ECLI:NL:RBMNE:2025:7131

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
6 januari 2026
Zaaknummer
11638443 \ UC EXPL 25-3114
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vorderingen tussen ex-partners met betrekking tot betaling van auto's en loon

In deze zaak vorderde eiser, handelende onder de naam [handelsnaam], betaling van twee auto's die gedaagde, ook handelende onder de naam [handelsnaam], van hem zou hebben gekocht. De gedaagde betwistte de koop van de Volvo en stelde dat deze als cadeau was gegeven. De kantonrechter oordeelde dat gedaagde € 2.250,00 moest betalen voor de Fiat 500 en € 19.900,00 voor de Volvo C70, omdat de bewijzen wezenlijk in het voordeel van eiser waren. Daarnaast vorderde gedaagde in reconventie loon en vakantiegeld over 2023, alsook een bedrag voor niet opgenomen vakantiedagen en een onbetaalde factuur. De kantonrechter oordeelde dat eiser nog € 2.420,91 aan nettoloon inclusief vakantiegeld over 2023 moest betalen, evenals € 985,00 voor niet genoten vakantiedagen en € 2.000,00 aan salaris over 2020. De wettelijke rente werd toegewezen over de verschuldigde bedragen. De proceskosten werden toegewezen aan de partijen in overeenstemming met hun gelijk of ongelijk in de zaak.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11638443 \ UC EXPL 25-3114
Vonnis van 17 december 2025
in de zaak van
[eiser] , handelende onder de naam [handelsnaam],
wonende te [woonplaats] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiser] ,
gemachtigde: mr. J.J.C. van Haren,
tegen
[gedaagde] , handelende onder de naam [handelsnaam],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
gemachtigde: mr. H.J. Zinkstok.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties
- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie met producties
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de conclusie van antwoord in reconventie met producties
- een brief van 15 oktober 2025 met bijlage van mr. Zinkstok
- de mondelinge behandeling van 30 oktober 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte heeft de kantonrechter bepaald dat dit vonnis wordt uitgesproken.

2.De kern van de zaak

2.1.
[gedaagde] is in 2017 als stagiair bij het autobedrijf van [eiser] begonnen en in januari 2018 als werkneemster daar gaan werken. Ongeveer een half jaar nadien kregen [eiser] en [gedaagde] ook een affectieve relatie. Per 1 januari 2024 hebben partijen met wederzijds goedvinden de arbeidsovereenkomst beëindigd, is [gedaagde] een eenmanszaak gestart en heeft [gedaagde] haar werkzaamheden in het autobedrijf van [eiser] uitgevoerd op factuurbasis. De affectieve relatie tussen partijen is rond mei 2024 beëindigd. [eiser] heeft op 13 april 2024 en 1 juli 2024 een Volvo respectievelijk een Fiat uit zijn voorraad op naam van [gedaagde] laten zetten. [eiser] zegt dat hij deze auto’s heeft verkocht aan [gedaagde] . Daarom vordert hij in deze procedure betaling van deze auto’s. Volgens [gedaagde] heeft zij de Volvo cadeau gekregen van [eiser] . De Fiat heeft zij wel van [eiser] gekocht, maar voor een lager bedrag dan [eiser] zegt. [gedaagde] vordert op haar beurt betaling door [eiser] van achterstallig salaris uit 2020 en 2023, vakantiegeld en -dagen uit 2023 en betaling van een openstaande factuur. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] [eiser] voor de Volvo en de Fiat moet betalen. [eiser] moet op zijn beurt aan [gedaagde] nog enkele bedragen betalen die voortvloeien uit de arbeidsrelatie/zakelijke relatie die tussen hen heeft bestaan.

3.De beoordeling

in conventie
[gedaagde] moet € 2.250,00 betalen aan [eiser] voor de Fiat 500
3.1.
[gedaagde] heeft erkend dat zij de Fiat 500 heeft gekocht van [eiser] en dat de koopprijs voor de Fiat in principe € 2.750,00 was. De Fiat was één van twee inruilauto’s die [eiser] van een klant ontving. Omdat er schade zat aan de Fiat hebben [eiser] en [gedaagde] , volgens [gedaagde] , afgesproken dat er € 500,00 in mindering gebracht zou worden op de koopprijs. [eiser] heeft erkend dat er is afgesproken dat er € 500,00 in mindering gebracht zou worden op de Fiat als hij dit bedrag van zijn klant zou ontvangen. Volgens [eiser] heeft hij wel € 500,00 ontvangen van zijn klant, maar was dit een vergoeding voor een probleem aan de andere inruilauto en niet voor de Fiat.
