ECLI:NL:RBMNE:2025:7211

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
31 december 2025
Publicatiedatum
12 januari 2026
Zaaknummer
11860516 \ ME VERZ 25-127 AW/1583
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toekenning billijke vergoeding, gefixeerde schadevergoeding en transitievergoeding na onrechtmatige opzegging van de arbeidsovereenkomst

In deze zaak verzoekt de werknemer, aangeduid als [verzoekster], om toekenning van een billijke vergoeding, een gefixeerde schadevergoeding en een transitievergoeding na een opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever, aangeduid als [verweerder]. De kantonrechter heeft op 31 december 2025 uitspraak gedaan in deze zaak. De kantonrechter oordeelt dat er sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen partijen, ondanks dat [verweerder] betoogt dat er geen arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen. De kantonrechter wijst het verzoek van [verzoekster] toe, omdat de opzegging van de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig is. Het tegenverzoek van [verweerder] tot terugbetaling van een bedrag van € 4.430,18 netto wordt afgewezen, omdat dit bedrag niet als onverschuldigd betaald kan worden aangemerkt. De kantonrechter oordeelt dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig is, omdat [verzoekster] niet heeft ingestemd met de opzegging en het UWV geen toestemming heeft verleend. Daarnaast is [verzoekster] op het moment van opzegging ziek gemeld, wat een verbod op opzegging met zich meebrengt. De kantonrechter kent een billijke vergoeding toe van € 11.492,30, een vergoeding wegens onregelmatige opzegging van € 2.298,46 en een transitievergoeding van € 255,38. De proceskosten worden toegewezen aan [verzoekster].

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer / rekestnummer: 11860516 \ ME VERZ 25-127 AW/1583
Beschikking van 31 december 2025
in de zaak van
[verzoekster],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
verwerende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [verzoekster] ,
gemachtigde: mr. Y.C.H. Schmitz,
tegen
[verweerder],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
verwerende partij,
verzoekende partij in het tegenverzoek,
hierna te noemen: [verweerder] ,
gemachtigde: mr. B. Tomlow.
De zaak in het kort
In deze zaak verzoekt de werknemer om toekenning van onder andere een billijke vergoeding, een gefixeerde schadevergoeding en een transitievergoeding na een opzegging van de arbeidsovereenkomst door de werkgever. De kantonrechter wijst het verzoek toe, omdat de opzegging niet (rechts)geldig is.
Het tegenverzoek van werkgever tot terugbetaling van een bedrag van € 4.430,18 netto als zijnde onverschuldigd betaald wordt afgewezen.

1.De procedure

1.1.
[verzoekster] heeft een verzoek gedaan om onder meer een billijke vergoeding toe te kennen. [verweerder] heeft een verweerschrift en een tegenverzoek ingediend.
1.2.
Op 2 december 2025 heeft een mondelinge behandeling plaatsgevonden. Partijen en hun gemachtigden hebben daar hun standpunten toegelicht en vragen beantwoord. De griffier heeft daarvan aantekeningen gemaakt. [verzoekster] heeft ook spreekaantekeningen overgelegd en voorgedragen. Vóór de mondelinge behandeling heeft [verzoekster] nog een reactie op het verweerschrift met 7 producties toegezonden. [verweerder] heeft hiertegen bezwaar gemaakt, maar ook nog een productie toegezonden. De kantonrechter staat indiening van de stukken toe, omdat partijen niet in hun verdediging zijn geschaad.

