Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBMNE:2025:7157

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
31 december 2025
Publicatiedatum
7 januari 2026
Zaaknummer
UTR 24/3625
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 8:75 AwbArt. 2, eerste lid, onder a BpbBijlage C1 Bpb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet gegrond tegen proceskostenveroordeling bij niet tijdig beslissen bestuursrechtelijke aanvraag

Deze bestuursrechtelijke zaak betreft het verzet van eiseres tegen een eerdere uitspraak van 12 juli 2024, waarin de rechtbank het beroep gegrond verklaarde wegens het niet tijdig beslissen op haar aanvraag van 27 december 2022. De oorspronkelijke uitspraak kende proceskosten toe met een wegingsfactor van 0,25, wat eiseres betwistte en een factor van 0,5 vorderde.

De rechtbank beoordeelt in het verzet of de eerdere beslissing om zonder zitting te oordelen terecht was en of de toegepaste wegingsfactor correct was. Gezien recente jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State past de rechtbank nu een wegingsfactor van 0,5 toe, waarmee het verzet gegrond wordt verklaard. De uitspraak van 12 juli 2024 wordt slechts gedeeltelijk vervallen verklaard, namelijk voor zover artikel 8:75 Awb Pro onjuist werd toegepast.

Daarnaast doet de rechtbank tevens uitspraak op het beroep, waarbij eiseres wordt veroordeeld in de proceskosten van het beroep en verzet, elk tot een bedrag van €453,50, en wordt het betaalde griffierecht van €51,- vergoed. De uitspraak is gedaan zonder zitting en in het openbaar op 31 december 2025.

Uitkomst: Het verzet en beroep worden gegrond verklaard en de proceskostenvergoeding wordt verhoogd met toepassing van een wegingsfactor van 0,5.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/3625- V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 31 december 2025 op het verzet van

[opposante] , te [woonplaats] , opposante,

(gemachtigde: mr. M. Kartal).

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het beroep dat opposante heeft ingediend omdat verweerder volgens haar niet op tijd heeft beslist op haar aanvraag van 27 december 2022.
In de uitspraak van 12 juli 2024 heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard en onder andere verweerder voordeelt in de proceskosten van opposante tot een bedrag van € 218,75,- en wegingsfactor 0,25. Opposante is tegen deze uitspraak in verzet gegaan en heeft niet gevraagd om op een zitting te worden gehoord.

Overwegingen

1. Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was.
De rechtbank kijkt (nog) niet of opposante gelijk heeft met haar beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van de rechtbank van 12 juli 2024 niet juist was.
3. Volgens opposante is de uitspraak van de rechtbank van 12 juli 2024 niet juist omdat de proceskosten € 437,50,- had moeten zijn met toepassing van wegingsfactor 0,5. Opposante stelt dat niet het aantal en de omvang van de door gemachtigde opgestelde documenten doorslaggevend zijn voor het oordeel of de zaak bewerkelijk is, maar het gewicht van de zaak en de activiteiten die de gemachtigde in dat kader heeft moeten verrichten [1] . Onder verwijzing naar de uitspraak van de Afdeling van 27 maart 2024 [2] is opposante van oordeel dat in dit geval wegingsfactor 0,5 (licht) voor het instellen van beroep op zijn plaats is. In iedere zaak wordt gemiddeld drie uur aan rechtsbijstand verleend. Opposante kan zich vinden in de kwalificatie van de onderhavige procedure als ‘lichte’ zaak, maar niet in de kwalificatie als ‘zeer lichte’ zaak. Opposante is van mening dat met toepassing van artikel 2, eerste lid, onder a en bijlage C1, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) in verband met het lichte gewicht van de zaak een wegingsfactor van 0,5 toegepast had moeten worden, in plaats van de door de rechtbank toegepaste 0,25.
4. De rechtbank is van oordeel dat het verzet niet kennelijk (dus buiten redelijke twijfel) gegrond verklaard had mogen worden. De lijn van deze rechtbank ten aanzien van beroepen tegen het niet tijdig nemen van een besluit en de daarbij te hanteren wegingsfactor bij het bepalen van de proceskostenveroordeling heeft veel discussie opgeleverd en de rechtbank heeft, naar aanleiding van de uitspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 2 mei 2024 [3] , sinds enige tijd deze lijn verlaten. De rechtbank gaat nu uit van een wegingsfactor 0,5. Uit het oogpunt van rechtsbescherming dient daarom ook in dit geval de nieuwe lijn te worden toegepast.
5. Nu het verzet zich enkel richt tegen de toepassing van artikel 8:75 van Pro de Awb, bestaat er geen aanleiding om de gehele uitspraak van 12 juli 2024 vervallen te verklaren. De rechtbank zal deze dan ook alleen laten vervallen voor zover daarbij artikel 8:75 van Pro de Awb is toegepast. Omdat het alleen gaat om de hoogte van de proceskostenveroordeling, zal de rechtbank de beoordeling van het beroep daartoe beperken.

Ten aanzien van het beroep

6. De rechtbank ziet aanleiding om met toepassing van artikel 8:55, tiende lid, van de Awb tevens uitspraak te doen op het beroep, nu nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en partijen in de gelegenheid zijn gesteld om op een zitting te worden gehoord en zijn gewezen op de bevoegdheid van de rechtbank om tevens uitspraak te doen op het beroep.
7. Opposante zal hierna verder worden aangeduid als eiseres.
8. De rechtbank zal geopposeerde veroordelen in de proceskosten van opposante in beroep. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) is dit een vast bedrag omdat opposant een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaak alleen gaat over de vraag of de beslistermijn is overschreden, wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Toegekend wordt
€ 453,50 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van
€ 907,- en een wegingsfactor 0,5).

Conclusie en gevolgen

9. Het verzet en het beroep zijn gegrond.
10. Nu het verzet gegrond wordt verklaard, veroordeelt de rechtbank geopposeerde ook in de door opposant gemaakte proceskosten in verzet. Volgens het Bpb is dit een vast bedrag, omdat opposant een professionele (juridische) hulpverlener heeft ingeschakeld om voor hem een verzetschrift in te dienen. Toegekend wordt € 453,50 (0,5 punt voor het indienen van het verzetschrift, met een waarde per punt van € 907,- en een wegingsfactor van 1).
11. Ook moet verweerder, voor zover dit nog niet is voldaan, het door eiseres betaalde griffierecht van € 51,- vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:
- verklaart het verzet gegrond;
- verklaart het beroep gegrond;
- verklaart de uitspraak van 12 juli 2024 vervallen voor zover daarbij artikel 8:75 van Pro de Awb onjuist is toegepast;
- laat de uitspraak van 12 juli 2024 voor het overige in stand;
- veroordeelt geopposeerde, voor zover dit nog niet door geopposeerde is voldaan, tot betaling van de door opposant gemaakte proceskosten in beroep, tot een bedrag van
€ 453,50;
- veroordeelt verweerder tot betaling van de door opposant gemaakte proceskosten in verzet, tot een bedrag van € 453,50.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, rechter, in aanwezigheid van O. Asafiati, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 31 december 2025.
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Tegen deze uitspraak staat voor zover daarbij is beslist op het verzet geen hoger beroep open. Als u het niet eens bent met deze uitspraak voor zover daarbij is beslist op het beroep, kunt u een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.