ECLI:NL:RBMNE:2025:7201
Rechtbank Midden-Nederland
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing verzoek voorlopige voorziening tegen intrekking erkenning bedrijfsvoorraad RDW
De RDW heeft op 15 augustus 2024 de erkenning bedrijfsvoorraad van verzoeker ingetrokken voor vier weken, waarvan twee weken voorwaardelijk, vanwege een overtreding van artikel 62, eerste lid, van de Wegenverkeerswet 1994. Verzoeker heeft hiertegen bezwaar gemaakt, maar de RDW heeft het besluit gehandhaafd. Verzoeker stelde beroep in en verzocht om een voorlopige voorziening om de intrekking te schorsen totdat op het beroep is beslist.
De voorzieningenrechter heeft op 10 november 2025 de zaak mondeling behandeld. Verzoeker stelde dat de intrekking leidt tot aanzienlijke financiële schade en reputatieschade, omdat klanten langer moeten wachten en mogelijk naar concurrenten overstappen. Tevens wees verzoeker op de onwerkbaarheid van de alternatieve VIA-procedure voor kentekenaanvragen tijdens de intrekking.
De voorzieningenrechter oordeelde dat een financieel belang op zichzelf onvoldoende is voor het treffen van een voorlopige voorziening, tenzij aannemelijk is dat verzoeker in een financiële noodsituatie zal verkeren. Verzoeker heeft echter niet voldoende onderbouwd dat hij die noodsituatie zal bereiken of dat de schade niet draaglijk is. Daarom is geen sprake van een spoedeisend belang.
De voorzieningenrechter wees het verzoek om voorlopige voorziening af en schortte de beslissing op bezwaar niet. Er is geen aanleiding voor vergoeding van griffierecht of proceskosten. Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening tegen de intrekking van de erkenning bedrijfsvoorraad wordt afgewezen wegens ontbreken van een spoedeisend belang.