Eiser heeft op 31 mei 2024 een aanvraag ingediend bij de Commissie Werkelijke Schade voor aanvullende compensatie van werkelijke schade. Verweerder, de Dienst Toeslagen, heeft niet tijdig op deze aanvraag beslist. Eiser stelde verweerder op 13 augustus 2025 schriftelijk in gebreke, waarna hij op 5 november 2025 beroep instelde tegen het uitblijven van een besluit.
De rechtbank stelt vast dat de beslistermijn is overschreden en verklaart het beroep gegrond. Verweerder wordt opgedragen binnen twee weken na verzending van de uitspraak alsnog een besluit te nemen, uiterlijk op 25 juli 2026. Daarnaast wordt een dwangsom van € 50 per dag opgelegd bij overschrijding van deze termijn, met een maximum van € 15.000.
De rechtbank veroordeelt verweerder tevens tot vergoeding van de proceskosten van eiser, vastgesteld op € 453,50, en tot vergoeding van het betaalde griffierecht van € 53. Partijen hebben geen gebruik gemaakt van het recht op mondelinge behandeling. De uitspraak is gedaan door rechter I. Helmich en uitgesproken in het openbaar op 24 december 2025.