ECLI:NL:RBMNE:2025:7224

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
18 december 2025
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
UTR 24/4947
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Erkenning tot de Nederlandse adel en de rol van de Hoge Raad van Adel in bestuursrechtelijke procedures

In deze uitspraak van de Rechtbank Midden-Nederland, gedateerd 18 december 2025, staat de erkenning tot de Nederlandse adel centraal. Eiser heeft op 15 maart 2023 een verzoek ingediend om erkend te worden als lid van de Nederlandse adel. De minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties heeft dit verzoek op 15 september 2023 afgewezen, na advies van de Hoge Raad van Adel. Eiser is het niet eens met deze afwijzing en heeft beroep ingesteld. De rechtbank heeft op 26 november 2025 de zaak behandeld, waarbij zowel eiser als de gemachtigden van de minister aanwezig waren. De rechtbank oordeelt dat de minister het verzoek terecht heeft afgewezen, omdat eiser niet heeft aangetoond dat hij in rechte ononderbroken mannelijke lijn afstamt van de inheemse adel van vóór 1795. De rechtbank heeft echter vastgesteld dat de redelijke termijn voor de procedure is overschreden, wat leidt tot een schadevergoeding van € 500,- voor eiser. De rechtbank veroordeelt de minister ook tot betaling van de proceskosten van eiser, die zijn vastgesteld op € 2.267,50, en tot vergoeding van het griffierecht van € 187,-. De uitspraak benadrukt de strikte eisen die gelden voor erkenning tot de adel en de rol van de Hoge Raad van Adel in dit proces.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/4947

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 december 2025 in de zaak tussen

[eiser] , uit [woonplaats] , eiser

(gemachtigde: mr. M.B. de Jong),
en

de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties

(gemachtigden: mr. drs. H.H.B. Hartkamp, mr. M.G.T. van Leyenhorst en T.P. Mejan).

Samenvatting

1. Deze uitspraak gaat over de vraag of eiser moet worden erkend te behoren tot de Nederlandse adel. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister terecht, onder verwijzing naar een advies van de Hoge Raad van Adel, heeft besloten eiser niet te erkennen. Eiser krijgt daarom ongelijk.
Inleiding
2. Eiser heeft op 15 maart 2023 verzocht te worden erkend te behoren tot de Nederlandse adel. Op 27 juni 2023 heeft de Hoge Raad van Adel de minister geadviseerd dit verzoek af te wijzen. Dit heeft de minister vervolgens gedaan met het besluit van 15 september 2023. Met het bestreden besluit van 10 juni 2024 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing gebleven.
2.1
Eiser is het daar niet mee eens en heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op 1 april 2025 een verweerschrift ingediend. Vervolgens heeft eiser drie nadere reacties ingediend.
2.2
De rechtbank heeft het beroep op 26 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigden van de minister, samen met mr. [A] (de vertegenwoordiger van de Hoge Raad van Adel).

