ECLI:NL:RBMNE:2025:7223

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
19 december 2025
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
UTR 25/6211
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzoek om voorlopige voorziening tegen omgevingsvergunning voor het optoppen en transformeren van een kantoorgebouw naar appartementen en bedrijfsruimten

In deze zaak heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Midden-Nederland op 19 december 2025 uitspraak gedaan over een verzoek om een voorlopige voorziening. Verzoeker, die tegenover het kantoorgebouw woont, is het niet eens met de omgevingsvergunning die op 6 oktober 2025 door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum is verleend voor het optoppen en transformeren van het kantoorgebouw naar 65 appartementen en bedrijfsruimten. Verzoeker vreest onomkeerbare gevolgen voor zijn woon- en leefklimaat en heeft daarom verzocht om schorsing van de omgevingsvergunning totdat op zijn bezwaar is beslist.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek behandeld op 10 december 2025. Tijdens de zitting is besproken dat tot 1 april 2026 beperkte werkzaamheden zullen plaatsvinden, die niet onomkeerbaar zijn. De voorzieningenrechter oordeelt dat er geen sprake is van onverwijlde spoed die het treffen van een voorlopige voorziening vereist, omdat de geplande werkzaamheden omkeerbaar zijn en de bezwaren van verzoeker voornamelijk betrekking hebben op delen van het bouwplan die nog niet worden uitgevoerd voor 1 april 2026.

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af, omdat er geen evident onrechtmatige situatie is aangetoond en de werkzaamheden tot de beslissing op bezwaar niet stilgelegd hoeven te worden. De uitspraak benadrukt dat verzoeker in de toekomst een nieuw verzoek kan indienen als de omstandigheden veranderen, en dat de vergunninghouder de werkzaamheden op eigen risico uitvoert, aangezien de omgevingsvergunning nog niet onherroepelijk is.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/6211

uitspraak van de voorzieningenrechter van 19 december 2025 in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. M.E. Beukers),
en
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Hilversum(het college), verweerder
(gemachtigde: mr. K. Hoogenboom).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
Stichting Dudok(vergunninghouder), gevestigd in Hilversum,
(gemachtigde: mr. M.A. Grapperhaus).

Inleiding

1. Deze uitspraak gaat over de omgevingsvergunning die het college met het besluit van
6 oktober 2025 aan vergunninghouder heeft verleend voor het transformeren en optoppen van het kantoorgebouw naar 65 appartementen en bedrijfsruimten op de begane grond op het adres [adres] in [plaats] .
2. Verzoeker woont tegenover het (voormalige) kantoorgebouw en is het niet eens met de verleende omgevingsvergunning. Hij heeft daartegen bezwaar gemaakt bij het college. Hij verzoekt om een voorlopige voorziening te treffen, zodat de omgevingsvergunning wordt geschorst en verzoekt daarbij te bepalen dat vergunninghouder geen uitvoering mag geven aan de omgevingsvergunning zolang nog niet op het bezwaar is beslist.
3. De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 10 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker met zijn gemachtigde en mr. J.A.S.M. Niesten, de gemachtigde van het college met [A] (adviseur omgevingsrecht) en de gemachtigde van vergunninghouder met [B] en [C] (allebei projectmanager).