2.De feiten

2.1.
[verzoekster] heeft op 19 februari 2024 een Tripartite overeenkomst gesloten met de Hogeschool van Amsterdam (hierna: HvA) en stichting Kolom met betrekking tot scholing en begeleiding van [verzoekster] als zij-instromer in het onderwijs.
2.2.
Directeur van [verweerder] is mevrouw [A] .
2.3.
Voordat [verzoekster] begint bij [verweerder] vindt tussen [verzoekster] en [B] , vriendin van [verzoekster] , (en medewerkster van [verweerder] ) het volgende whatsapp gesprek plaats:
“ [verzoekster] : En ik heb bij 1Loket de vraag neergelegd of ik over kan stappen naar een school in Almere. In mijn klas blijven best veel mensen buiten Amsterdam (wel in de directe omgeving) te werken.
[B] : Dat zou zoo tof zijn.
[verzoekster] : Ik heb het vorige week al gevraagd en ze hebben nog niet gereageerd. Ik ben dus bang dat zij er niet over gaan. Ik denk dat ik de vraag ook even neer ga leggen bij mijn mentor.
[B] : Graag!!!! We zittende springen om je voor 2 dagen
Te springen voor je
(…)
[verzoekster] : Hoi, ik heb net gesproken met iemand van 1Loket. Ik zou gewoon over mogen stappen naar jullie. De overheid (dus niet de gemeente Amsterdam) heeft Eur 25.000,00 betaald voor mijn opleiding. De gemeente Amsterdam heeft dit jaar alleen Eur 1.800 betaald voor 30 uur coaching.
[A] zou dan in gesprek moeten gaan met Kolom. Of ook niet, want de opleiding is toch al betaald.
En ik moet in gesprek met [A] over mijn salaris. Ik krijg nu mijn dag op de HvA betaald. Ik weet niet of xij daar ook toe bereid is. En anders moet ik onderhandelen.
(…)
[verzoekster] : Volgens mij heb ik ook nog een soort 13e en 14e maand. Maar dat moet ik even nakijken.
[B] : Ja klopt
En vakantiegeld etc als een echte leerkracht hahaha
Geen stagiair salaris
Zal eens bespreken met [C] m’n oude duo hoe je kan onderhandelen met de
Wat je kan vragen want ze wil t liefst zo laag mogelijk
Hij heeft mij ook geholpen en anders [D] die weet t ook
(…)
[B] : Per wanneer wil je?
[verzoekster] : Z.s.m.
Maar als jullie begin volgend schooljaar willen dan kan dat natuurlijk ook
(…)
[B] : Wat is jouw standaard netto maandbedrag. Op deze staat een extra uitkering.. vraagt [C]
Dan berekent hij t voor je
Je moet op de netto zitten en daarvan uit gaan bij t gesprek plus 120 euro per maand voor pensioen.
(…)
[verzoekster] stuurt een loonstrook
(…)
[B] : kan je straks bellen want ik heb je salaris
(…)
[verzoekster] : Deze tripariete overeenkomst moet we overgenomen worden door [verweerder] maar dat schijnt een formaliteit te zijn.
(…)
[verzoekster] : ik weet niet hoeveel budget er is.
(…)
[verzoekster] : Ja ik sprak personeelszaken. Ik mag weg. Ik kan als ik wil per morgen maar het lijkt me verstandig om 1 april te doen (…) Ik moet nu een email naar personeelszaken sturen met daarin de datum en het telefoonnummer van [A] . Dan kan [E] (zo heet zij van personeelszaken) met [A] overleggen hoe alle subsidies geregeld worden.
(…)
Ik stuur diw loonstrook van januari. Op de een of andere manier is die app van mijn telefoon dus ik moet nu eerst nieuwe inloggegevens vragen
(…)
[B] : he heb ik ie niet van je?
Bedoel je deze?
[verzoekster] : Ja die. Als jexwildan kan jij hem ook doorsturen naar [A] .
[B] : Ja dat kan ik als jij het goed vind
[verzoekster] : Ja, zeker
[B] : ok ik stuur t door
(…)
en tijdens de werkzaamheden:
[B] : Kijk ook even of alle papieren in orde zijn voor je geld enzo! Moet je zelf goed in de gaten houden.
[A] is laks nl.
(…)
[B] : Hoop echt dat je in september dan kan starten, in rust want de kids vinden je geweldig!!! Je hebt nl de pluim gekregen van ze, voor juf [verzoekster] (verleden week).
2.4.
Op 19 maart 2025 mailt [verzoekster] aan de HR-afdeling van stichting Kolom onder meer:
“Vanmorgen spraken wij elkaar over mijn vertrek bij [bedrijf] . Ik wil graag een verzoek tot ontslag indienen voor 1 april 2025.
Mijn nieuwe werkgever is [verweerder] in [vestigingsplaats] . Je kan daar contact opnemen met [A] (zij is de directrice). Haar emailadres is (…). Telefonisch is zij bereikbaar op (…).”
2.5.
[verzoekster] is op 1 april 2025 begonnen bij [verweerder] . Over de maanden april, mei en juni 2025 heeft [verweerder] aan loon uitgekeerd een bedrag van € 2.128,20 bruto per maand.
2.6.