Beoordeling door de rechtbank

Heeft de minister de aanvraag zorgvuldig behandeld?
3. Eiser stelt zich op het standpunt dat de minister zijn aanvraag onzorgvuldig heeft behandeld door te wijzen op diverse procedurele punten. Hierna bespreekt de rechtbank die punten, aan de hand van wat eiser daarover aanvoert.
3.1
Eiser voert in de eerste plaats aan dat hij het advies van de Hoge Raad van Adel pas in de beroepsfase heeft ontvangen. Dit is te laat en onzorgvuldig.
3.2
De rechtbank geeft eiser hierin gelijk. Het advies had in ieder geval voorafgaand aan de hoorzitting in de bezwaarfase moeten worden verstrekt, omdat het een op de zaak betrekking hebbend stuk is. [1] Dat in het besluit van 15 september 2023 wordt medegedeeld wat de Hoge Raad van Adel adviseert, ontslaat de minister niet van de verplichting om het advies te verstrekken. Dit betekent dat de bezwaarprocedure op dit punt onzorgvuldig is geweest. Dat betekent echter niet dat de minister om die reden een nieuw besluit moet nemen. De rechtbank stelt namelijk vast dat niet is gebleken dat eiser door deze schending is benadeeld. In deze beroepsprocedure heeft eiser kennis kunnen nemen van de inhoud van het advies van de Hoge Raad van Adel en heeft hij daarop kunnen reageren. Om die reden passeert de rechtbank het zorgvuldigheidsgebrek. [2]
3.3
Eiser stelt verder te twijfelen aan de transparantie van het besluitvormingsproces en stelt dat er mogelijk een bepaald beleid wordt gevoerd dat hij niet kent. Ook vindt hij dat er een externe bezwaarcommissie had moeten worden ingesteld. Daarnaast bevreemdt het eiser dat er leden van de Hoge Raad van Adel bij de hoorzitting tijdens de bezwaarfase aanwezig waren. Tot slot wijst eiser erop dat de minister tijdens de beroepsprocedure buiten de vierwekentermijn [3] een verweerschrift heeft ingediend en dat eerdere zittingen zijn uitgesteld, vanwege de verhindering van [B] van de Hoge Raad van Adel, terwijl hij ook nu niet op de zitting aanwezig was.
3.4
De rechtbank geeft eiser op deze punten ongelijk. Er is geen reden om te twijfelen aan de transparantie van het besluitvormingsproces. Eiser heeft dit standpunt niet onderbouwd en het dossier biedt hiervoor geen aanknopingspunten. Verder geldt er geen verplichting om een externe bezwaarcommissie in te stellen. Ook staat het de minister vrij om leden van de Hoge Raad van Adel uit te nodigen op de hoorzitting tijdens de bezwaarprocedure, als deskundigen op het gebied van adeldom die het advies hebben uitgebracht. Ook in beroep hebben zich geen zorgvuldigheidsgebreken voorgedaan die tot vernietiging van het bestreden besluit zouden moeten leiden. Aan een overschrijding van de vierwekentermijn om een verweerschrift in te dienen, zijn geen consequenties verbonden. Bovendien heeft eiser voldoende gelegenheid gehad om op het verweerschrift te reageren, wat hij zowel schriftelijk als mondeling heeft gedaan. De rechtbank begrijpt verder het gevoel van eiser bij het eerdere uitstel van de zittingen, maar het is aan de minister om te bepalen wie hem op zitting vertegenwoordigt.
Heeft de minister het verzoek tot erkenning in de Nederlandse adel kunnen afwijzen?
4. Eiser stelt zich op het standpunt dat hij moet worden erkend te behoren tot de Nederlandse adeldom. In de eerste plaats wijst hij er in zijn processtukken op dat de minister zijn verzoek verkeerd heeft beoordeeld, onder meer omdat er een onjuiste bewijslastverdeling wordt gebruikt en de minister de zogeheten ‘baronneneis’ tegenwerpt. Daarnaast voert eiser in dat verband aan dat de minister niet had kunnen volstaan met een verwijzing naar het advies van de Hoge Raad van Adel. Volgens eiser mag een dergelijk advies worden ingewonnen, maar ontslaat dat de minister niet van het maken van een eigen beoordeling van de feiten en omstandigheden. Kort samengevat, stelt eiser verder dat uit zijn verzoekschrift en onderbouwing daarbij blijkt dat hij in ononderbroken mannelijke lijn afstamt van de inheemse adel van vóór 1795, namelijk van de Betuwse [naam 1] als richters en schepenen, althans dat zijn voorvaderen gelet op hun beroepen in de maatschappij als van adel werden beschouwd. Zijn voorvaderen waren namelijk onder meer houtkoper en schepen, commies landsmagazijnen, kapitein mariniers en baljuw. Daarnaast vindt eiser dat er betekenis moet toekomen aan het feit dat er vrouwen van adel zijn aangetrouwd. Ook moet in bredere zin betekenis toekomen aan de status van andere familieleden (buiten de rechtstreekse mannelijke lijn), zoals onder meer blijkt uit een opgetekende brief van [C] over familieleden in het [naam 2] geslacht. Tot slot wijst eiser erop dat erkenning niet is uitgesloten, nu ook bij andere geslachten later is geconstateerd dat zij tot de inheemse adel behoorde. Eiser wijst in dat verband op [naam 3] .
