ECLI:NL:RBMNE:2025:7065

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
4 december 2025
Publicatiedatum
2 januari 2026
Zaaknummer
C/16/25/248 R
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp) en afwijzing eerdere ingangsdatum

In deze zaak heeft de rechtbank Midden-Nederland op 4 december 2025 uitspraak gedaan in een verzoek tot toelating tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp) van verzoekster, die zich in een problematische schuldensituatie bevindt. Verzoekster heeft op 2 oktober 2025 een verzoek ingediend om toegelaten te worden tot de Wsnp, wat op de zitting van 19 november 2025 is behandeld. Tijdens deze zitting waren verzoekster, haar schuldhulpverlener en haar beschermingsbewindvoerder aanwezig.

De rechtbank heeft vastgesteld dat verzoekster niet in staat was om een buitengerechtelijke schuldregeling te treffen, omdat zes schuldeisers niet hebben ingestemd met het aanbod dat namens haar is gedaan. De rechtbank oordeelt dat verzoekster ontvankelijk is in haar verzoek tot toelating tot de Wsnp. Verzoekster heeft ook verzocht om de ingangsdatum van de Wsnp vast te stellen op 1 mei 2025, maar dit verzoek is afgewezen. De rechtbank overweegt dat een eerdere ingangsdatum nadelig zou zijn voor de schuldeisers, omdat verzoekster dan gedurende de looptijd van de regeling niet zou hoeven te solliciteren en niets zou kunnen sparen voor haar schuldeisers.

De rechtbank heeft de looptijd van de Wsnp-regeling vastgesteld op 18 maanden en benoemt mr. P.J. Neijt tot rechter-commissaris. De rechtbank legt de verplichtingen op die verzoekster moet nakomen tijdens de Wsnp, waaronder de informatieverplichting en de afdrachtverplichting. De rechtbank heeft ook bepaald dat de bewindvoerder de boedel van verzoekster zal beheren en vereffenen. De uitspraak is openbaar gemaakt op 4 december 2025.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Toezicht
locatie Utrecht
zaaknummer: C/16/25/248 R
uitspraakdatum: 4 december 2025
uitspraak op grond van artikel 288 lid 1 van de Faillissementswet
( “toepassing schuldsanering”)
enkelvoudige kamer
[verzoekster] ,
wonende [adres]
[woonplaats] ,
Hierna: [verzoekster] ,
Waar deze zaak over gaat
[verzoekster] bevindt zich in een problematische schuldensituatie. Om tot een oplossing voor haar schulden te komen heeft verzoekster een verzoek gedaan te worden toegelaten tot de wettelijke schuldsaneringsregeling (Wsnp).
Dit verzoek wordt toegewezen.
Daarnaast verzoekt verzoekster om de ingangsdatum van de Wsnp vast te stellen op 1 mei 2025. Dit verzoek wordt afgewezen.
De rechtbank legt hierna uit waarom zij zo beslist.

1.De procedure

1.1.
Het verzoek van verzoekster om toegelaten te worden tot de Wsnp is op 2 oktober 2025 ontvangen door de rechtbank.
1.2.
Het verzoek is behandeld op de zitting van 19 november 2025. Op de zitting zijn verschenen:
- [verzoekster] , verzoekster,
- [A] , schuldhulpverlener,
- [B] , beschermingsbewindvoerder.