Op 3 juni 2025 tekenen [A] (directeur [verweerder] ) en [B] het beoordelingsformulier praktijk LIO-1 zij-instroom in beroep. In het beoordelingsformulier staat onder meer:
“ [F] loopt nog maar kort stage, sinds april bij ons op school. Vandaar dat bij beoordelingen B. niet alle criteria ingevuld zijn. Helaas is hier onvoldoende zicht op. Daarbij is onze school nog maar 3 weken open (zomervakantie) wat inhoudt dat [F] onvoldoende tijd heeft om deze criteria op dit vlak te laten zien. Wel willen wij zeggen dat [F] zeker de potentie heeft als leerkracht te ontwikkelen. Wij willen haar graag de kans geven om dit te ontwikkelen volgend schooljaar.”
2.7.
Op 16 juni 2025 meldt [verzoekster] zich ziek.
2.8.
Op 18 juni 2025 schrijft [verweerder] ( [A] ) aan [verzoekster] onder meer:
“Vanaf 1 april ben je op proef bij ons gekomen voor een werk/studie stage. (…) Het is de bedoeling dat de studie/werk stage bij gebleken geschiktheid met een jaar zou worden verlengd tot juni 2026. Wij hebben besloten om de studie/werkstage niet te verlengen en wel om de volgende redenen.
  • wij merken dat je moeite hebt met het voorbereiden van de lessen en de uitvoering ervan. Dit komt doordat je meer coach bent dan leerkracht. Op school is hier een duidelijk onderscheid met name in de gezagsverhouding. Een leerkracht geeft leiding en stuurt een coach bemiddelt.
  • Ook hebben wij het gevoel dat de hoeveelheid werk die de voorbereiding van de lessen vraagt van een leerkracht, onderschat is door jou. Waardoor je nu tegen een grens aanloopt.
  • Verder kom je op ons chaotisch over en dit houdt in dat afspraken (onbewust) niet worden nagekomen, informatie niet tijdig wordt verstrekt. Hierdoor is het niet mogelijk om bijvoorbeeld een contract op te stellen, subsidies aan te vragen e.d.
(…)
Wij zijn er niet van overtuigd dat jij op dit moment kunt brengen wat er van jou verwacht wordt.
Eind deze maand krijg je een eindafrekening van jouw salaris.”
2.9.
Op 2 september 2025 verklaart [B] onder meer:
“(…) mijn toenmalige vriendin [verzoekster] , mij op een gegeven moment benaderd heeft of [verweerder] niet bereid zou zijn om de overeenkomsten die zij had met de HvA en de stichting Kolom over te nemen. Zij vertelde mij dat dit gesubsidieerde overeenkomsten waren die haar in de gelegenheid stelde om een
opleiding Leraar basisonderwijs te volgen als zogenaamde zij-instromer. Het hield in dat zij 2 dagen per week stage liep bij Kolom, een middelbare school, en 1 dag opleiding kreeg op de HvA.
lk heb dit voorgelegd aan de directeur, [A] . Zij vroeg waarom die overgang nodig was en hoe dat ging. [F] had mij verteld dat zij vastliep bij de stichting Kolom omdat dat een middelbare school was en deze stichting kon haar niet begeleiden met het voorbereiden en het uitvoeren van de lessen voor het basisonderwijs. Zij had een gymles gegeven bij het [verweerder] (groep 1,2 en 3), omdat dat bij Kolom niet mogelijk was. Dit moest zij doen voor een opdracht van de HVA. Hierna kwam het verzoek van [F] of zij de stage bij ons kon afmaken.
Omdat [verweerder] een basisschool is zou [F] deze stage bij ons kunnen volgen. lk heb vervolgens een gesprek gehad met [A] en [F] , waarin [F] nog eens uiteenzette dat het ging om een geheel gesubsidieerd traject dat alleen overgedragen zou moeten worden van Kolom naar [verweerder] .
Wij hebben toen afgesproken dat [F] haar overeenkomsten met stichting Kolom en HvA aan [A] zou sturen/overhandigen en aan zou geven hoe de subsidie overdracht zou moeten plaatsvinden.
Onder die voorwaarden was [A] bereid om [F] toe te laten. [A] heeft normaal gesproken geen betaalde stagiaire, maar wou in dit geval wel de helpende hand toesteken. [A] heeft [F] alvast toegelaten onder het voorbehoud dat zaken rond de subsidie geregeld zouden worden. Regelmatig hebben [A] en ook ik [F] gevraagd om de overeenkomsten/documenten. [F] was iedere keer vergeten de documenten mee te nemen en de gevraagde informatie te verschaffen.
(…)
Uitdrukkelijk is afgesproken dat er alleen maar een overeenkomst tot stand zou komen als zij de gevraagde gegevens aan geleverd had en duidelijk was dat het geheel gesubsidieerd zou zijn. [F] had gezegd dat dat het geval, stichting Kolom heeft de subsidie ontvangen en heeft daarvan de HvA betaald, externe begeleider de rest was voor Kolom om [F] aan te nemen.”