4.1
De rechtbank oordeelt dat de minister eiser niet hoeft te erkennen te behoren tot de Nederlandse adeldom. De rechtbank licht dat als volgt toe.
4.2
Op grond van artikel 2 van de Wet op de adeldom geschiedt verlening van adeldom door verheffing, inlijving of erkenning. Erkenning te behoren tot de Nederlandse adel kan uitsluitend plaatsvinden ten aanzien van personen die behoren tot een geslacht dat vóór 1795 reeds tot de inheemse adel behoorde. Personen worden door de minister tot die inheemse adel gerekend als het gaat om personen die in de periode vanaf 1579 tot 1795: (i) behoren tot geslachten die in een ridderschap zijn beschreven; of (ii) om andere redenen werden geacht tot de inheemse adel te behoren, omdat zij in de maatschappij als zodanig bekend stonden, bijvoorbeeld vanwege hun beroep, en van wie niet bekend was dat ze ooit niet tot de adel hadden behoord. Iemand die verzoekt te worden erkend te behoren tot de Nederlandse adeldom moet aantonen dat hij in rechte ononderbroken mannelijke lijn afstamt van deze inheemse adel van vóór 1795. [4]
4.3
Op de zitting heeft de rechtbank met partijen vastgesteld dat dit het kader is op grond waarvan erkenningsverzoeken moeten worden beoordeeld. Aangezien het gaat om de rechte ononderbroken mannelijke lijn, zoals eiser ook heeft beaamd op de zitting, zijn andere aanknopingspunten buiten die mannelijke lijn dus niet relevant. Dat bijvoorbeeld uit een opgetekende brief van [C] zou blijken dat een familielid van eiser van adel was, heeft de minister dus niet bij de beoordeling van het verzoek hoeven te betrekken. De rechtbank stelt vast dat de discussie over het juridische kader en rechtspraak in de processtukken, hiermee is beslecht. Dat geldt ook voor de in die stukken besproken ‘baronneneis’, aangezien die in deze zaak niet speelt en ook niet is gebleken dat de minister die eis heeft toegepast bij de beoordeling van eisers verzoek.
4.4
De rechtbank overweegt verder dat de minister zijn besluit heeft mogen baseren op het advies van de Hoge Raad van Adel. Op grond van artikel 6 van de Wet op de adeldom is er een Hoge Raad van Adel die de minister adviseert over verzoeken tot verlening van adeldom. Dit maakt het advies van de Hoge Raad van Adel een deskundigenadvies. De minister mag zijn besluit nemen onder verwijzing naar dit advies. Een eigen beoordeling van de feiten is daarvoor niet noodzakelijk. Wel heeft de minister een vergewisplicht. Dit betekent dat de minister moet beoordelen of het deskundigenadvies naar wijze van totstandkoming zorgvuldig en naar inhoud inzichtelijk is. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat de minister in dit geval niet aan die plicht heeft voldaan en dus ook geen aanleiding om te oordelen dat de minister niet op het advies van de Hoge Raad van Adel mocht afgaan.
4.5
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich – onder verwijzing naar dit advies – op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser niet heeft aangetoond dat hij afstamt van inheemse adel vóór 1795. In het Nederland’s Adelboek en Nederland’s Patriciaat is de rechtstreekse mannelijke afstammingslijn van eiser terug getraceerd naar een [naam 2] met onbekende voornaam, overleden rond het jaar 1617. Uit de door eiser overgelegde stukken en uit wat hij op de zitting vertelde, kan niet worden afgeleid dat één van de in deze afstammingslijn voorkomende mannen is omschreven in een ridderschap. Ook heeft eiser niet aangetoond dat (iemand uit) zijn rechtstreekse mannelijke afstammingslijn in de maatschappij bekend stond als zijnde van adel. Eiser heeft in dit kader gewezen op de beroepen die door zijn voorvaderen zijn uitgevoerd en op de aangetrouwde adellijke vrouwen, maar die argumenten heeft de Hoge Raad van Adel gemotiveerd weerlegd. Volgens de Hoge Raad van Adel waren het belangrijke beroepen, maar werden deze zeker in de kleine plaatsen waar ze woonachtig waren, niet uitgeoefend door mensen (die bekend stonden als) van adel. Ook het feit dat er vrouwen van adel zijn aangetrouwd, zegt iets over de status van eisers voorvaderen maar betekent niet dat die ook zelf van adel waren, althans in de maatschappij als zodanig bekend stonden. Eiser betwist dit maar hij onderbouwt zijn standpunt niet. De minister heeft hierin daarom geen aanleiding hoeven zien voor een andere conclusie.
4.6