Dat op de koopprijs voor de Fiat in beginsel een bedrag in mindering gebracht zou worden vanwege schade staat gelet op het voorgaande vast. Ook staat vast dat [eiser] € 500,00 heeft ontvangen van de klant. Dat de door [eiser] ontvangen € 500,00 zag op de andere inruilauto kan niet worden vastgesteld. [eiser] had dit wel moeten onderbouwen. De kantonrechter oordeelt op basis van deze feiten dat de door [eiser] ontvangen € 500,00 conform de afspraak in mindering gebracht moet worden op de koopprijs van de Fiat.
[gedaagde] moet daarom € 2.250,00 betalen voor de Fiat.
[gedaagde] moet € 19.900,00 betalen aan [eiser] voor de Volvo C70
3.2.
Voor de Volvo C70 heeft [eiser] aangevoerd dat hij deze auto aan [gedaagde] heeft verkocht voor € 19.900,00. De kantonrechter is van oordeel dat het aannemelijk is dat [gedaagde] de Volvo heeft gekocht en acht het niet aannemelijk dat zij de Volvo cadeau heeft gekregen van [eiser] zoals zij zegt. Volgens [eiser] verkocht hij de Volvo (net als de Fiat) door aan [gedaagde] om haar te helpen zakelijk op eigen benen te staan. Zij was immers in januari 2024 een eigen onderneming gestart. Dit standpunt wordt onderbouwd door een getuigenverklaring van de boekhouder van [eiser] , de heer Dillen. Daarin staat dat tijdens een bespreking in januari 2024 onder andere is afgesproken dat [gedaagde] inruilauto’s van [eiser] overkoopt, die zij zelf kan doorverkopen. [1] [eiser] heeft verder een factuur voor de Volvo van € 19.900,00 overgelegd die gericht is aan [gedaagde] en gedateerd is op 13 april 2024 en hij heeft op de zitting verklaard dat hij deze factuur aan [gedaagde] heeft overhandigd. 13 april 2024 is ook de dag waarop de Volvo op naam van [gedaagde] is gezet zoals blijkt uit de e-mail van [eiser] aan zijn tussenpersoon voor de verzekering [2] en het is de dag waarop [gedaagde] de Volvo heeft ontvangen van [eiser] .
3.3.
Het standpunt van [gedaagde] dat zij de Volvo cadeau heeft gekregen voor haar verjaardag volgt de kantonrechter niet. Om te beginnen was [gedaagde] niet jarig op 13 april en uit niets blijkt dat haar verjaardag 2,5 week te vroeg werd gevierd. Uit hetgeen [eiser] heeft aangevoerd volgt juist dat haar verjaardag wél op 30 april is gevierd. Hij heeft namelijk aangevoerd dat hij [gedaagde] op 30 april 2024 voor haar verjaardag een RVS-pan en een weekendje weg [3] cadeau heeft gegeven. Hij heeft dit onderbouwd met een foto van 30 april 2024 waarop te zien is dat [gedaagde] de pan uitpakt en een WhatsApp bericht van 30 april 2024 over het weekendje weg. [gedaagde] heeft toegegeven dat zij deze cadeaus voor haar verjaardag heeft gekregen. De kantonrechter kan [gedaagde] ook niet volgen waar zij meent dat uit het feit dat de Volvo, de verzekeringspolis en de wegenbelasting op haar naam staan, blijkt dat de Volvo aan haar cadeau is gedaan. Het is namelijk evenzeer logisch dat deze zaken op haar naam komen te staan als de Volvo aan haar verkocht is. Ook uit de WhatsApp-conversatie waar [gedaagde] naar verwijst, volgt op geen enkele manier dat de Volvo aan haar cadeau is gedaan. Daarnaast heeft [gedaagde] op de zitting verklaard dat zij graag een auto op haar naam wilde hebben om (no-claim) jaren op te gaan bouwen voor een autoverzekering, maar ook dat betekent niet dat [gedaagde] een auto cadeau zou hebben gekregen.
3.4.
[gedaagde] heeft de factuur van [eiser] voor de Volvo in twijfel getrokken. Dat de factuur niet op de privénaam van [gedaagde] staat, maar op de naam ‘ [naam] ’, maakt de factuur niet onjuist zoals [gedaagde] lijkt aan te voeren. [gedaagde] factureerde zelf ook aan [eiser] onder de naam [naam] en zij heeft ook verklaard dat deze naam door haar werd gebruikt. Daarnaast heeft [gedaagde] (voor het eerst) op de zitting opgemerkt dat zij de factuur pas heeft ontvangen met een e-mail van de advocaat van [eiser] van 20 februari 2025 en dat uit onderzoek zou zijn gebleken dat het pdf-bestand van de factuur niet op 13 juli 2024 maar op 3 oktober 2024 is aangemaakt. Daarmee lijkt [gedaagde] te suggereren dat de factuur geantedateerd is. Nog los van het feit dat de kantonrechter niet beschikt over enig onderzoek als door [gedaagde] genoemd, is de datum van de factuur ook niet doorslaggevend. Hiervoor is al geoordeeld dat de auto geen verjaardagscadeau was. Een factuur hoeft niet op de dag van de verkoop opgemaakt te worden en [eiser] heeft op de zitting ook nog toegelicht dat hij eerst een conceptfactuur had opgemaakt en pas later de definitieve factuur heeft doorgevoerd in het boekhoudprogramma. De kantonrechter gaat om alle genoemde redenen voorbij aan het verzoek van [gedaagde] om [eiser] te bevelen zijn btw-administratie open te leggen om te kunnen zien wanneer de factuur precies is opgemaakt.
3.5.
[gedaagde] heeft subsidiair aangevoerd dat het factuurbedrag te hoog is omdat de marktwaarde van de Volvo destijds aanmerkelijk lager lag. Dat standpunt heeft [gedaagde] echter niet onderbouwd met stukken, door bijvoorbeeld een online waardebepaling van de ANWB over te leggen of door te laten zien voor welk bedrag zij de Volvo heeft doorverkocht. [gedaagde] heeft gevraagd om een deskundige te benoemen voor de waardebepaling, maar die vraag gaat er volledig aan voorbij dat het op haar weg had gelegen (eerst) zelf haar standpunt te onderbouwen. Dat had zij bij antwoord kunnen en moeten doen. Bij gebreke daarvan wordt het verzoek gepasseerd.
Conclusie
3.6.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [gedaagde] [eiser] € 19.900,00 moet betalen voor de Volvo C 70 en € 2.250,00 moet betalen voor de Fiat 500. In totaal moet [gedaagde] dus € 22.150,00 betalen. [eiser] heeft over dit bedrag wettelijke handelsrente gevorderd vanaf de datum van dagvaarding, 31 maart 2025, Dit wordt toegewezen, omdat [gedaagde] (in ieder geval) vanaf dat moment in verzuim is met de betaling.
in reconventie
Loon en vakantiegeld van 2023
3.7.
[gedaagde] vordert in reconventie aan loon en vakantiegeld over 2023:
  • € 3.617,53 netto aan achterstallig loon over 2023 inclusief vakantiegeld tot en met mei 2023 en
  • € 1.261,03 netto aan vakantiegeld over de periode juni tot en met december 2023.
3.8.
[gedaagde] heeft aangevoerd dat zij volgens haar salarisstroken € 1.970,36 netto per maand uitbetaald moest krijgen en in mei 2023 zelfs € 3.269,21, omdat zij die maand ook nog vakantiegeld zou ontvangen. Zij heeft echter maar € 1.792,00 netto per maand ontvangen. [gedaagde] heeft ter onderbouwing haar salarisstroken van januari tot en met november 2023 overgelegd [4] en een pagina uit de grootboekrekening van [eiser] [5] met door hem gestelde betalingen. [eiser] heeft bij zijn conclusie van antwoord in reconventie de salarisstrook van [gedaagde] van december 2023 [6] en een salarisstrook betreffende de afrekening van het vakantiegeld over de periode juni tot en met december 2023 [7] overgelegd. Uit deze laatste berekening volgt dat [gedaagde] € 773,74 netto aan vakantiegeld zou ontvangen voor deze periode. Dit is een lager bedrag dan het door [gedaagde] gevorderde nettobedrag van € 1.261,03 aan vakantiegeld over deze periode. De kantonrechter volgt de door [eiser] overgelegde salarisstrook voor het vakantiegeld over de periode juni tot en met december 2023 omdat dit een onderbouwde berekening is en [gedaagde] de juistheid van deze afrekening niet heeft weersproken. Uit de salarisstroken en deze berekening van het vakantiegeld volgt dat [gedaagde] over 2023 in totaal € 25.716,91 aan nettoloon inclusief vakantiegeld betaald had moeten krijgen.