3.Het verzoek, het verweer en het tegenverzoek

3.1.
[verzoekster] verzoekt de kantonrechter om een billijke vergoeding toe te kennen en verzoekt om [verweerder] te veroordelen tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en de transitievergoeding. Volgens [verzoekster] is de opzegging niet rechtsgeldig. [verzoekster] voert het volgende aan. Er is sprake van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd. Er is nooit over een einddatum gesproken en [verweerder] heeft geen schriftelijke arbeidsovereenkomst aan [verzoekster] ter ondertekening aangeboden. [verzoekster] is niet op proef werkzaam bij [verweerder] . Er is met haar gesproken over haar werk het volgende schooljaar en aan [verzoekster] is nooit kenbaar gemaakt dat zij niet naar tevredenheid zou functioneren.
[verweerder] stelt in haar ontslagbrief dat zij de benodigde informatie om een schriftelijke arbeidsovereenkomst op te stellen en subsidies aan te vragen niet heeft ontvangen. [verweerder] doelt hiermee op de tripartite overeenkomst tussen [verzoekster] , haar voormalig werkgever Kolom en HvA. Bij deze overeenkomst is [verweerder] geen partij. HvA heeft [verzoekster] gemeld dat zij deze overeenkomst niet hoefde te verstrekken. De opleiding is volledig betaald door haar voormalig werkgever. [verweerder] kan daarom geen recht op subsidie verkrijgen. [verweerder] had op basis van de door [verzoekster] verstrekte gegevens een arbeidsovereenkomst op kunnen stellen. Tenslotte is er sprake van een ontslagverbod. [verzoekster] is sinds 16 juni 2025 arbeidsongeschikt. Door de gang van zaken is de arbeidsrelatie verstoort geraakt. Daarom kiest [verzoekster] niet voor herstel van de arbeidsovereenkomst.
3.2.
[verweerder] voert verweer en stelt dat het verzoek moet worden afgewezen. [verweerder] voert ‑ samengevat ‑ aan dat zij [verzoekster] heeft willen helpen omdat [verzoekster] was vastgelopen bij stichting Kolom. [B] heeft [A] gevraagd of [verzoekster] twee dagen per week bij [verweerder] stage kon lopen. De opleiding was gesubsidieerd en het zou mogelijk zijn om de tripartite overeenkomst met Kolom en HvA over te nemen. Het zou [verweerder] niets kosten. [verzoekster] heeft een volstrekt verkeerde voorstelling van zaken gegeven. [verzoekster] heeft de gegevens niet verstrekt. Er is geen arbeidsovereenkomst tot stand gekomen. [verweerder] heeft [verzoekster] onverplicht een maandelijkse vergoeding betaald gebaseerd op de toegezegde subsidies. Een bedrag van € 4.430,18 netto is onder voorbehoud voldaan. Omdat er nooit een arbeidsovereenkomst tussen partijen tot stand is gekomen zijn de regels betreffende beëindiging niet van toepassing. Subsidiair maakt [verweerder] bezwaar tegen de billijke vergoeding. Meer subsidiair maakt [verweerder] bezwaar tegen de buitengerechtelijke en gerechtelijke kosten.
3.3.
[verweerder] heeft een tegenverzoek gedaan. [verweerder] verzoekt veroordeling van [verzoekster] tot terugbetaling van een bedrag van € 4.430,18 netto als zijnde onverschuldigd betaald.

