’s gehaald en zijn rijbewijs. Belangrijk is vooral dat [veroordeelde (voornaam)] niet opnieuw de fout in is gegaan. Hij is lange tijd “buiten” geweest, maar er is geen sprake van veroordelingen voor nieuwe strafbare feiten. Dat maakt toewijzing van de vordering, aan het eind van de proeftijd, disproportioneel.
De advocaat van [veroordeelde (voornaam)] heeft verder betoogd dat als op dit moment opnieuw een risicoanalyse gemaakt zou worden door middel van een risicotaxatie-instrument zoals de FARE, het recidiverisico lager uit zou vallen dan voorheen het geval was. [veroordeelde (voornaam)] heeft namelijk al lange tijd een vaste relatie, kan bij zijn ouders wonen, er is geen sprake van financieel wanbeleid omdat een uitkering is aangevraagd, [veroordeelde (voornaam)] kan werken via een uitzendbureau en dreigend delictgedrag is niet aan de orde.

5.Het oordeel van de rechtbank

5.1
Beslissing op het aanhoudingsverzoek van de verdediging
De rechtbank ziet geen aanleiding om de beslissing aan te houden en te laten onderzoeken of [veroordeelde (voornaam)] nog ergens anders behandeld kan worden. De proeftijd loopt nog maar een paar weken en een verlenging van de proeftijd is niet mogelijk. Er is geen behandeling die in de zeer korte tijd die overblijft, afgerond kan worden. De inspanningen van de ouders om actief op zoek te gaan naar een plek die volgens hen past verdienen een compliment, maar er is gewoon te weinig tijd over om dat nu nog zorgvuldig te bekijken. Daar komt bij dat het maar zeer de vraag is of bij die instellingen een zodanige gestructureerde en gekaderde setting bestaat, die [veroordeelde (voornaam)] nodig heeft. De rechtbank heeft daar twijfels over.
5.2
De beoordeling van de vordering tenuitvoerlegging
Overtreden van de voorwaarden
De rechtbank stelt vast dat [veroordeelde (voornaam)] de bijzondere voorwaarden van de voorwaardelijke PIJ-maatregel niet heeft nageleefd. Uit de terugmelding van 10 juli 2025 blijkt dat [veroordeelde (voornaam)] op 4 februari 2025 een tweede gele kaart heeft gekregen en op 4 april 2025 een ‘laatste kans-brief’, omdat hij zich onvoldoende hield aan een groot deel van de bijzondere voorwaarden (zie de beslissing van de rechtbank van 25 augustus 2025).
Op 26 augustus 2025 is [veroordeelde (voornaam)] na een wijziging van de bijzondere voorwaarden geplaatst bij [instelling 2] . Vanaf het begin is daar sprake geweest van een moeizaam traject. [veroordeelde (voornaam)] heeft niet goed met de behandelaars van [instelling 2] meegewerkt. [veroordeelde (voornaam)] heeft diverse onderdelen van zijn behandeling stelselmatig geweigerd. Ook heeft hij niet meegewerkt aan de voorgestelde dagbesteding en de verplichte en onverplichte groepsactiviteiten. [veroordeelde (voornaam)] bleef overdag vaak op bed liggen. Hij had een onbeschofte houding richting de begeleiding en weigerde regelmatig gesprekken met personen van het behandelteam, zoals de psychiater. Hij weigerde aanpassing van de dosering van zijn medicatie en in de laatste week weigerde hij zijn medicatie helemaal in te nemen. [instelling 2] heeft de plaatsing van [veroordeelde (voornaam)] beëindigd. [instelling 2] beschrijft dat [veroordeelde (voornaam)] sterk de indruk wekt er zeer aan gewend te zijn dat hij voortdurende kansen krijgt, weinig begrensd te zijn geweest in het leven en weinig heeft geleerd om frustraties te verdragen.
Uit het voorgaande volgt dat [veroordeelde (voornaam)] de bijzondere voorwaarde van meewerken aan behandeling bij [instelling 2] heeft overtreden.
