Op 15 oktober 2024 vond een verkeersongeval plaats tussen verzoeker op een scooter en verweerder sub 2 in een auto in Soest, waarbij verzoeker letsel opliep. Verzoeker stelt dat verweerder sub 2 de bocht te krap nam en zijn weghelft opreed, waardoor het ongeval ontstond. Verweerder sub 2 betwist dit en stelt dat zij op haar eigen weghelft bleef en verzoeker met hoge snelheid tegen haar auto aanreed.
Tijdens de mondelinge behandeling op 8 december 2025 zijn partijen onder ede gehoord. Een getuigenverklaring van een derde partij werd door verweerder sub 2 betwist en de rechtbank achtte een getuigenverhoor niet nodig. De rechtbank stelde vast dat de auto van verweerder sub 2 zich ongeveer op de juiste plek bevond en dat verzoeker met zijn scooter mogelijk op de weghelft van verweerder sub 2 reed.
De rechtbank acht aannemelijk dat verzoeker harder reed dan opgegeven en daardoor het ongeval mede veroorzaakte. Omdat niet is komen vast te staan dat verweerder sub 2 een verkeersfout maakte, wijst de rechtbank het verzoek af. De kosten van de deelgeschilprocedure worden begroot op €3.240 exclusief BTW, vermeerderd met griffierecht, maar niet aan verzoeker toegekend.