3.9.
[eiser] heeft erkend dat hij per maand € 1.792,00 nettoloon heeft betaald met een automatische betaling via internetbankieren en dat dit een lager nettoloon betrof uit een eerder jaar. Hij had dit bedrag achteraf bezien per januari 2023 moeten aanpassen aan het werkelijke nettoloon uit 2023, zo erkent hij. De maandelijkse betaling was dus € 178,36 te laag . Voor de berekening van het door [gedaagde] ontvangen bedrag is van belang dat in de door haar overgelegde pagina uit de grootboekrekening van [eiser] is vermeld dat [eiser] niet alleen 12 keer € 1.792,00 via de bank heeft overgemaakt aan [gedaagde] voor het maandelijks loon, maar dat hij ook op 11 augustus 2023 € 1.792,00 aan vakantiegeld via de bank heeft overgemaakt. [gedaagde] heeft op de zitting gezegd dat zij de in de grootboekrekening vermelde bancaire betalingen alle heeft ontvangen. Daarmee staat vast dat [gedaagde] in ieder geval 13 keer € 1.792,00 heeft ontvangen. Dat is een bedrag van
€ 23.296,00.
3.10.
In de pagina uit het grootboek staat daarnaast dat [eiser] in december 2023 € 2.420,91 contant heeft uitbetaald aan [gedaagde] . Dit bedrag is precies het verschil tussen wat er in 3.8 en 3.9 is berekend. [gedaagde] heeft in haar conclusie van antwoord met eis in reconventie geschreven dat zij deze contante betaling nooit heeft ontvangen en dit standpunt heeft zij herhaald op de zitting. [eiser] heeft in zijn conclusie van antwoord in reconventie aangevoerd dat hij in december € 2.420,91 contant heeft betaald. Op de zitting heeft [eiser] toegelicht dat bij de afwikkeling van de jaarcijfers, waar [gedaagde] volgens hem bij was, is gekeken wat [gedaagde] aan nettosalaris tekort was gekomen over 2023 en dat het bedrag wat zij tekort was gekomen, € 2.420,91, toen is opgenomen als ‘contant betaald’. Dat is volgens [eiser] zo gedaan omdat er in zijn huis, waar [gedaagde] ook woonde, veel contant geld lag en [gedaagde] door het jaar heen dit contante geld regelmatig pakte. Zij heeft volgens [eiser] daarmee zelfs meer dan haar nettoloon ontvangen in 2023. [gedaagde] heeft verklaard dat er inderdaad regelmatig contant geld in huis lag, maar dat zij niet wist waar dit lag. Zij vroeg wel eens aan [eiser] om contant geld om boodschappen te doen. Volgens [gedaagde] gebruikte zij dit geld niet voor zichzelf om bijvoorbeeld te winkelen. Gelet hierop oordeelt de kantonrechter dat niet kan worden vastgesteld dat [eiser] € 2.420,91 aan contant geld heeft uitbetaald aan [gedaagde] als loon voor haar werkzaamheden in het autobedrijf van [eiser] . Het is niet vast te stellen hoeveel [gedaagde] aan contant geld in huis gepakt zou hebben en bovendien staat niet vast dat het daarbij om loon ging, nu [gedaagde] heeft aangevoerd dat zij deze contanten alleen gebruikte voor kosten van de gezamenlijke huishouding zoals boodschappen.
3.11.
De conclusie uit het voorgaande is dat het ervoor moet worden gehouden dat over 2023 € 2.420,91 te weinig is betaald aan nettoloon inclusief vakantiegeld. [eiser] zal dus nog € 2.420,91 aan nettoloon inclusief vakantiegeld over 2023 moeten betalen. Dit bedrag bestaat voor € 2.140,32 uit te weinig betaald loon over 2023 [8] en voor € 280,59 aan te weinig betaald vakantiegeld over 2023 [9] . Deze bedragen zullen worden vermeerderd met de wettelijke rente over € 2.140,32 vanaf de respectievelijke data van opeisbaarheid van de onderliggende loonbetalingen en over € 280,59 vanaf 1 februari 2024, een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd en de termijn die staat voor het opmaken van de eindafrekening.
