Uitspraak
RECHTBANK Midden-Nederland
1.[eiser sub 1] ,
2.
[eiseres sub 2],
Rechtbank Midden-Nederland
In deze zaak, die zich afspeelt in het erfrecht, hebben de eisers, [eiser sub 1] en [eiseres sub 2], een kort geding aangespannen tegen [gedaagde] over de uitbetaling van een voorschot op de verdeling van de nalatenschap van hun overleden moeder, mevrouw [erflaatster]. De erfgenamen zijn in geschil over de verdeling van de netto verkoopopbrengst van een woning die in juni 2025 is verkocht. De netto opbrengst van de woning, die in depot is gehouden bij de notaris, bedraagt € 721.939,66. De eisers hebben een aanslag erfbelasting ontvangen en verzoeken om een uitbetaling van € 99.654,00 uit het depot om deze belasting te kunnen voldoen. De gedaagde heeft echter aangegeven alleen mee te willen werken aan de uitbetaling als er overeenstemming is over de verdeling van de nalatenschap.
Tijdens de mondelinge behandeling op 13 november 2025 hebben beide partijen hun standpunten toegelicht. De voorzieningenrechter heeft geoordeeld dat er voldoende spoedeisend belang is bij de eisers, aangezien zij de erfbelasting voor 30 november 2025 moeten voldoen. De voorzieningenrechter heeft vastgesteld dat de eisers recht hebben op een deel van de verkoopopbrengst van de woning en dat dit bedrag het gevorderde voorschot overstijgt. Daarom heeft de voorzieningenrechter de gedaagde veroordeeld om zijn medewerking te verlenen aan de uitbetaling van het gevorderde bedrag uit het depot aan de eisers.
Daarnaast heeft de gedaagde een voorwaardelijke tegenvordering ingesteld, maar de voorzieningenrechter heeft ook deze vordering toegewezen, waardoor de eisers ook moeten meewerken aan de uitbetaling aan de gedaagde. De proceskosten zijn gecompenseerd, wat betekent dat iedere partij zijn eigen kosten draagt. Het vonnis is uitgesproken op 27 november 2025.