4.De beoordeling van het verzoek

4.1.
Het gaat in deze zaak om de vraag of tussen [verzoekster] en [verweerder] een arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen en of aan [verzoekster] een billijke vergoeding moet worden toegekend, en of [verweerder] moet worden veroordeeld tot betaling van een vergoeding wegens onregelmatige opzegging en een transitievergoeding.
4.2.
De kantonrechter oordeelt dat tussen partijen een arbeidsovereenkomst tot stand is gekomen en dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig is. De kantonrechter legt hierna uit hoe tot dit oordeel is gekomen.
Er is sprake van een arbeidsovereenkomst
4.3.
De eerste vraag die partijen verdeeld houdt is of er sprake is van een arbeidsovereenkomst tussen partijen. De kantonrechter oordeelt als volgt.
4.4.
Voor de vraag of sprake is van een arbeidsovereenkomst moet eerst worden vastgesteld of partijen rechten en plichten zijn overeengekomen die voldoen aan de wettelijke omschrijving van de arbeidsovereenkomst (artikel 7:610 BW). Dat wil zeggen of sprake is van de verplichting om gedurende zekere tijd in dienst van de werkgever arbeid te verrichten tegen betaling van loon. Of de overeenkomst voldoet aan dat criterium hangt af van alle omstandigheden van het geval in onderling verband bezien.
4.5.
Voor de vraag of arbeid is verricht, moet sprake zijn van productieve arbeid, zoals onder meer volgt uit het arrest van de Hoge Raad in de zaak Hesseling/Ombudsman (Hoge Raad 29 oktober 1982, ECLI:NL:HR:1982:AC0442).
4.6.
Vaststaat dat [verzoekster] vanaf 1 april 2025 werkzaamheden heeft verricht en daarbij productieve arbeid heeft verricht voor [verweerder] , bestaande uit 2 dagen lesgeven en 1 dag opleiding bij de HvA. Uit de overgelegde whatsapp correspondentie tussen [verzoekster] en [B] moet worden opgemaakt dat [verzoekster] met enige regelmaat alleen voor de klas heeft gestaan. Of [verzoekster] de functie als zelfstandig [functie] heeft uitgeoefend of steeds onder begeleiding van [B] maakt daarbij geen verschil. Dat maakt immers niet dat zij ook onder begeleiding geen productieve arbeid heeft kunnen verrichten. Aan het criterium ‘arbeid’ is derhalve voldaan.
4.7.
Naar het oordeel van de kantonrechter is ook voldaan aan de eis dat sprake is van ‘loon’ en aan de eis dat sprake moet zijn van ‘een gezagsverhouding’. Vaststaat dat er periodiek aan [verzoekster] is betaald en dat er loonstroken zijn opgemaakt. Daarnaast staat vast dat er sprake was een gezagsverhouding. Dat laatste volgt uit het feit dat [verzoekster] werd begeleid door [B] en werd beoordeeld door [A] .
4.8.
Bij de beoordeling van de vraag of een arbeidsovereenkomst tussen partijen tot stand is gekomen, dient ook de bedoeling van partijen te worden betrokken. [verweerder] geeft aan dat zij [verzoekster] alleen heeft willen helpen en dat zij ervanuit ging dat het haar niks zou kosten. Volgens [verzoekster] was de opleiding gesubsidieerd en zou [verweerder] de tripartite overeenkomst met Kolom en HvA kunnen overnemen. Alleen onder die voorwaarden was [verweerder] bereid om [verzoekster] toe te laten. [verzoekster] is bij de leerkrachten geïntroduceerd als zij-instromer en zat als stagiaire bij de weekbijeenkomsten. Onder voorbehoud is het loon voldaan. Nu [verzoekster] in gebreke is gebleven de vereiste documenten te verschaffen is er volgens [verweerder] geen arbeidsovereenkomst tot stand komen. Gelet op het uitvoerige WhatsAppgesprek tussen [verzoekster] en [B] komt die omstandigheid echter voor rekening en risico van [verweerder] en mocht [verzoekster] er vanuit gaan dat het ook de bedoeling was van [verweerder] om een arbeidsovereenkomst te sluiten. In het Whatsappgesprek wordt immers gesproken over loon en dat [verzoekster] met [A] moet onderhandelen. Ook wordt gesproken over een 13e en 14e maand. [B] concludeert dat [verzoekster] ook vakantiegeld ontvangt, geen stagiaire salaris. [B] gaat bespreekt dit ook nog eens met haar oude duo. [B] vraagt ook wat het netto salaris is wat [verzoekster] ontvangt zodat haar oude duo hiernaar kan kijken. Ook wordt gesproken over pensioen. [verzoekster] stuurt [B] een loonstrook die [B] op een gegeven moment aan [A] doorstuurt. Het is [verweerder] enerzijds te verwijten dat zij de volledige communicatie overlaat aan [B] en anderzijds niet zelf op onderzoek uitgaat. Dat er al dan niet ruis is ontstaan en [verweerder] van andere feiten is uitgegaan valt haar als werkgever aan te rekenen. Ook gaat [verweerder] niet na of en zo ja hoeveel er eventueel aan subsidie kan worden verkregen en of het juist is dat het loon volledig uit de subsidie kan worden betaald. Als [verweerder] al de arbeidsovereenkomst afhankelijk had willen stellen van ontvangst van enige subsidie ter compensatie van het uit te keren salaris dan had het op de weg gelegen van [verweerder] daar volstrekte duidelijkheid over te verschaffen door een en ander schriftelijk te bevestigen. Dat heeft [verweerder] niet gedaan.
