Deze uitspraak betreft het verzet van opposant tegen de uitspraak van 27 februari 2025, waarin het beroep van opposant tegen de beslissing op bezwaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht (BGHU) niet-ontvankelijk werd verklaard wegens te late indiening.
Opposant stelde dat er sprake was van ongelijke behandeling omdat de BGHU in andere zaken te laat een verweerschrift mocht indienen of te lang deed over een beslissing op bezwaar, terwijl hij zelf niet de mogelijkheid kreeg om een te laat ingediend beroepschrift te laten accepteren. De rechtbank oordeelt dat dit argument niet opgaat omdat voor het indienen van een beroepschrift andere wettelijke regels gelden dan voor het indienen van een verweerschrift of het nemen van een beslissing op bezwaar.
De rechtbank legt uit dat de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken bedraagt en dat te laat ingediende beroepen niet-ontvankelijk worden verklaard, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest. Voor verweerschriften gelden geen harde termijnen en kunnen ook te laat ingediende stukken worden betrokken indien de goede procesorde niet wordt bedreigd.
Gelet op deze verschillen concludeert de rechtbank dat er geen sprake is van ongelijke behandeling en verklaart het verzet ongegrond. De uitspraak van 27 februari 2025 blijft daarmee in stand.