ECLI:NL:RBMNE:2025:7041

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
30 december 2025
Zaaknummer
11922512 \ UE VERZ 25-310
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Proceskostenveroordeling na intrekking verzoekschrift in ontslag op staande voet

In deze zaak heeft verzoeker, wonende te [woonplaats], op 13 oktober 2025 een verzoekschrift ingediend tot vernietiging van een ontslag op staande voet. De mondelinge behandeling was gepland op 11 december 2025, maar verzoeker heeft op 27 november 2025 per e-mail het verzoekschrift ingetrokken. Verwerende partij, Stichting [naam stichting], heeft op 2 december 2025 ingestemd met de intrekking, maar heeft aanspraak gemaakt op vergoeding van de gemaakte proceskosten. De griffier heeft partijen op 8 december 2025 geïnformeerd dat de mondelinge behandeling niet doorgaat en dat schriftelijk op het verzoek tot proceskostenvergoeding zal worden beslist. De kantonrechter heeft vastgesteld dat verzoeker het verzoekschrift heeft ingetrokken, waardoor alleen de proceskostenveroordeling aan de orde is. Volgens artikel 1.4.8 van het Procesreglement kan een verzoek worden ingetrokken zolang er nog niet op is beslist. De kantonrechter heeft echter geoordeeld dat Stichting [naam stichting] voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij kosten heeft gemaakt voor het opstellen van een verweerschrift, ondanks dat er nog geen verweerschrift was ingediend. Verzoeker wordt als in het ongelijk gestelde partij beschouwd en moet de proceskosten van € 542,00 betalen aan Stichting [naam stichting]. De beschikking is gegeven door mr. A.R. Creutzberg en openbaar uitgesproken op 17 december 2025.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer / rekestnummer: 11922512 \ UE VERZ 25-310 MS/1270
Beschikking van 17 december 2025
in de zaak van
[verzoeker],
wonende te [woonplaats] ,
verzoekende partij,
hierna te noemen: [verzoeker] ,
gemachtigde: mr. J. Brouwer,
tegen
STICHTING [naam stichting],
gevestigd te Zeist,
verwerende partij,
hierna te noemen: [naam stichting] ,
gemachtigde: mr. J.G.M. Rijksen.

1.De procedure

1.1.
[verzoeker] heeft een verzoekschrift tot - kort gezegd - vernietiging van een ontslag op staande voet ingediend, dat op 13 oktober 2025 door de griffie is ontvangen. De mondelinge behandeling van dit verzoek zou op 11 december 2025 plaatsvinden.
1.2.
[verzoeker] heeft de kantonrechter in een e-mail van 27 november 2025 bericht dat hij het verzoekschrift intrekt.
1.3.
[naam stichting] heeft in een brief van 2 december 2025 laten weten dat zij instemt met intrekking van het verzoekschrift, maar aanspraak maakt op vergoeding van inmiddels gemaakte proceskosten en van eventuele nakosten.
1.4.
[verzoeker] heeft hier in een e-mail van 2 december 2025 op gereageerd, waarna [naam stichting] in een e-mail van 4 december 2025 nog heeft gereageerd.
1.5.
De griffier heeft partijen in een e-mail van 8 december 2025 laten weten dat de mondelinge behandeling geen doorgang zal vinden en dat schriftelijk op het verzoek tot vergoeding van de gemaakte proceskosten zal worden beslist.
1.6.
De beschikking is bepaald op vandaag.

2.De beoordeling

2.1.
[verzoeker] heeft het verzoekschrift ingetrokken, zodat alleen hoeft te worden beslist op de door [naam stichting] verzochte proceskostenveroordeling.
2.2.
Artikel 1.4.8. van het Landelijk procesreglement verzoekschriftprocedures rechtbanken: kanton, handel en voorzieningenrechter (hierna: het Procesreglement) bepaalt het volgende:
“Zolang nog niet op het verzoekschrift is beslist, kan het verzoek worden ingetrokken. Als bij het verweer om een kostenveroordeling is gevraagd en dat verzoek na de intrekking wordt gehandhaafd, beslist de rechter op dat verzoek. (…)”
2.3.
De kantonrechter stelt vast dat in dit geval niet strikt aan de voorwaarde van artikel 1.4.8 van het Procesreglement is voldaan, omdat [naam stichting] nog geen verweerschrift had ingediend.
2.4.
Op grond van (de wetsgeschiedenis van) artikel 289 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering kan de kantonrechter echter ook ambtshalve een proceskostenveroordeling uitspreken. Naar het oordeel van de kantonrechter is hiervoor voldoende aanleiding. [naam stichting] heeft namelijk gesteld dat zij de kosten voor het opstellen van een verweerschrift al heeft gemaakt, omdat het verzoekschrift een paar dagen voor de uiterste termijn voor indiening van het verweerschrift is ingetrokken. De kantonrechter vindt dit voldoende aannemelijk, omdat het verzoekschrift 14 dagen voor de geplande mondelinge behandeling is ingetrokken en het verweerschrift op grond van artikel 3.3.5 van het Procesreglement uiterlijk 10 kalenderdagen voor de mondelinge behandeling moest worden ingediend.
2.5.
Nu [verzoeker] zijn verzoekschrift om hem moverende redenen heeft ingetrokken, geldt hij als de in het ongelijk gestelde partij en zal hij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [naam stichting] worden begroot op € 407,00 voor salaris gemachtigde (50% x tarief € 814,00, nu het niet tot een mondelinge behandeling is gekomen) en € 135,00 aan nakosten.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
veroordeelt [verzoeker] in de proceskosten van € 542,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met de kosten van betekening als [verzoeker] niet tijdig aan de veroordeling voldoet en de beschikking daarna wordt betekend.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.R. Creutzberg en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2025.