ECLI:NL:RBMNE:2025:7344

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
23 december 2025
Publicatiedatum
20 januari 2026
Zaaknummer
FT RK 25-1189
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Mondelinge uitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Faillietverklaring van Stichting Moedige Dialoog na verzoek van Provincie Fryslân

Op 23 december 2025 heeft de Rechtbank Midden-Nederland uitspraak gedaan in de zaak van de Provincie Fryslân tegen de Stichting Moedige Dialoog. De Provincie had op 27 november 2025 een verzoekschrift tot faillietverklaring van de Stichting ingediend. Tijdens de zitting op 23 december 2025, die achter gesloten deuren plaatsvond, is de zaak behandeld. De Provincie, vertegenwoordigd door advocaat mr. A.S. van Wijk, stelde dat er nog baten aanwezig zijn, ondanks de ontbinding van de Stichting op 19 mei 2025. De rechtbank oordeelde dat er summierlijk gebleken was van feiten en omstandigheden die voldoende aannemelijk maken dat er nog baten zijn, zoals een onduidelijkheid over een voorgesteld bedrag van € 3.283,66 en de terugvordering van subsidie door de Provincie. De rechtbank concludeerde dat aan de vereisten voor faillietverklaring was voldaan en heeft het verzoek tot faillietverklaring toegewezen. De Stichting Moedige Dialoog is in staat van faillissement verklaard, met benoeming van J.H. Steverink als rechter-commissaris en mr. R. Davans als curator. De rechtbank heeft tevens bepaald dat de Rechtbank Gelderland de verdere behandeling van de zaak op zich zal nemen.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Toezicht
Locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/25/611 F
Vonnis op grond van artikel 1 Fw (verzoek tot faillietverklaring)
d.d. 23 december 2025
in de zaak van
PROVINCIE FRYSLAN,
gevestigd te Leeuwarden,
de Provincie,
advocaat mr. A.S. van Wijk,
tegen
de stichting
Stichting Moedige Dialoog,
statutair gevestigd te Utrecht,
de Stichting.

1.De procedure

1.1.
Verzoekster heeft een verzoekschrift tot faillietverklaring van verweerster op 27 november 2025 bij de rechtbank ingediend.
1.2.
Het verzoekschrift is behandeld tijdens een zitting van deze rechtbank achter gesloten deuren van 23 december 2025. Namens de Stichting is mevrouw [persoon] , voormalig bestuurder en vereffenaar, verschenen. Namens de Provincie is verschenen mr. A.S. van Wijk.