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Het verzoek om voorlopige voorziening
4. Verzoeker woont op ongeveer twintig meter afstand van het bouwplan en heeft direct zicht op het bouwterrein. Hij vreest onomkeerbare gevolgen voor zijn woon- en leefklimaat als tijdens de bezwaarprocedure met de uitvoering van de vergunning zal worden gestart en heeft daarom de voorzieningenrechter verzocht de omgevingsvergunning te schorsen. De vergunde optopping leidt volgens verzoeker tot een fors hogere bouwmassa en tot een vrijwel volledige verstening van de voorzijde van het terrein, met negatieve gevolgen voor zijn uitzicht, lichtinval en privacy. Zodra de werkzaamheden aanvangen, zal het straatbeeld onherstelbaar worden gewijzigd en worden zijn woon- en leefklimaat blijvend aangetast. Schorsing van de vergunning is volgens verzoeker daarnaast op zijn plaats, omdat niet vaststaat dat het besluit juridisch houdbaar is. Hij wijst daarvoor op de gronden die hij heeft aangevoerd over de extra bouwlaag, het woon- en leefklimaat, de parkeerbalans, de natuur en de verouderde onderzoeken.
Het spoedeisend belang bij de gevraagde voorlopige voorziening
5. Een voorlopige voorziening is een spoedmaatregel om te voorkomen dat er
onomkeerbare dingen gebeuren als gevolg van een besluit, voordat op het bezwaar is beslist. [1]
6. Het gaat in deze zaak om een verzoek dat is ingediend tijdens de bezwaarprocedure. Dit betekent dat de voorzieningenrechter alleen voor de duur van de bezwaarprocedure een voorlopige voorziening kan treffen. In die periode moet dus sprake zijn van een situatie waarbij onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige noodzakelijk maakt om te voorkomen dat onomkeerbare gevolgen van het besluit ontstaan. Het college heeft tijdens de zitting verklaard dat naar verwachting eind maart 2026 een beslissing op bezwaar zal worden genomen. Ook de planning van de werkzaamheden is tijdens de zitting besproken. Vergunninghouder heeft verklaard dat tot 1 april 2026 de bouwplaats zal worden ingericht en graafwerkzaamheden zullen plaatsvinden voor de fundering en de uitrit. Mogelijk wordt ook een aantal kozijnen vervangen maar dat is nog niet zeker.
De voorzieningenrechter is gelet op de geplande werkzaamheden van oordeel dat geen sprake is van een situatie waarin vanwege onverwijlde spoed het treffen van een voorlopige voorziening is vereist. Tot 1 april 2026 worden beperkte werkzaamheden uitgevoerd, die niet tot gevolg hebben dat een onomkeerbare situatie ontstaat. Deze werkzaamheden kunnen immers weer ongedaan worden gemaakt. Ook als het college in het kader van de heroverweging naar aanleiding van de (onder andere) door verzoeker ingediende bezwaren de omgevingsvergunning herroept of als er een aanpassing van het bouwplan nodig is, zijn de reeds uitgevoerde werkzaamheden op zichzelf omkeerbaar. Daarbij neemt de voorzieningenrechter in aanmerking dat de bezwaren van verzoeker met name zien op delen van het vergunde bouwplan die nog niet worden uitgevoerd voor 1 april 2026. De verwijzing van verzoeker naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 28 oktober 2020 [2] brengt de voorzieningenrechter niet tot een ander oordeel. In die zaak ging het om het vaststellen van een bestemmingsplan dat bepaalde ontwikkelingen mogelijk maakte en waarvan de gemeenteraad ook gebruik wilde maken. Een overweging over de (on)omkeerbaarheid van de gevolgen ziet de voorzieningenrechter daarin echter niet terug. De voorzieningenrechter ziet ook geen aanleiding voor het (voorlopig) oordeel dat de tot 1 april 2026 geplande werkzaamheden voor onomkeerbare gevolgen voor het woon- en leefklimaat van verzoeker zullen zorgen. De door verzoeker gevreesde overlast van (graaf)werkzaamheden heeft geen betrekking op het plan zelf maar op de uitvoering daarvan. Uitvoeringsaspecten kunnen in deze procedure echter niet aan de orde komen.
Toets van het bestreden besluit op evidente onrechtmatigheid
7. Ook zonder spoedeisend belang bij de gevraagde voorlopige voorziening kan er aanleiding zijn voor het treffen van een voorlopige voorziening als het bestreden besluit evident (buiten elke twijfel) onrechtmatig is en dus zeker is dat deze in bezwaar geen stand zal kunnen houden. De voorzieningenrechter is echter niet gebleken dat de omgevingsvergunning evident onrechtmatig is. Het college moet bij de beslissing op de bezwaren wel een volledige heroverweging op grond van de bezwaren maken over de verleende omgevingsvergunning.

Conclusie en gevolgen

8. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding om de geplande werkzaamheden in de periode tot de beslissing op bezwaar (naar verwachting rond 1 april 2026) stil te leggen. De voorzieningenrechter wijst het verzoek daarom af. Voor vergoeding van het griffierecht of een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
9. Dit voorzieningenrechter benadrukt dat dit oordeel is gebaseerd op de omstandigheden zoals die nu zijn en de verwachte situatie tot aan de beslissing op bezwaar. Mocht de situatie veranderen, bijvoorbeeld omdat de beslissing op bezwaar langer op zich laat wachten of toch verdere werkzaamheden (dreigen te) worden uitgevoerd, dan kan verzoeker desgewenst een nieuw verzoek indienen, omdat dan wel sprake kan zijn van een spoedeisend belang bij de gevraagde voorlopige voorziening. Ook wijst de voorzieningenrechter er op dat het uitvoeren van de werkzaamheden gebeurt op eigen risico en voor eigen rekening van de vergunninghouder, nu de aan hem verleende omgevingsvergunning nog niet onherroepelijk is geworden.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S.C.A. van Kuijeren, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. M.H.L. Debets, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 december 2025.
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Voetnoten

1.Artikel 8:81, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht.