ECLI:NL:RBMNE:2025:7136

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
18 november 2025
Publicatiedatum
7 januari 2026
Zaaknummer
UTR 24/6741
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijk verklaring van beroep inzake beslissing op bezwaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht

In deze zaak gaat het om het verzet van de opposant tegen de uitspraak van 27 februari 2025, waarin de rechtbank het beroep van de opposant tegen de beslissing op bezwaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht (BGHU) van 14 augustus 2024 niet-ontvankelijk heeft verklaard. De opposant heeft geen verzoek gedaan om op een zitting te worden gehoord, en de rechtbank heeft geoordeeld dat een zitting niet nodig was. De rechtbank heeft de uitspraak gedaan zonder zitting op basis van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

De rechtbank heeft in de eerdere uitspraak geoordeeld dat het beroep niet-ontvankelijk was omdat de opposant te laat beroep had ingediend. De rechtbank heeft geen twijfel over de uitkomst van de zaak en heeft daarom zonder zitting uitspraak gedaan. De opposant betoogt dat er sprake is van ongelijke behandeling, omdat de BGHU in andere zaken te laat een verweerschrift heeft ingediend zonder dat dit gevolgen had. De rechtbank weerlegt dit argument door te stellen dat er geen sprake is van gelijke gevallen en dat de wettelijke regels voor het indienen van beroepschriften en verweerschriften verschillen.

De rechtbank verwijst naar artikel 6:7 van de Awb, dat een termijn van zes weken voor het indienen van een beroepschrift voorschrijft, en artikel 6:11, dat bepaalt dat een beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard als het te laat wordt ingesteld, tenzij er geen verzuim kan worden vastgesteld. De rechtbank concludeert dat de opposant niet ongelijk is behandeld en dat zijn verzet ongegrond is. De uitspraak van 27 februari 2025 blijft dan ook in stand. De rechtbank verklaart het verzet ongegrond en deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van O. Asafiati, griffier, en is openbaar uitgesproken op 18 november 2025.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: UTR 24/6741-V

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 18 november 2025 op het verzet van

[opposant] , te [plaats] , opposant.

Procesverloop

Deze uitspraak gaat over het verzet van opposant tegen de uitspraak van 27 februari 2025 van deze rechtbank. In die uitspraak heeft de rechtbank het beroep van opposant tegen de beslissing op bezwaar van de Belastingsamenwerking gemeenten & hoogheemraadschap Utrecht (BGHU) van 14 augustus 2024 niet-ontvankelijk verklaard.
Opposant is tegen deze uitspraak in verzet gegaan. Hij heeft niet gevraagd om op een zitting te worden gehoord en de rechtbank vindt een zitting in deze zaak ook niet nodig. Daarom wordt er zonder zitting uitspraak gedaan.

Overwegingen

1. De rechtbank heeft in de uitspraak van 27 februari 2025 het beroep niet-ontvankelijk verklaard, omdat opposant te laat beroep heeft ingediend. Omdat de rechtbank geen twijfel had over de uitkomst van de zaak, heeft zij de uitspraak gedaan zonder eerst een zitting te houden. Dat mag op grond van artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
2. In deze zaak moet de rechtbank beoordelen of de rechtbank toen terecht heeft geoordeeld dat er geen twijfel over de uitkomst was en dat er dus geen zitting nodig was.
De rechtbank kijkt (nog) niet of opposant gelijk heeft met zijn beroep. Dat gebeurt pas als de rechtbank van oordeel is dat de uitspraak van de rechtbank van 27 februari 2025 niet juist is.
3. Volgens opposant is de uitspraak van de rechtbank van 27 februari 2025 niet juist vanwege ongelijke behandeling. Kort samengevat vindt opposant dat als de BGHU te laat een verweerschrift mag indienen of te lang mag doen over een beslissing op bezwaar, dat hij dan ook te laat een beroepschrift mag indienen. Opposant heeft daarbij verwezen naar verschillende zaken van deze rechtbank waarbij termijnoverschrijdingen van de BGHU door de rechtbank wel zijn geaccepteerd.
4. De rechtbank volgt opposant niet in dit argument. Er is namelijk geen sprake van gelijke gevallen en daarom ook niet van een ongelijke behandeling. Dat legt de rechtbank in het vervolg uit. In de kern komt het er op neer dat voor het (te laat) indienen van een bezwaarschrift andere wettelijke regels gelden dan voor het nemen van een beslissing op bezwaar of het indienen van een verweerschrift. Omdat er andere regels gelden, zijn de gevolgen bij het niet naleven van die regels ook anders.
5. In artikel 6:7 van de Awb staat dat de termijn voor het indienen van een beroepschrift zes weken is. Uit artikel 6:11 van de Awb volgt dat het beroep niet-ontvankelijk wordt verklaard als te laat beroep wordt ingesteld, tenzij redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.
6. Voor het indienen van verweerschriften gelden andere regels. Ten eerste volgt uit artikel 8:42 van de Awb dat het indienen van een verweerschrift (in beginsel) niet verplicht is. Verder staan er in de Awb geen harde regel over welke gevolgen het te laat indienen van een verweerschrift moet hebben. Uit jurisprudentie volgt dat ook te laat ingediende verweerschriften bij de zaak betrokken kunnen worden, waarbij gekeken moet worden of de goede procesorde niet bedreigd wordt.
7. Voor het (tijdig) beslissen op bezwaar gelden weer andere regels. Een betrokkene kan een bestuursorgaan, wanneer nog niet is besloten terwijl dat wel had gemoeten, in gebreke stellen, daarna kan het bestuursorgaan een dwangsom verbeuren en vervolgens kan een betrokkene beroep instellen tegen het niet tijdig nemen van een besluit.
8. Gelet op de hiervoor genoemde verschillen, gaat het argument van opposant niet op. Zijn zaak is niet ongelijk behandeld. Dit betekent dat het verzet ongegrond is en dat de uitspraak van de rechtbank van 27 februari 2025 in stand blijft.

Beslissing

De rechtbank verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G. Schnitzler, rechter, in aanwezigheid van O. Asafiati, griffier
.De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 november 2025.
de griffier is buiten staat
te ondertekenen
griffier rechter
Afschrift verzonden aan partijen op:

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan beroep in cassatie worden ingesteld bij de Hoge Raad der Nederlanden.