In deze zaak gaat het om het verzet van de opposant tegen de uitspraak van 27 februari 2025, waarin de rechtbank het beroep van de opposant tegen de beslissing op bezwaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht (BGHU) van 14 augustus 2024 niet-ontvankelijk heeft verklaard. De opposant heeft geen verzoek gedaan om op een zitting te worden gehoord, en de rechtbank heeft geoordeeld dat een zitting niet nodig was. De rechtbank heeft de uitspraak gedaan zonder zitting op basis van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De rechtbank heeft in de eerdere uitspraak geoordeeld dat het beroep niet-ontvankelijk was omdat de opposant te laat beroep had ingediend. De rechtbank heeft geen twijfel over de uitkomst van de zaak en heeft daarom zonder zitting uitspraak gedaan. De opposant betoogt dat er sprake is van ongelijke behandeling, omdat de BGHU in andere zaken te laat een verweerschrift heeft ingediend zonder dat dit gevolgen had. De rechtbank weerlegt dit argument door te stellen dat er geen sprake is van gelijke gevallen en dat de wettelijke regels voor het indienen van beroepschriften en verweerschriften verschillen.
De rechtbank verwijst naar artikel 6:7 van de Awb, dat een termijn van zes weken voor het indienen van een beroepschrift voorschrijft, en artikel 6:11, dat bepaalt dat een beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard als het te laat wordt ingesteld, tenzij er geen verzuim kan worden vastgesteld. De rechtbank concludeert dat de opposant niet ongelijk is behandeld en dat zijn verzet ongegrond is. De uitspraak van 27 februari 2025 blijft dan ook in stand. De rechtbank verklaart het verzet ongegrond en deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van O. Asafiati, griffier, en is openbaar uitgesproken op 18 november 2025.