Eiser verzocht op 15 maart 2023 om erkenning tot de Nederlandse adel. De minister wees dit verzoek af na advies van de Hoge Raad van Adel, waarna eiser bezwaar maakte en vervolgens beroep instelde. De rechtbank oordeelt dat de minister het verzoek terecht heeft afgewezen omdat eiser niet heeft aangetoond dat hij in ononderbroken mannelijke lijn afstamt van inheemse adel vóór 1795.
De rechtbank constateert een zorgvuldigheidsgebrek doordat het advies van de Hoge Raad van Adel pas in de beroepsfase werd verstrekt, maar dit heeft eiser niet benadeeld. Ook andere bezwaren van eiser over het besluitvormingsproces worden verworpen. De minister mocht het besluit baseren op het deskundigenadvies zonder een eigen feitelijke beoordeling.
Verder wijst de rechtbank erop dat de wet geen ruimte laat om maatschappelijke of culturele belangen mee te wegen bij erkenning. De procedure duurde ruim twee jaar, wat de redelijke termijn overschrijdt, zodat eiser een forfaitaire schadevergoeding van €500,- wordt toegekend. De minister wordt tevens veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.