4.9.
Op grond van al het voorgaande is de kantonrechter van oordeel dat is voldaan aan de criteria die gelden voor het bestaan van een arbeidsovereenkomst als bedoelt in artikel 7:610 lid 1 BW. Het beroep van [verweerder] op dwaling gaat evenmin op. Als [verweerder] geen risico wilde lopen had zij navraag moeten doen voordat zij [verzoekster] toeliet tot de werkplek, moeten nagaan of er sprake was van een subsidie en kort moeten sluiten onder welke voorwaarden zij al dan niet een arbeidsovereenkomst dan wel stageovereenkomst met [verzoekster] wilde aangaan. [verweerder] heeft dat niet gedaan. Niet is gebleken dat [verzoekster] aan [verweerder] onjuiste informatie heeft verstrekt. Het moet er kortom voor worden gehouden dat partijen een arbeidsovereenkomst zijn aangegaan.
Er is een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd overeengekomen
4.10.
Voor zover [verweerder] heeft willen betogen dat als er al een arbeidsovereenkomst of stageovereenkomst tot stand is gekomen, dit is gesloten voor een bepaalde tijd te weten 1 april tot eind juni 2025, dan gaat de kantonrechter hier niet in mee.
Vast staat dat er geen schriftelijke arbeidsovereenkomst is opgemaakt waarin een arbeidsduur voor bepaalde tijd is overeengekomen. Er is helemaal geen schriftelijke arbeidsovereenkomst. [verweerder] heeft ook niet gesteld dat dit tussen partijen is afgesproken. Integendeel, [B] bericht [verzoekster] na haar ziekmelding van 16 juni 2025 nog dat ze hoopt dat [verzoekster] in september, nadat ze wat rust heeft gehad, kan starten en op 3 juni 2025 schrijft [verweerder] nog in het beoordelingsformulier dat [verzoekster] de potentie heeft zich als leerkracht te ontwikkelen en dat zij haar graag de kans geeft om dit volgend schooljaar te ontwikkelen. De kantonrechter houdt het er daarom voor dat een overeenkomst voor onbepaalde tijd overeengekomen is.
De arbeidsovereenkomst is niet rechtsgeldig opgezegd
4.11.
Nu er sprake is van een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd, is deze overeenkomst niet van rechtswege geëindigd. De wijzen waarop een arbeidsovereenkomst kan worden beëindigd, zijn in de wet geregeld. Ingevolge artikel 7:671 lid 1 BW kan de werkgever de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig opzeggen zonder schriftelijke instemming van de werknemer, tenzij - kort gezegd - toestemming voor die opzegging is verleend door het UWV (sub a), de opzegging geschiedt in de proeftijd (sub b), er sprake is van een rechtsgeldig ontslag op staande voet (sub c), of een van de in dat artikellid genoemde uitzonderingsgevallen (sub d t/m h) zich voordoet. Vaststaat dat [verzoekster] niet met de opzegging heeft ingestemd, dat het UWV geen toestemming heeft verleend en dat de opzegging niet heeft plaatsgevonden in een proeftijd. Van een ontslag op staande voet is geen sprake. [verweerder] betoogt wel dat als er sprake is van een arbeidsovereenkomst de brief van 18 juni 2025 moet worden gezien als een ontslag op staande voet, maar daar gaat de kantonrechter niet in mee. [verweerder] geeft immers aan dat zij van mening is dat [verzoekster] vanaf 1 april 2025 op proef is gekomen voor een werk/studie stage en dat die bij gebleken geschiktheid zou worden verlengd tot juni 2026, maar dat zij niet verlengd. Eind van de maand zou een eindafrekening volgen van het salaris. Het salaris is ook betaald tot eind juni 2025 en op de loonstrook staat vermeld uit dienst 30 juni 2025. Daaruit kan niet anders worden afgeleid dan dat [verweerder] de arbeidsovereenkomst opzegt tegen 30 juni 2025 en niet dat er sprake is van een ontslag op staande voet. Nu evenmin sprake is van een van de in artikel 7:671 lid 1 sub d t/m h BW genoemde uitzonderingsgevallen, betekent dit dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst, zoals door [verzoekster] bij brief van 18 juni 2025 is gedaan, niet rechtsgeldig is.
4.12.
Daarbij komt dat [verweerder] het verbod van opzegging tijdens ziekte heeft overtreden. [verzoekster] had zich immers ziek gemeld en was ten tijde van de opzegging nog steeds ziek (gemeld).
[verweerder] moet een billijke vergoeding betalen
4.13.
Het verzoek van [verzoekster] tot toekenning van een billijke vergoeding wordt toegewezen, omdat hiervoor is geoordeeld dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst niet rechtsgeldig is. [1] Daarbij wordt opgemerkt dat een ongeldige opzegging als ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever moet worden aangemerkt. [2]
