In deze kortgedingprocedure vordert eiser nakoming van een aanneemovereenkomst voor de bouw van zijn woning, die ondanks meerdere afgesproken opleverdata nog niet is opgeleverd. Gedaagde, de aannemer, stelt dat vertraging niet haar schuld is en vordert betaling van facturen voor meerwerk.
De voorzieningenrechter oordeelt dat eiser een spoedeisend belang heeft vanwege het naderende einde van het bouwdepot in februari 2026. De vertraging door sanering van de grond is inmiddels geen geldige reden meer voor uitstel, aangezien gedaagde voldoende tijd heeft gehad om de bouw te hervatten en nieuwe onderaannemers in te schakelen.
Verder is vastgesteld dat partijen hebben afgesproken dat meerwerk pas aan het einde van het bouwproces verrekend en betaald zou worden. Gedaagde heeft dit onvoldoende onderbouwd en heeft pas laat facturen voor meerwerk gestuurd, waardoor de vordering wordt afgewezen.
De rechter veroordeelt gedaagde om de woning uiterlijk op 28 januari 2026 op te leveren en legt een dwangsom op van €5.000 per dag met een maximum van €100.000. De proceskosten worden aan beide zijden toegewezen aan eiser. De vorderingen van gedaagde in reconventie worden afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang en onvoldoende onderbouwing.