ECLI:NL:RBMNE:2025:7202

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
26 november 2025
Publicatiedatum
9 januari 2026
Zaaknummer
UTR 25/6628
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toewijzing verzoek voorlopige voorziening tegen gebiedsverbod opgelegd door burgemeester

Op 26 november 2025 heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Midden-Nederland uitspraak gedaan in een zaak waarin verzoeker, vertegenwoordigd door mr. D.E. Post, een voorlopige voorziening heeft gevraagd tegen een gebiedsverbod dat door de burgemeester van Almere was opgelegd. Het gebiedsverbod was ingesteld voor de periode van 7 november 2025 tot en met 5 december 2025, rondom de sportschool van verzoeker. De burgemeester stelde dat er een ernstige vrees bestond voor verstoring van de openbare orde, gebaseerd op incidenten uit het verleden, waaronder beschietingen en een ontploffing bij de sportschool. De voorzieningenrechter heeft echter geoordeeld dat de burgemeester niet voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat er nog steeds sprake was van een actuele dreiging. De voorzieningenrechter heeft het verzoek om voorlopige voorziening toegewezen en het gebiedsverbod geschorst tot één dag na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar. Tevens is de burgemeester veroordeeld tot betaling van het griffierecht en proceskosten aan verzoeker. De uitspraak is openbaar gedaan en er staat geen hoger beroep of verzet open.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 25/6628

proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de voorzieningenrechter van

26 november 2025 op het verzoek om voorlopige voorziening in de zaak tussen

[verzoeker] , uit [plaats] , verzoeker

(gemachtigde: mr. D.E. Post),
en

de burgemeester van de gemeente Almere

(gemachtigde: mr. Demitriades).

Inleiding

1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker tegen het aan hem opgelegde gebiedsverbod.
1.1.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek in deze uitspraak toe, omdat de burgemeester in dit geval niet bevoegd was het gebiedsverbod op te leggen op grond van artikel 175 van de Gemeentewet.
1.2.
Met het bestreden besluit van 7 november 2025 heeft de burgemeester aan verzoeker een gebiedsverbod opgelegd voor het gebied rondom zijn sportschool in [plaats] voor de periode van 7 november 2025 tot en met 5 december 2025. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt.
1.3.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 26 november 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: verzoeker, mr. M.D. Balesar als waarnemer van de gemachtigde van verzoeker en de gemachtigde van de burgemeester.
1.4.
Na afloop van de zitting heeft de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak gedaan.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

2. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Spoedeisend belang

3. Tussen partijen is niet in geschil dat verzoeker een spoedeisend belang bij de gevraagde voorlopige voorziening. Ook de voorzieningenrechter is van oordeel dat sprake is van een spoedeisend belang. De spoedeisendheid is gelegen in de aard van het besluit, een gebiedsverbod is een verstrekkende maatregel die ingrijpt in het leven van een persoon, en het belang van verzoeker om zijn sportschool draaiende te houden, terwijl deze in financieel zwaar weer verkeert.
Heeft het bezwaar redelijke kans van slagen?
3.1.
De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen vervolgens of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen.
4. Verzoeker voert aan dat er geen bevoegdheid bestaat voor de oplegging van het gebiedsverbod, omdat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat sprake is van een ernstige vrees op verdere verstoring van de openbare orde in de zin van artikel 175, eerste lid, van de Gemeentewet. Het laatste incident dateert van meer dan 10 maanden geleden.
5. De burgemeester stelt zich op het standpunt dat er wel sprake is van een ernstige vrees op verdere verstoring van de openbare orde in de zin van artikel 175, eerste lid, van de Gemeentewet. Daarvoor verwijst de burgemeester naar de bestuurlijke rapportage die op 7 november 2025 is ontvangen. Hieruit blijkt dat verzoeker in december 2024 en januari 2025 is beschoten vlakbij zijn sportschool. Daarnaast is er ook een ontploffing geweest bij de sportschool. Na deze incidenten is besloten de sportschool te sluiten en is cameratoezicht ingesteld. In april 2025 liepen deze maatregelen af. Op 6 oktober 2025 is verzoeker door de politie gezien bij het bedrijfspand, waarbij verzoeker aangaf dat hij zijn sportschool moest opknappen omdat hij geld moest verdienen. Op 3 november heeft de politie gezien dat er zes personen aanwezig waren in de sportschool, waaronder verzoeker. De politie concludeerde dat verzoeker aan het lesgeven was. Aan verzoeker is geadviseerd om dat hij in [plaats] een makkelijk doelwit is en daarmee ook anderen mogelijk in gevaar brengt. Verzoeker is twee keer beschoten en het is onbekend waar de dreiging vandaan komt. De politie geeft de burgemeester in overweging mee om passende bestuurlijke maatregelen te nemen op basis van de bestuurlijke rapportage.
6. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. De eerste voorwaarde voor het opleggen van een gebiedsverbod op grond van artikel 175 van de Gemeentewet is dat sprake moet zijn van ernstige wanordelijkheden of de ernstige vrees voor het ontstaan daarvan. Simpel gezegd moet het gaan om een lokale noodsituatie of de ernstige vrees dat zich een lokale noodsituatie gaat voordoen. Die noodsituatie moet zodanig zijn dat een ernstig gevaar of een dreigend ernstig gevaar bestaat voor de openbare orde en/of de openbare veiligheid in de gemeente. Het is aan de burgemeester om in het besluit aannemelijk te maken dat sprake is van een lokale noodsituatie. Bij deze toetsing moet de voorzieningenrechter uitgaan van de informatie die de burgemeester op dat moment ter beschikking kon staan.
7. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is in het besluit van de burgemeester niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van de ernstige vrees voor een lokale noodsituatie. De enkele aanwezigheid van verzoeker in en rond zijn sportschool, gecombineerd met de ernstige incidenten die in december 2024 en januari 2025 hebben plaatsgevonden, is onvoldoende om nu nog steeds aan te nemen dat sprake is van ernstige vrees voor ernstige wanordelijkheden. De conclusie dat de dreiging jegens verzoeker nog actueel is, is niet gebaseerd op actuele feiten en omstandigheden. De burgemeester mag weliswaar uitgaan van de juistheid van de bestuurlijke rapportage, maar dat beperkt zich tot de gedane waarnemingen die in deze rapportage zijn opgenomen. De conclusie dat er nog steeds sprake is van een ernstige vrees is aan de burgemeester om te trekken aan de hand van de aan hem gepresenteerde feiten.
8. Gelet op het voorgaande heeft het bezwaar van verzoeker redelijke kans van slagen en ziet de voorzieningenrechter aanleiding het gebiedsverbod per ingang van heden te schorsen tot één dag na de bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
9. De voorzieningenrechter overweegt ten overvloede als volgt. Wanneer de burgemeester in de beslissing op bezwaar toch tot het oordeel komt dat er sprake is van een ernstige vrees voor ernstige wanordelijkheden, dan zou in die beslissing ook gemotiveerd moeten worden waarom aan die conclusie niet afdoet dat verzoeker de afgelopen maanden met regelmaat bij zijn sportschool is geweest, zonder dat dit tot incidenten heeft geleid. Daarnaast moet bekeken worden of er niet minder ingrijpende maatregelen getroffen kunnen worden.

Conclusie en gevolgen

10. De voorzieningenrechter wijst het verzoek toe en treft de voorlopige voorziening dat het besluit van 7 november 2025 is geschorst tot één dag na bekendmaking van de beslissing op bezwaar.
10.1.
Omdat de voorzieningenrechter het verzoek toewijst moet de burgemeester het griffierecht aan verzoeker vergoeden. Daarom krijgt verzoeker ook een vergoeding van zijn proceskosten. De burgemeester moet deze vergoeding betalen. De vergoeding is met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht als volgt berekend. Voor de rechtsbijstand door een gemachtigde krijgt verzoeker een vast bedrag per proceshandeling. De gemachtigde heeft het verzoekschrift ingediend en aan de zitting deelgenomen. Elke proceshandeling heeft een waarde van € 907,-. De vergoeding bedraagt dan in totaal € 1.814,-.

Beslissing

De voorzieningenrechter:
- schorst het primaire besluit tot één dag na bekendmaking van de beslissing op bezwaar;
- bepaalt dat de burgemeester het griffierecht van € 194,- aan verzoeker moet vergoeden;
- veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.814,- aan proceskosten aan verzoeker.
Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 26 november 2025 door
mr. G. Schnitzler, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr.M.A.W.M. Engels, griffier.
De voorzieningenrechter is verhinderd
dit proces-verbaal te ondertekenen
griffier
voorzieningenrechter
Een afschrift van dit proces-verbaal is verzonden aan partijen op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.