De verdediging heeft aangevoerd dat [veroordeelde (voornaam)] geen verwijt kan worden gemaakt, omdat [instelling 2] voor hem achteraf bezien geen geschikte plek was. Dat [instelling 2] achteraf bezien niet een geschikte plek voor [veroordeelde (voornaam)] was, omdat hij een nog meer gestructureerde en nog meer gekaderde setting nodig heeft, laat onverlet dat [veroordeelde (voornaam)] onvoldoende heeft meegewerkt aan de behandeling. [veroordeelde (voornaam)] heeft op zitting verklaard dat hij inziet dat hij dingen anders had moeten doen. [veroordeelde (voornaam)] wist ook dat hij met zijn houding de opname in [instelling 2] op het spel zette en terugmelding van de voorwaardelijk opgelegde PIJ-maatregel riskeerde. Het is spijtig dat het hem desondanks niet gelukt is in voldoende mate mee te werken aan de geboden behandeling.
Proportionaliteit en subsidiariteit
De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of nu, helemaal aan het eind van de proeftijd, alsnog de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde PIJ-maatregel op zijn plaats is.
Daarbij stelt de rechtbank voorop dat zij bij haar beslissing van 25 augustus 2025 al grote twijfels had of de plaatsing bij [instelling 2] succesvol zou worden, omdat [veroordeelde (voornaam)] niet echt gemotiveerd leek. De rechtbank overwoog toen dat [instelling 2] de laatste mogelijkheid was en dat de kans groot was dat tenuitvoerlegging van de PIJ-maatregel in beeld zou komen, als de plaatsing bij [instelling 2] zou mislukken. De omstandigheid dat de rechtbank nu een beslissing neemt op een moment dat het einde van de proeftijd heel nabij is, is mede een gevolg van deze laatste kans die [veroordeelde (voornaam)] in augustus nog werd geboden in het voorwaardelijke kader. De rechtbank acht een toewijzing van de vordering daarom niet zonder meer disproportioneel alleen vanwege het moment waarop zij deze beslissing neemt.
Er zijn grote zorgen over [veroordeelde (voornaam)] . Bij de veroordeling in 2023 voor een aantal ernstige strafbare feiten heeft de rechtbank opgeschreven hoe een psychiater en psycholoog tegen [veroordeelde (voornaam)] aankijken. Volgens deze deskundigen kan [veroordeelde (voornaam)] de gevolgen en de impact van zijn handelen niet goed overzien. Zijn gebrekkige gewetensfunctie en impulsiviteit zorgen ervoor dat hij over de grenzen van anderen heen kan gaan. Daarnaast heeft hij moeite om problemen op te lossen en zijn emoties (zoals boosheid) te reguleren. De psychiater heeft ADHD, ASS en een normoverschrijdende gedragsstoornis vastgesteld. Volgens de psycholoog is sprake van een ADHD, ASS en een andere gespecificeerde disruptieve impulsbeheersings- of andere gedragsstoornis. Daarnaast heeft [veroordeelde (voornaam)] beperkte cognitieve vermogens qua performale vaardigheden en verwerkingssnelheid. Ook is er sprake van ouder-kindrelatieproblematiek. Zowel de psychiater als de psycholoog vinden dat [veroordeelde (voornaam)] moet worden behandeld, omdat de kans anders groot is dat [veroordeelde (voornaam)] nog een keer strafbare feiten pleegt.
Uit de rapporten van [instelling 1] , [instelling 3] en [instelling 2] volgt dat de behandeling noch in een ambulante setting, noch in een klinische setting van de grond is gekomen en dat een intensievere vorm van behandeling nodig is dan voornoemde behandelcentra konden bieden. Over het recidiverisico heeft [instelling 1] opgeschreven dat dit bij aanmelding (juni 2023) hoog was en aan het eind van het traject (november 2024) matig-hoog. Bij de afsluiting van de behandeling in juni 2025 noemt [instelling 3] het recidiverisico “zeer hoog”. De rechtbank stelt op grond van de rapporten vast dat de eerder noodzakelijk geachte behandeling niet goed van de grond is gekomen en dat maar zeer beperkt doelen zijn bereikt. Behandeling is daarmee nog altijd noodzakelijk.