2.De beoordeling

2.1.
Nu niet is gesteld of gebleken dat het centrum van de voornaamste belangen van verweerster zich in een andere lidstaat bevindt dan die waarin de plaats van haar statutaire zetel is gelegen, gaat de rechtbank op grond van het bepaalde in artikel 3 van de EU Insolventieverordening uit van de bevoegdheid van de Nederlandse rechter.
2.2.
Bij besluit van 19 september 2022 heeft de Provincie een subsidie van € 300.000 aan de Stichting verleend. Daarvan is een bedrag van € 240.000 als voorschot verstrekt. Vervolgens is op 18 december 2023 een gedeelte van die subsidie weer ingetrokken. Het maximale subsidiebedrag is vastgesteld op € 174.460. Daardoor had de Provincie € 65.540 onverschuldigd betaald. Op 4 april 2025 heeft de Provincie een brief van mevrouw [persoon] ontvangen, waarin zij de vordering van € 65.540 erkent. Ook doet zij een betalingsvoorstel tot finale afwikkeling van de liquidatie van de Stichting. Dit komt neer op betaling van € 3.283,66 aan de Provincie. De Provincie heeft hiermee niet ingestemd.
2.3.
Vervolgens is de Stichting is op 19 mei 2025 ontbonden. Uiteindelijk is de subsidie definitief vastgesteld op € 135.567 in plaats van € 174.460, waardoor de totale vordering van de Provincie op de Stichting € 104.452 bedraagt. Ter zitting heeft de Provincie aanvullende producties overgelegd, waaruit blijkt dat de Stichting, afgezien van de door de Provincie gestelde vordering, nog andere schulden heeft. Mevrouw [persoon] heeft verklaard dat de afwikkeling van de vorderingen van de schuldeisers ten tijde van de ontbinding van de onderneming via een registeraccountant is verlopen. De Provincie was daarbij niet betrokken, omdat zij niet waren ingegaan op het betalingsvoorstel van de Stichting. Mevrouw [persoon] was niet bereid om antwoord te geven op de vraag van de rechtbank wat er met het voorgestelde bedrag van € 3.283,66 aan de Provincie is gebeurd. Tot slot heeft mevrouw [persoon] ter zitting aangevuld dat er op dit moment geen baten zijn.
2.4.
Op grond van artikel 2:19 lid 4 BW houdt een rechtspersoon, indien deze op het tijdstip van zijn ontbinding geen baten meer heeft, op te bestaan. Indien een schuldeiser, stellende dat een rechtspersoon nog baten heeft, diens faillissement aanvraagt en vervolgens summierlijk blijkt van feiten en omstandigheden die voldoende aannemelijk maken dat er nog baten zijn, kan, indien aan de overige vereisten voor faillietverklaring is voldaan, het faillissement worden uitgesproken en moet de rechtspersoon geacht worden ter afwikkeling van het faillissement te zijn blijven bestaan (HR 27 januari 1995, NJ 1995, 579 ). Aan de vereisten voor deze toets moeten niet al te hoge eisen worden gesteld (vergelijk de conclusie A-G Timmerman voor HR 19 december 2003, ECLI:NL:PHR:2003:AO0423, nr. 2.2).
2.5.
De rechtbank oordeelt als volgt. De Stichting heeft niet betwist dat de Provincie een vordering op haar heeft. De Stichting erkent dat zij op dit moment niet in staat is om die vordering te voldoen. De Stichting heeft ook de opeisbaarheid van de vordering van de Provincie niet betwist. Dat de Stichting reeds ontbonden is, betekent niet dat de Stichting niet meer in staat van faillissement kan worden verklaard. De rechtbank oordeelt dat summierlijk is gebleken van feiten en omstandigheden die voldoende aannemelijk maken dat er nog baten zijn. Zo is niet bekend wat er met het voorgestelde bedrag van € 3.283,66 is gebeurd en of dit bedrag nog reeds aanwezig is. Evenmin is duidelijk wat de Stichting heeft gedaan met de te veel ontvangen subsidiegelden die later zijn teruggevorderd door de Provincie. Gelet op het gebrek aan informatie van de zijde van de Stichting, kan niet worden uitgesloten dat de subsidiegelden voor andere dan de bij verstrekking beoogde doeleinden zijn aangewend. Onjuist handelen van mevrouw [persoon] als bestuurder kan resulteren in een vordering uit hoofde van bestuurdersaansprakelijkheid.
2.6.
Gelet op het voorgaande gaat de rechtbank er dan ook vanuit dat summierlijk is gebleken dat er nog baten aanwezig zijn. Nu ook aan de overige vereisten voor faillietverklaring is voldaan, leidt dit er toe dat de rechtbank het verzoek tot faillietverklaring zal toewijzen. Het verzoek zal met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 1, 2, 4, 6, en 14 Fw worden toegewezen.

3.De beslissing

De rechtbank:
3.1.
verklaart
de stichting
Stichting Moedige Dialoog,
ingeschreven bij de Kamer van Koophandel onder nummer 76530507 ,
statutair gevestigd Utrecht,
vestigingsadres: 6718 XN Ede , Bonnetstraat 12 ,
in staat van faillissement,
3.2.
benoemt tot rechter-commissaris J.H. Steverink, lid van de rechtbank Gelderland, en stelt aan tot curator mr. R. Davans, advocaat te Ede, telefoonnummer 0318-743880 ,
3.3.
geeft de curator last tot het openen van de aan gefailleerde gerichte brieven.
3.4
bepaalt:
- dat de Rechtbank Gelderland vanaf heden alle taken die de wet aan de rechtbank opdraagt zal vervullen;
- dat door de griffier een afschrift van dit vonnis en de overige op de zaak betrekking hebbende stukken per post aan de Rechtbank Gelderland zal worden verzonden;
- dat de griffier van de Rechtbank Gelderland wordt verzocht de ontvangst van genoemd vonnis en genoemde stukken en het overnemen van de behandeling van de zaak schriftelijk te bevestigen aan de griffier van deze rechtbank;
- dat de zaak, nadat door de Rechtbank Gelderland daaraan een dossiernummer is toegekend, uitsluitend met dat nummer zal worden aangeduid;
- dat de curator alleen verslag behoeft uit te brengen aan de benoemde rechter-commissaris en dat alle betrokkenen zich vanaf heden uitsluitend zullen richten tot de Rechtbank Gelderland dan wel de benoemde rechter-commissaris;
- dat de Rechtbank Midden-Nederland, locatie Utrecht, dit vonnis zal publiceren en dat alle verdere publicaties zullen worden verricht door de Rechtbank Gelderland.
Dit vonnis is gewezen door mr. G. Konings en in het openbaar uitgesproken op 23 december 2025 te 10:03 uur.