In deze zaak heeft de rechtbank Midden-Nederland op 13 november 2025 uitspraak gedaan op het verzet van de opposant tegen een eerdere uitspraak van 20 januari 2025, waarin zijn beroep niet-ontvankelijk werd verklaard. De opposant had beroep ingesteld tegen een besluit van de korpschef van de politie van 5 februari 2023, waarbij zijn verzoek om inzage in persoonsgegevens was ingewilligd. De rechtbank oordeelde dat de opposant geen procesbelang had bij zijn beroep, omdat hij de gevraagde gegevens al had ingezien en de uitkomst van het beroep niet tot een gunstiger resultaat kon leiden.
De opposant ging in verzet tegen deze uitspraak, maar de rechtbank oordeelde dat de gronden die de opposant in zijn verzet naar voren bracht niet voldoende concreet waren. De rechtbank benadrukte dat het verzet niet gericht was op de juistheid van de eerdere uitspraak, maar op de vraag of de rechtbank terecht had geoordeeld dat er geen twijfel was over de uitkomst van de zaak. De rechtbank concludeerde dat de opposant niet had aangetoond dat er wel procesbelang was en dat de eerdere uitspraak terecht was gedaan zonder zitting.
Uiteindelijk verklaarde de rechtbank het verzet ongegrond, waardoor de uitspraak van 20 januari 2025 in stand bleef. De beslissing werd openbaar uitgesproken en de partijen werden geïnformeerd dat tegen deze uitspraak geen hoger beroep mogelijk was.