Uit de rapporten volgt verder het beeld dat [veroordeelde (voornaam)] zich zelfbepalend opstelt en dat het hem niet lukt om afspraken na te komen. Hoewel [veroordeelde (voornaam)] gedurende de proeftijd niet is vervolgd voor nieuwe strafbare feiten, zijn er tijdens de proeftijd wel verschillende incidenten geweest. Zo is [veroordeelde (voornaam)] in de periode tussen maart en juni 2025 meermalen door de politie gecontroleerd in verband met verkeersovertredingen. Daarbij zou [veroordeelde (voornaam)] - onder meer - meermaals speekseltesten hebben geweigerd, softdrugs hebben weggemoffeld en geen helm hebben gedragen op een snorfiets. Tijdens een van de controles werd een Cobra 6 aangetroffen in een verborgen ruimte in het voertuig dat [veroordeelde (voornaam)] bestuurde. Hoewel [veroordeelde (voornaam)] voor dat laatste niet is vervolgd, roept het bij de rechtbank wel zorgen op. Ook leest de rechtbank dat [veroordeelde (voornaam)] bij [instelling 2] verbale agressie toonde naar de begeleiding.
Verder blijkt uit de rapporten dat [veroordeelde (voornaam)] zich al langer niet of onvoldoende houdt aan de voorwaarden. De jeugdreclassering en het Openbaar Ministerie hebben tot nu toe mogelijkheden tot gedragsverandering gezocht in minder ingrijpende kaders, waardoor niet eerder is overgegaan tot vordering van de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke PIJ-maatregel. [veroordeelde (voornaam)] wist dat hij moest meewerken aan de aangeboden behandelprogramma’s, maar hij heeft - hoewel hij dus wist dat hij daarmee zijn opname op het spel zette en terugmelding van de voorwaardelijke PIJ-maatregel riskeerde - niet willen of kunnen meewerken aan de meeste behandelingen die werden aangeboden. [veroordeelde (voornaam)] heeft niet kunnen of willen profiteren van de ingezette hulpverlening en heeft dus strakke(re) kaders nodig.
De rechtbank begrijpt dat de komende jaren voor [veroordeelde (voornaam)] een belangrijke ontwikkelingsfase zijn en begrijpt dat de impact van een (onvoorwaardelijke) PIJ-maatregel groot is. Als de rechtbank de vordering echter afwijst, loopt de proeftijd op korte termijn af en zullen alle kaders wegvallen, wat de rechtbank onwenselijk vindt. De deskundigen hebben immers duidelijk gemaakt dat [veroordeelde (voornaam)] nog altijd behandeling nodig heeft om het hoge tot zeer hoge recidiverisico te verminderen. Dat betekent dat er geen reële alternatieven meer zijn voor de onvoorwaardelijke PIJ-maatregel. Gezien de problematiek van [veroordeelde (voornaam)] , het hoge tot zeer hoge recidiverisico en zijn leeftijd acht de rechtbank het van belang dat hij snel de noodzakelijk geachte behandeling geboden krijgt in een instelling met strakke en duidelijke kaders. De uiteindelijke duur van de PIJ-maatregel is mede afhankelijk van de bereidheid van [veroordeelde (voornaam)] om mee te werken aan de behandeling. De rechtbank hoopt daarom ook dat [veroordeelde (voornaam)] de kansen binnen de PIJ-maatregel met beide handen aangrijpt om zo een zo goed mogelijke basis te leggen voor zijn toekomst.
Conclusie
De behandeling en begeleiding van [veroordeelde (voornaam)] zal in het kader van een onvoorwaardelijke PIJ-maatregel moeten plaatsvinden. Dat vereisen de algemene veiligheid van personen of goederen en is in het belang van een zo gunstig mogelijke ontwikkeling van [veroordeelde (voornaam)] . De rechtbank zal de vordering toewijzen en de tenuitvoerlegging van de PIJ-maatregel gelasten.

6.De beslissing

De rechtbank:
- wijst de vordering toe;
- gelast de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijk opgelegde maatregel tot plaatsing in een inrichting voor jeugdigen, opgelegd bij vonnis van 8 december 2023.
Deze beslissing is genomen door mr. J.O. Zuurmond, voorzitter tevens kinderrechter, mr. K. de Meulder en mr. I.G.C. Bij de Vaate, kinderrechters, in tegenwoordigheid van mr. R.C. van Grinsven als griffier en uitgesproken op de openbare zitting van 8 december 2025.
De voorzitter is buiten staat deze beslissing mede te ondertekenen.