2.De beoordeling

Ontvankelijkheid
2.1.
Om toegelaten te worden tot de Wsnp, moet verzoekster in beginsel eerst een poging hebben gedaan om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen. Dit vereiste vervalt als aannemelijk is dat het niet mogelijk is om tot een dergelijke regeling te komen.
2.2.
Uit het verzoekschrift blijkt dat schuldhulpverlening namens [verzoekster] een zogeheten nul-aanbod heeft gedaan aan haar schuldeisers. De reden hiervoor is dat er geen afloscapaciteit is en niet verwacht wordt dat deze situatie binnen afzienbare tijd zal wijzigen.
2.3.
Het minnelijke traject is niet geslaagd, omdat zes schuldeisers niet hebben ingestemd met het aanbod.
2.4.
De rechtbank is van oordeel dat in deze specifieke situatie voldoende aannemelijk is dat niet tot een buitengerechtelijke schuldregeling kan worden gekomen. Verzoekster is daarom ontvankelijk in haar verzoek.
De ingangsdatum
2.5.
De Faillissementswet (hierna: Fw) bepaalt dat de looptijd in beginsel ingaat op de dag van dit vonnis, tenzij er aanleiding is de looptijd eerder te laten ingaan.
2.6.
Een eerdere ingangsdatum kan worden bepaald als vanaf die eerdere datum de verplichtingen die volgen uit het voorafgaande minnelijk traject zijn nagekomen. Als uitgangspunt geldt daarbij dat de schuldenaar tijdens het minnelijk traject maximaal, op basis van de normen die gelden voor berekening van het vrij te laten bedrag (het vtlb), moet aflossen op haar schulden en dat zij zich moet inspannen om zoveel mogelijk baten voor de schuldeisers te verwerven. Die inspanningsplicht houdt in beginsel in dat er bij arbeidsgeschiktheid fulltime gewerkt moet worden of er moet aantoonbaar worden gesolliciteerd naar een fulltime baan.
2.7.
De rechtbank moet beoordelen of [verzoekster] voldoende aan haar verplichtingen heeft voldaan gedurende het minnelijk traject. De rechtbank neemt daarbij ook in overweging de belangen van de schuldeisers.
2.8.
Op 1 mei 2025 heeft [verzoekster] een aanbod gedaan aan haar schuldeisers. Daarom verzoekt [verzoekster] de rechtbank om 1 mei 2025 vast te stellen als eerdere ingangsdatum. De rechtbank stelt vast dat gedurende het minnelijk traject er niets is gespaard voor de schuldeisers, omdat er geen afloscapaciteit was. [verzoekster] heeft gedurende het minnelijk traject niet gewerkt, omdat zij een ontheffing had van de sollicitatieplicht. [verzoekster] heeft opnieuw een ontheffing van de sollicitatieplicht gekregen, deze ontheffing geldt tot 24 september 2026.
2.9.
De rechtbank overweegt dat een eerdere ingangsdatum potentieel nadelig is voor de schuldeisers, omdat dit tot gevolg heeft dat [verzoekster] vrijwel de gehele looptijd is ontheven van haar sollicitatieplicht en zowel in het minnelijk traject als in de Wsnp niets kan sparen voor haar schuldeisers
2.10.
De rechtbank overweegt voorts dat niet vast is komen te staan dat de ontheffing van de sollicitatieplicht, zoals genoemd in overweging 2.8., verder zal worden verlengd. [verzoekster] kan met toepassing van de reguliere looptijd van de WSNP van 18 maanden, mogelijkerwijs nog een half jaar werken en sparen voor haar schuldeisers. De rechtbank is daarom van oordeel dat in het kader van een redelijke belangenafweging, het verzoek tot vaststelling van een eerdere ingangsdatum niet moet worden toegewezen.
Duur
2.11.
De rechtbank stelt de termijn van de Wsnp-regeling ex artikel 349a Fw (hierna: materiële looptijd) op 18 maanden.

3.De verplichtingen in de Wsnp

3.1.
Er wordt een bewindvoerder benoemd. Deze bewindvoerder controleert in de eerste plaats of verzoekster de verplichtingen van de Wsnp nakomt.
3.2.
De verplichtingen waaraan verzoekster tijdens de Wsnp moet voldoen zijn: de informatieverplichting, de inspanningsverplichting, de verplichting geen nieuwe schulden te maken, de verplichting om schuldeisers niet te benadelen en de afdrachtverplichting.
3.3.
De taak van de bewindvoerder is in de tweede plaats om de zogenaamde boedel van de schuldenaar te beheren en te vereffenen (artikel 316 Fw). De boedel omvat alle bezittingen die verzoekster nu heeft en wat zij tijdens de toepassing van de regeling verkrijgt. Verzoekster heeft de verplichting om tot de boedel behorende bezittingen aan de bewindvoerder af te staan. De bewindvoerder zal de opbrengsten hiervan verdelen onder de schuldeisers.
3.4.
Er wordt ook een rechter-commissaris benoemd. De taak van de rechter-commissaris is om toezicht te houden op de bewindvoerder.
3.5.
De eerste 13 maanden van het traject geldt in beginsel een postblokkade. Dat betekent dat in die periode alle post naar de bewindvoerder gaat. De bewindvoerder stuurt de post na controle door aan verzoekster.
3.6.
Als verzoekster zich tijdens het Wsnp-traject houdt aan alle verplichtingen van de Wsnp eindigt het traject met de zogenoemde “schone lei”. Dit betekent dat schuldeisers hun vorderingen ten aanzien waarvan de Wsnp werkt niet meer op verzoekster kunnen verhalen. De “schone lei” geldt vanaf het moment dat de bewindvoerder klaar is met zijn afwikkelingstaak. Dat is als de slotuitdelingslijst verbindend is geworden

4.Beslissing

De rechtbank:
- spreekt de toepassing van de schuldsaneringsregeling uit ten aanzien van:
[verzoekster] ,
geboren op [geboortedatum] -1971 te [geboorteplaats] ,
wonende [adres] , [woonplaats] ,
- benoemt tot rechter-commissaris mr. P.J. Neijt,
en tot bewindvoerder R.I. de Jong,
Postbus 59,
3360 AB Sliedrecht;
- stelt de looptijd van de schuldsaneringsregeling vast op 18 maanden;
- stelt bij wijze van voorschot, bij toereikend boedelactief, het salaris van de bewindvoerder vast op het op grond van artikel 2 van het Besluit salaris bewindvoerder schuldsaneringsregeling geldende bedrag;
- geeft last aan de bewindvoerder tot het openen van aan de schuldenares gerichte brieven.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.M.E. Bernini en is in het openbaar uitgesproken op 4 december 2025.