De stelling van eiser dat het soms nog voorkomt dat iemand wordt erkend in de adeldom, maakt de beoordeling tot slot niet anders. Dit betekent immers op zichzelf niet dat eiser voldaan heeft aan zijn bewijslast en dat hij dus zou moeten worden erkend te behoren tot de Nederlandse adeldom.
Speelt evenredigheid en de maatschappelijke en culturele context nog een rol?
5. Eiser vindt dat de evenredigheid een rol moet hebben in de besluitvorming. De minister had de culturele en maatschappelijke belangen van zijn familie en de familiestichting moeten meewegen. De stichting heeft tot doel om de [naam 2] ’s die zich maatschappelijk en cultureel verdienstelijk hebben gemaakt wat beter op de kaart te zetten omdat het kunstenaars waren die in de vergetelheid zijn geraakt. De minister had gelet op deze belangen aanleiding moeten zien om het verzoek toe te wijzen.
5.1
Naar het oordeel van de rechtbank laat de wet geen ruimte om bij de beoordeling of iemand moet worden erkend te behoren tot de Nederlandse adeldom, de belangen van een verzoeker mee te wegen. Uit de Memorie van Toelichting [5] op de Wet op de adeldom volgt ook dat erkenning een declaratoir karakter heeft: kortgezegd iemand is van adel of niet. Adeldom is een historisch instituut dat slechts kan worden gehandhaafd als zodanig. Het begrip adeldom moet dus worden uitgelegd in zijn historische context. Er is daarom geen ruimte in het wettelijk kader om – in afwijking van diens afstamming – alsnog over te gaan tot erkenning in de adeldom omdat dit voor iemand belangrijk is.
Is de redelijke termijn overschreden?
6. Eiser heeft de rechtbank verzocht om een schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.
6.1
De rechtbank stelt voorop dat wordt aangenomen dat de redelijke termijn is overschreden als de duur van de totale procedure te lang is. Voor een procedure als deze, die uit een bezwaar- en beroepsprocedure bestaat, is in beginsel twee jaar redelijk. Hierbij wordt een half jaar gerekend voor de behandeling van het bezwaar en anderhalf jaar voor de behandeling van het beroep. De termijn begint op het moment van ontvangst van het bezwaarschrift door het bestuursorgaan en eindigt bij de uitspraak.
6.2
De minister heeft het bezwaarschrift van eiser ontvangen op 26 oktober 2023 en deze uitspraak dateert van 18 december 2025. Dat betekent dat de procedure twee jaar en (naar boven afgerond) twee maanden heeft geduurd. De redelijke termijn is in deze procedure dus met twee maanden overschreden. De beroepsprocedure is binnen anderhalf afgerond, maar de bezwaarprocedure heeft (afgerond) acht maanden geduurd. De overschrijding wordt daarom aan de minister toegerekend. De rechtbank hanteert een forfaitaire vergoeding van € 500,- per half jaar waarmee de redelijke termijn is overschreden. Daarmee wordt de schadevergoeding vastgesteld op € 500,-.
Conclusie en gevolgen
7. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de minister eisers verzoek om erkenning terecht heeft afgewezen. Als gevolg van het zorgvuldigheidsgebrek (het niet verstrekken van het advies van de Hoge Raad van Adel) dat door de rechtbank wordt gepasseerd, veroordeelt de rechtbank de minister wel in de proceskosten van eiser. De rechtbank stelt de kosten voor de beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.267,50 (1 punt voor het indienen van het beroep en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 907,- en met een wegingsfactor 1. Daarnaast krijgt eiser 1 punt voor het indienen van het verzoek om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, met een waarde per punt van € 907,- en met een wegingsfactor 0,5). Verder moet de minister het door eiser betaalde griffierecht van € 187,- aan hem vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- veroordeelt de minister tot betaling van een schadevergoeding aan eiser van € 500,-;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 2.267,50;
- bepaalt dat de minister het door eiser betaalde griffierecht van € 187,- aan hem vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A.A.M. Elzakkers, rechter, in aanwezigheid van
mr.B.L. Kosterman-Meijer, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 18 december 2025.
griffier
rechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Voetnoten

1.Artikel 7:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2.Artikel 6:22 van de Awb.
3.Artikel 8:42 van de Awb.
4.Zie in dit verband bijvoorbeeld ook de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van 29 april 2003, ECLI:NL:RVS:2003:AF7987.
5.Kamerstukken II 1989-90, 21485, nr. 3.