In deze uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland, gedateerd 18 december 2025, staat de erkenning tot de Nederlandse adel centraal. Eiser heeft op 15 maart 2023 een verzoek ingediend om erkend te worden als lid van de Nederlandse adel. De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft dit verzoek op 15 september 2023 afgewezen, na advies van de Hoge Raad van Adel. Eiser is het niet eens met deze afwijzing en heeft beroep ingesteld. De rechtbank heeft op 26 november 2025 de zaak behandeld, waarbij zowel eiser als de gemachtigden van de minister aanwezig waren. De rechtbank oordeelt dat de minister het verzoek terecht heeft afgewezen, omdat eiser niet heeft aangetoond dat hij in rechte ononderbroken mannelijke lijn afstamt van de inheemse adel van vóór 1795. De rechtbank heeft echter vastgesteld dat de redelijke termijn voor de procedure is overschreden, wat leidt tot een schadevergoeding van € 500,- voor eiser. De rechtbank veroordeelt de minister ook tot betaling van de proceskosten van eiser, die zijn vastgesteld op € 2.267,50, en tot vergoeding van het griffierecht van € 187,-. De uitspraak benadrukt de strikte eisen die gelden voor erkenning tot de adel en de rol van de Hoge Raad van Adel in dit proces.