4.14.
Voor het vaststellen van de hoogte van de toe te kennen billijke vergoeding zijn in de rechtspraak uitgangspunten geformuleerd. [3] De kantonrechter moet bij het bepalen van de billijke vergoeding rekening houden met alle (uitzonderlijke) omstandigheden van het geval en die vergoeding moet daarbij aansluiten. Het gaat er uiteindelijk om dat de werknemer wordt gecompenseerd voor het ernstig verwijtbaar handelen of nalaten van de werkgever. Ook met de gevolgen van het ontslag kan rekening worden gehouden, voor zover die gevolgen zijn toe te rekenen aan het verwijt dat de werkgever kan worden gemaakt. De billijke vergoeding heeft geen bestraffend doel, maar met de billijke vergoeding kan ook worden tegengegaan dat werkgevers ervoor kiezen een arbeidsovereenkomst op ernstig verwijtbare wijze te laten eindigen.
4.15.
De kantonrechter zal een billijke vergoeding toekennen van € 11.492,30. Daarbij is het volgende in aanmerking genomen. De zes maanden waarvan [verzoekster] vergoeding vraagt komt de kantonrechter niet onredelijk voor. De arbeidsovereenkomst had niet eenzijdig opgezegd mogen worden als gevolg waarvan de arbeidsovereenkomst zou zijn voortgezet. [verzoekster] is daarnaast arbeidsongeschikt. [verzoekster] stelt dat zij niet eerder dan per 1 januari 2026 zou hebben ingestemd met een beëindiging wegens wederzijds goedvinden vanwege arbeidsongeschiktheid. Zij verwacht voor die tijd niet voldoende herstelt te zijn om aan haar ww-verplichtingen te voldoen. De gevraagde billijke vergoeding van € 13.790,76 bruto, wat neerkomt op zes maanden loon, is daarmee voldoende onderbouwd. Echter, [verzoekster] heeft over een deel geen inkomensschade geleden als zij de gefixeerde schadevergoeding ontvangt, zoals hierna zal blijken. Omdat de gefixeerde vergoeding een gestandaardiseerde vergoeding van de inkomensschade is die [verzoekster] lijdt als gevolg van de onregelmatige opzegging, zal de kantonrechter de gefixeerde vergoeding op de inkomensschade van de billijke vergoeding in mindering brengen.
4.16.
[verweerder] zal daarom worden veroordeeld tot betaling van een billijke vergoeding van € 11.492,30 bruto. De gevorderde wettelijke rente over deze vergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking.
[verweerder] moet de vergoeding wegens onregelmatige opzegging betalen
4.17.
Ook de gevorderde vergoeding wegens onregelmatige opzegging zal worden toegewezen, omdat is opgezegd tegen een eerdere dag dan die tussen partijen geldt. [4] Onweersproken is door [verzoekster] gesteld dat de opzegtermijn één maand bedraagt, zodat de kantonrechter uit gaat van de juistheid daarvan. De vergoeding is gelijk aan het bedrag van het loon over de opzegtermijn, te weten € 2.298,46. De gevorderde wettelijke rente over deze vergoeding wordt toegewezen, te rekenen vanaf de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd, dus vanaf 1 juli 2025.
[verweerder] moet de transitievergoeding betalen
4.18.
Het verzoek om [verweerder] te veroordelen tot betaling van een transitievergoeding wordt eveneens toegewezen. Onweersproken is gesteld dat de transitievergoeding € 255,38 bedraagt. De kantonrechter gaat hier dus van uit. [verweerder] wordt veroordeeld tot betaling van de transitievergoeding.
[verweerder] hoeft de buitengerechtelijke kosten niet te betalen
4.19.
Het verzoek om [verweerder] te veroordelen tot betaling van buitengerechtelijke kosten wordt afgewezen, omdat onvoldoende is gesteld of gebleken dat sprake is van buitengerechtelijke werkzaamheden die een vergoeding daarvoor kunnen rechtvaardigen. Naar het oordeel van de kantonrechter zien de gemaakte kosten op die betrekking hebben op deze procedure.
[verweerder] moet de proceskosten betalen
4.20.
De proceskosten komen voor rekening van [verweerder] , omdat [verweerder] overwegend ongelijk krijgt en sprake is van (ernstig) verwijtbaar handelen of nalaten van [verweerder] . Er is geen aanleiding tot toewijzing van de daadwerkelijke proceskosten, zoals [verzoekster] heeft gevraagd. Voor toewijzing van de werkelijke kosten voor rechtsbijstand in plaats van de gebruikelijke forfaitaire kosten is plaats als sprake is van misbruik van bevoegdheid of onrechtmatig handelen. Daarvan is naar het oordeel van de kantonrechter geen sprake, ondanks het oordeel dat [verweerder] ernstig verwijtbaar heeft gehandeld.
4.21.
De proceskosten aan de zijde van [verzoekster] worden begroot op € 1.206,00 (€ 257,00 aan griffierecht, € 814,00 aan salaris gemachtigde en € 135,00 aan nakosten), plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing.