Vakantiedagen 2023
3.12.
[gedaagde] vordert daarnaast betaling door [eiser] van niet opgenomen vakantiedagen in 2023. Volgens [gedaagde] hield [eiser] geen registratie bij van de (niet) genoten vakantiedagen en heeft zij recht op uitbetaling van het wettelijk minimum aantal vakantiedagen van 20 dagen, wat neerkomt op een bedrag van € 1.970,00. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] over 2023 de haar toekomende vakantiedagen opgenomen een heeft zij geen recht op dit bedrag.
3.13.
Uit de rechtspraak volgt dat een werknemer het door hem/haar gestelde tegoed aan vakantiedagen moet bewijzen als de werkgever voldoende onderbouwd heeft weersproken dat de werknemer nog vakantiedagen over heeft. Deze onderbouwde weerspreking zal de werkgever moeten motiveren door zijn/haar administratie van de vakantiedagen in de procedure over te leggen omdat de wet ervan uitgaat dat de werkgever verplicht is om een administratie bij te houden van de vakantiedagen die de werknemer heeft opgenomen. De werkgever kan in bepaalde gevallen ook voldoende weerspreken door concrete omstandigheden aan te voeren waaruit volgt dat de werkgever niet over gegevens van de opgenomen vakantiedagen kán beschikken vanwege de manier waarop partijen aan de arbeidsovereenkomst invulling hebben gegeven. [10] [eiser] heeft geen administratie van de door [gedaagde] genoten vakantiedagen overgelegd, maar heeft aangevoerd dat [gedaagde] al haar vakantiedagen over 2023 heeft opgenomen. [eiser] heeft op de zitting aangevoerd dat zij weliswaar niet op reis zijn geweest tijdens de vakanties omdat zij herstellende waren van corona, maar zijn zoontje verbleef tijdens de schoolvakanties bij hen. Volgens [gedaagde] zijn zij niet op vakantie geweest, maar paste zij tijdens vakantieperiodes op het zoontje van [eiser] en gingen zij in de middag dan met z’n drieën wat leuks doen.
Voor het opnemen van vakantiedagen is niet van belang of een werknemer ook daadwerkelijk (in het buitenland) op vakantie gaat. Het gaat erom dat een werknemer geen werkzaamheden voor zijn of haar werkgever uitvoert. Dat [gedaagde] in de ochtend thuis was met het zoontje van [eiser] , valt voor zover de kantonrechter kan beoordelen niet onder de werkzaamheden van [gedaagde] in het autobedrijf. In dat geval heeft zij wel vakantiedagen genoten, maar niet is bekend om hoeveel dagen dat gaat. Dat [eiser] geen exacte administratie van vakantiedagen heeft bijgehouden acht de kantonrechter in dit geval niet onbegrijpelijk, omdat hij maar één werkneemster had, [gedaagde] , met wie hij een affectieve relatie had en met wie hij samenwerkte in het bedrijf. Dat neemt echter niet weg dat het zijn risico als werkgever is als dit niet goed is geadministreerd.. Tegen de berekening van het aantal dagen en het in dat verband gevorderde bedrag is als zodanig geen verweer gevoerd. Gelet op al deze omstandigheden oordeelt de kantonrechter dat [eiser] naar redelijkheid de helft van het gevorderde aantal vakantiedagen dient te vergoeden, hetgeen neerkomt op toewijzing vaneen nettobedrag van € 985,00. Dit bedrag zal worden vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 1 februari 2024 een maand na de dag waarop de arbeidsovereenkomst is geëindigd en de termijn die staat voor het opmaken van de eindafrekening.
Salaris 2020
3.14.
[gedaagde] vordert ook € 2.000,00 netto aan te weinig betaald salaris over 2020. [eiser] heeft tegen deze vordering geen verweer gevoerd en daarom zal dit bedrag worden toegewezen. Omdat niet duidelijk is over welke maanden [eiser] te weinig loon heeft betaald wordt de wettelijke rente toegewezen vanaf de dag waarop al het loon over 2002 aan [gedaagde] betaald had moeten zijn en dat is 1 januari 2021.
