ECLI:NL:RBMNE:2025:7250

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
12 december 2025
Publicatiedatum
14 januari 2026
Zaaknummer
25/6124
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:2 AwbArt. 6:12 AwbArt. 7:1 AwbArt. 8:54 AwbArt. 8:55d Awb
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Beroep gegrond wegens niet tijdig beslissen op WIA-herbeoordelingsverzoek

Eiseres heeft op 5 november 2024 een verzoek tot herbeoordeling van haar arbeidsongeschiktheid ingediend bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (UWV). Verweerder heeft dit verzoek op 6 november 2024 ontvangen, maar heeft niet binnen de wettelijke termijn een besluit genomen. Eiseres heeft vervolgens een ingebrekestelling gestuurd, die op 13 augustus 2025 door verweerder is ontvangen. De rechtbank stelt vast dat sindsdien de wettelijke termijn van twee weken is verstreken zonder dat verweerder een beslissing heeft genomen.

De rechtbank bepaalt dat verweerder alsnog binnen een redelijke termijn moet beslissen. Gezien de omstandigheden, waaronder een tekort aan verzekeringsartsen, stelt de rechtbank een termijn van vier maanden vast waarbinnen verweerder het besluit moet nemen. Tevens legt de rechtbank een dwangsom op van € 100,- per dag dat de beslissing uitblijft, met een maximum van € 15.000,-.

Daarnaast wordt verweerder veroordeeld tot betaling van de proceskosten van eiseres, vastgesteld op € 453,50, en het griffierecht van € 385,- dat eiseres heeft betaald. De rechtbank vernietigt het niet tijdig genomen besluit en draagt verweerder op binnen de gestelde termijn alsnog een besluit te nemen. Het beroep wordt daarmee gegrond verklaard.

Uitkomst: Het beroep wordt gegrond verklaard en verweerder wordt opgedragen binnen vier maanden alsnog een besluit te nemen met oplegging van een dwangsom bij overschrijding.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/6124

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 december 2025 in de zaak tussen

[eiseres] B.V., uit [plaats] , eiseres

(gemachtigde: H.E. Wonnink),
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen, verweerder.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep van eiseres omdat verweerder niet op tijd heeft beslist op haar verzoek om herbeoordeling arbeidsongeschiktheid op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA)

Overwegingen

1. De rechtbank nodigt partijen niet uit voor een zitting, omdat dat in deze zaak niet nodig is. [1]
2. Als een bestuursorgaan niet op tijd beslist op een aanvraag of bezwaar kan de
betrokkene daartegen in beroep gaan. Wel moet de betrokkene dan eerst een ‘ingebrekestelling’ aan het bestuursorgaan sturen. Dat wil zeggen dat de betrokkene per brief aan het bestuursorgaan moet laten weten dat er binnen twee weken alsnog beslist moet worden op haar aanvraag. Dit staat (onder andere) in de artikelen 6:2, 6:12 en 7:1 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
3. Eiseres heeft haar aanvraag om herbeoordeling ingediend op 5 november 2024.
Verweerder heeft de aanvraag ontvangen op 6 november 2024. Niet in geschil is dat verweerder te laat is met het nemen van een beslissing op het verzoek om herbeoordeling van eiseres. Dat geeft verweerder ook aan in zijn verweerschrift van 5 november 2025. De rechtbank stelt vast dat verweerder de ingebrekestelling op 13 augustus 2025 heeft ontvangen en sindsdien twee weken zijn verstreken.
4. Omdat verweerder nog geen besluit heeft genomen bepaalt de rechtbank dat
verweerder dit alsnog moet doen. Het wettelijke uitgangspunt is op grond van het bepaalde in artikel 8:55d, eerste lid van de Awb een termijn van twee weken. In bijzondere gevallen kan de rechtbank een andere termijn bepalen of een andere voorziening treffen. Het is vaste rechtspraak dat die andere termijn niet onnodig lang, maar ook niet onrealistisch kort moet zijn.
5. Verweerder geeft in zijn verweerschrift aan dat hij door een tekort aan
verzekeringsartsen tot op heden nog niet in staat is geweest om de aanvraag binnen de gestelde termijn af te handelen. De rechtbank ziet hier aanleiding om, gezien de omstandigheden die door verweerder zijn genoemd, de beslistermijn vast te stellen op vier maanden. De rechtbank sluit hiervoor aan bij haar uitspraak van de meervoudige kamer van 9 januari 2025. Dit betekent dat verweerder binnen vier maanden na het verzenden van deze uitspraak een beslissing moet nemen.
6. De rechtbank bepaalt dat verweerder een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke
dag waarmee de beslistermijn nu nog wordt overschreden door verweerder. Daarbij geldt wel een maximum van € 15.000, -.

Conclusie

7. Het beroep is gegrond. Verweerder moet binnen een termijn van vier maanden na
verzending van deze uitspraak een beslissing nemen op de aanvraag van eiseres.
8. Dat betekent ook dat eiseres een vergoeding krijgt voor de proceskosten die zij
heeft gemaakt. Verweerder moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht is dit een vast bedrag omdat eiseres een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor haar een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 453,50,-.
9. Omdat het beroep gegrond is moet verweerder het griffierecht van € 385,- aan
eiseres betalen.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
-vernietigt het, met een besluit gelijk te stellen, niet tijdig nemen van een besluit;
- draagt verweerder op binnen vier maanden na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog een besluit bekend te maken;
- bepaalt dat verweerder aan eiseres een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000, -;
- bepaalt dat verweerder het griffierecht van € 385,- dat eiseres heeft betaald moet betalen;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 453,50,- aan proceskosten. Verweerder moet dit bedrag betalen aan eiseres.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Wolbrink, rechter, in aanwezigheid van I. van Ittersum, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 12 december.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Als u graag een zitting wilt waarin u uw verzetschrift kunt toelichten, kunt u dit in uw verzetschrift vermelden.

Voetnoten

1.Artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).