In deze zaak heeft de Rechtbank Midden-Nederland op 10 december 2025 een beschikking gegeven in een erfrechtelijke procedure. Verzoekers, bestaande uit de kinderen van de erflater, hebben verzocht om opheffing van een testamentaire last die aan hen was opgelegd. De erflater, die in 2019 overleed, had in zijn testament bepaald dat zijn nalatenschap onverdeeld moest blijven totdat zijn echtgenote, de moeder van de verzoekers, ook zou zijn overleden. De verzoekers stelden dat de feitelijke situatie sinds het overlijden van de erflater was veranderd, omdat de moeder in 2020 was verhuisd en geen belang meer had bij het onverdeeld laten van de nalatenschap.
De rechtbank heeft vastgesteld dat de moeder niet-ontvankelijk was in haar verzoek, omdat de last op de erfgenamen rustte en niet op haar. De rechtbank heeft vervolgens de omstandigheden beoordeeld en geconcludeerd dat de testamentaire last zijn zin had verloren, aangezien de moeder niet langer in de woning verbleef en geen belang meer had bij het onverdeeld houden van de nalatenschap. De rechtbank heeft daarom het verzoek tot opheffing van de testamentaire last toegewezen en verklaarde de beslissing uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is openbaar uitgesproken door mr. A.F. Hermans, waarbij de rechtbank de belangen van de betrokken partijen in acht heeft genomen en de bedoeling van de erflater heeft gewogen tegen de gewijzigde omstandigheden.