De gevorderde wettelijke verhogingen worden gematigd
3.15.
[gedaagde] heeft over het loon en vakantiegeld van 2023, de vakantiedagen van 2023 en het salaris van 2020 ook de wettelijke verhoging op grond van artikel 7:625 BW gevorderd. De kantonrechter ziet in de bijzondere omstandigheden van het geval, waaronder de affectieve relatie tussen [eiser] en [gedaagde] , de wijze waarop zij samenwerkten en ook het feit dat [gedaagde] nooit eerder om deze betalingen heeft gevraagd, aanleiding om de gevorderde wettelijke verhoging te matigen tot nihil. Dat betekent dat deze wordt afgewezen.
Factuur van € 1.536,70
3.16.
Verder heeft [gedaagde] € 1.536,70 gevorderd van [eiser] vanwege een factuur voor haar werkzaamheden voor [eiser] . [eiser] heeft erkend dat hij deze factuur nog niet heeft betaald, zodat hij zal worden veroordeeld tot betaling van dit bedrag. [eiser] heeft aangevoerd dat hij deze factuur niet heeft betaald vanwege de openstaande factuur voor de Volvo C70 en dat hij zijn betaling daarom had opgeschort. Gelet op wat hiervoor in 3.2. tot en met 3.4. is overwogen over de Volvo, kon [eiser] inderdaad de betaling van de factuur opschorten. Daarom zal de door [gedaagde] gevorderde rente over deze onbetaalde factuur worden afgewezen. De rente over de factuur zal wel worden toegewezen vanaf 14 dagen na dit vonnis als [eiser] de factuur niet binnen deze termijn betaalt.
Proceskosten in conventie en in reconventie
3.17.
[gedaagde] is in conventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiser] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
119,40
- griffierecht
732,00
- salaris gemachtigde
1.086,00
(2 punten × € 543,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.072,40
3.18.
[eiser] is in reconventie grotendeels in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [gedaagde] in reconventie worden begroot op:
- salaris gemachtigde
339,00
(1 punt × € 339,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
474,00

4.De beslissing

De kantonrechter:
in conventie
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiser] te betalen een bedrag van € 22.150,00, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over het toegewezen bedrag met ingang van 31 maart 2025, tot de dag van volledige betaling,
4.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 2.072,40, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
in reconventie
4.3.
veroordeelt [eiser] om aan [gedaagde] te betalen een bedrag van:
  • € 2.140,32 aan nettoloon over 2023, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de respectievelijke data van opeisbaarheid van de onderliggende loonbetalingen tot de dag van algehele voldoening,
  • € 280,59 aan vakantiegeld over 2023, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 1 februari 2024 tot de dag van algehele voldoening,
  • € 985,00 netto vanwege niet genoten vakantiedagen in 2023, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 1 februari 2024 tot de dag van algehele voldoening,
  • € 2.000,00 netto aan salaris over 2020, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 1 januari 2021 tot de dag van algehele voldoening,
  • € 1.536,70 vanwege de onbetaalde factuur, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf veertien dagen na dit vonnis tot de dag van algehele voldoening,
4.4.
veroordeelt [eiser] in de proceskosten van € 474,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [eiser] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
in conventie en in reconventie
4.5.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.6.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.R. Creutzberg en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2025.

Voetnoten

1.Zie productie 2 bij de conclusie van antwoord in reconventie van [eiser] .
2.Zie productie 9 van [gedaagde] .
3.Het weekendje weg heeft uiteindelijk niet plaatsgevonden, maar partijen zijn het erover eens dat dit is vervangen door andere spullen waaronder een dure zonnebril.
4.Productie 13 van [gedaagde] .
5.Productie 12 van [gedaagde] .
6.Productie 9 van [eiser] .
7.Productie 8 van [eiser] .
8.Namelijk 12 x € 178,36 per maand = € 2.140,32.
9.Over 2023 is € 2.072,59 aan vakantiegeld verschuldigd, namelijk € 773,74 voor juni t/m december en € 1.298,85 t/m mei (3.269,21 netto uitbetaling in mei volgens de loonstrook van mei minus € 1.970,36 aan maandelijks nettoloon). [eiser] heeft in augustus € 1.792,00 aan vakantiegeld betaald, dus is hij nog 2.072,59 - € 1.792,00= € 280,59 verschuldigd.
10.Zie HR 12 september 2003,