5.De beoordeling van het tegenverzoek

5.1.
[verweerder] vordert terugbetaling van het bedrag van € 4.430,18 vermeerderd met wettelijke rente. Volgens [verweerder] heeft zij dit bedrag onverschuldigd betaald. Zoals hiervoor reeds is gebleken, is van een onverschuldigde betaling geen sprake. Er is sprake van een arbeidsovereenkomst en [verweerder] is op grond van die arbeidsovereenkomst loon aan [verzoekster] verschuldigd. Het bedrag van € 4.430,18 is dan ook niet onverschuldigd betaald, zodat de vordering van [verweerder] wordt afgewezen.
5.2.
[verweerder] heeft nog aangevoerd dat als er sprake is van een arbeidsovereenkomst, zij [verzoekster] voor drie dagen per week heeft uitbetaald terwijl [verzoekster] twee dagen per week aanwezig is geweest. Een dag betreft opleidingskosten, daar staat volgens [verweerder] geen prestatie tegenover. In dit verweer van [verweerder] gaat de kantonrechter niet mee. De vorige werkgever van [verzoekster] heeft de opleidingsdag ook uitgekeerd. [verweerder] is onder dezelfde voorwaarden met [verzoekster] in zee gegaan. [verzoekster] geeft in het Whatsappgesprek aan dat zij dit betaald krijgt. Op verzoek van [verweerder] verstrekt zij ook een loonstrook van de vorige werkgever van [verzoekster] . Dat is ook nog eens gecontroleerd door een collega van [B] . Dat [verweerder] de opleidingsdag niet heeft willen uitkeren, maar dit wel heeft gedaan komt voor haar rekening en risico.
De proceskosten worden gecompenseerd
5.3.
De kantonrechter zal bepalen dat partijen ieder hun eigen proceskosten moeten betalen, omdat de aard van de zaak daartoe aanleiding geeft en het tegenverzoek niet een dusdanig meerwerk oplevert dat hiervoor een vergoeding moet worden toegekend.

6.De beslissing

De kantonrechter
op het verzoek
6.1.
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoekster] een billijke vergoeding te betalen van € 11.492,30, te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf de veertiende dag na de datum van deze beschikking, tot aan de dag van de gehele betaling,
6.2.
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoekster] de vergoeding wegens onregelmatige opzegging te betalen van € 2.298,46, te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 1 juli 2025 tot aan de dag van de gehele betaling,
6.3.
veroordeelt [verweerder] om aan [verzoekster] een transitievergoeding te betalen van € 255,38,
6.4.
veroordeelt [verweerder] in de proceskosten van € 1.206,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verweerder] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en de beschikking daarna wordt betekend,
6.5.
verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad [5] ,
6.6.
wijst het meer of anders verzochte af,
op het tegenverzoek
6.7.
wijst het verzoek af,
6.8.
bepaalt dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.
Deze beschikking is gegeven door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 31 december 2025.

Voetnoten

1.Artikel 7:681 lid 1, onderdeel a, BW.
3.Zie de uitspraak van de Hoge Raad van 30 juni 2017, te vinden op www.rechtspraak.nl, onder nummer ECLI:NL:HR:2017:1187 (
4.Artikel 7:672 lid 11 BW.
5.Uitvoerbaar bij voorraad betekent dat de veroordelingen in de beschikking uitgevoerd moeten worden, ook als eventueel in hoger beroep wordt gegaan.