Op 18 december 2025 heeft de Rechtbank Midden-Nederland uitspraak gedaan in een verzetzaak (zaaknummer UTR 24/5957-V) van een opposante tegen een eerdere uitspraak van 2 mei 2025. In die uitspraak werd het beroep van de opposante tegen een besluit van het UWV van 29 augustus 2024 niet-ontvankelijk verklaard. De rechtbank oordeelde dat het bezwaarschrift van de opposante niet voldeed aan de vereisten van artikel 6:5 eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), omdat het niet voldoende concreet was. De rechtbank heeft de uitspraak zonder zitting gedaan, omdat er geen twijfel bestond over de uitkomst van de zaak, wat is toegestaan onder artikel 8:54 van de Awb.
In het verzet heeft de rechtbank beoordeeld of de eerdere beslissing terecht was. De rechtbank heeft vastgesteld dat de opposante in haar verzetschrift niet duidelijk heeft gemaakt waarom zij het niet eens was met de eerdere uitspraak. Hierdoor heeft de rechtbank geconcludeerd dat er geen geldige reden was om de eerdere uitspraak te herzien. De rechtbank heeft het verzet ongegrond verklaard en de eerdere uitspraak van 2 mei 2025 in stand gelaten. Tevens is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. De uitspraak is openbaar uitgesproken door rechter G. Schnitzler, in aanwezigheid van griffier S. Ayyildiz.