ECLI:NL:RBMNE:2025:7032

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
17 december 2025
Publicatiedatum
30 december 2025
Zaaknummer
11706687 \ MC EXPL 25-2882 AW/1583
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot betaling van facturen en schadevergoeding in het kader van een overeenkomst van aanneming van werk

In deze zaak heeft [eiseres] B.V. voegwerkzaamheden verricht voor [gedaagde] B.V. en vordert betaling van een openstaande factuur van € 7.440,29. [gedaagde] heeft de betaling opgeschort, omdat zij meent dat [eiseres] haar werkzaamheden niet goed heeft uitgevoerd en heeft een tegeneis ingediend van € 8.481,63 voor schadevergoeding. De kantonrechter heeft geoordeeld dat [gedaagde] de factuur moet betalen, maar ook dat [eiseres] een deel van de gevolgschade aan [gedaagde] moet vergoeden. De overeenkomst tussen partijen wordt gekwalificeerd als een overeenkomst van aanneming van werk. De kantonrechter heeft vastgesteld dat [gedaagde] in verzuim is geraakt met de betaling van de factuur, maar dat [eiseres] ook aansprakelijk is voor schade die is ontstaan door nalatigheid bij de uitvoering van de werkzaamheden. De schadevergoeding is vastgesteld op € 2.793,67, terwijl de vordering van [eiseres] tot betaling van de factuur is toegewezen. De proceskosten zijn toegewezen aan de zijde van [eiseres].

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Almere
Zaaknummer: 11706687 \ MC EXPL 25-2882 AW/1583
Vonnis van 17 december 2025
in de zaak van
[eiseres] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 1] ,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: [eiseres] ,
gemachtigde: mr. J.P.J. Botterblom,
tegen
[gedaagde] B.V.,
gevestigd te [vestigingsplaats 2] ,
gedaagde partij in conventie,
eisende partij in reconventie,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord in conventie en van eis in reconventie
- de brief waarin is meegedeeld dat een mondelinge behandeling is bepaald
- de mondelinge behandeling van 20 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Ten slotte is bepaald dat een vonnis wordt uitgesproken.

2.De kern van de zaak

2.1.
[eiseres] heeft in opdracht en voor rekening van [gedaagde] voegwerkzaamheden verricht. De voegwerkzaamheden zijn onderdeel van een complete gevelrenovatie. [eiseres] heeft [gedaagde] vier facturen van in totaal € 42.706,96 (inclusief BTW) gestuurd. [gedaagde] heeft de laatste factuur van 24 juli 2024 van € 7.440,29 (inclusief BTW) niet betaald. Daarom vordert [eiseres] in deze zaak betaling van dat bedrag. [gedaagde] vindt dat [eiseres] haar werkzaamheden niet goed heeft uitgevoerd. Zij heeft daarom betaling van de rente en incassokosten opgeschort. [gedaagde] wil dit niet betalen, omdat zij vindt dat [eiseres] tijdens het werk schade heeft veroorzaakt. Zij wil dat [eiseres] deze schade vergoedt en heeft daarom een tegeneis ingediend van € 8.481,63. De kantonrechter komt tot het oordeel dat [gedaagde] aan [eiseres] moet betalen, maar ook dat [eiseres] aan [gedaagde] een deel van de gevolgschade verschuldigd is.

3.De beoordeling

[gedaagde] moet de factuur van 24 juli 2024 betalen
3.1.
De overeenkomst tussen [eiseres] en [gedaagde] is een overeenkomst van aanneming van werk. [eiseres] heeft op 1 april 2022 een offerte aan [gedaagde] uitgebracht voor voegwerkzaamheden. De offerte is door [gedaagde] geaccepteerd. Hierdoor is tussen [eiseres] en [gedaagde] een overeenkomst tot stand gekomen, waarbij zij in ieder geval over en weer de verplichtingen die zijn opgenomen in de offerte op zich hebben genomen. Tussen partijen is niet in geschil dat [eiseres] de overeengekomen voegwerkzaamheden heeft uitgevoerd en dat [gedaagde] de factuur van 24 juli 2024 van € 7.440,29 moet betalen. Dit wordt dan ook toegewezen.
[gedaagde] moet de rente en buitengerechtelijke incassokosten betalen
3.2.
Voor wat betreft de verschuldigde rente van € 480,56 heeft [gedaagde] zich beroepen op opschorting. Volgens [gedaagde] zijn de gevorderde incassokosten niet verschuldigd omdat er geen fatale termijn was verstreken en was er geen sprake van verzuim. [gedaagde] heeft steeds gereageerd en overleg gevoerd.
3.3.
Dat [gedaagde] steeds in overleg is geweest met [eiseres] maakt niet dat [gedaagde] de factuur niet hoeft te betalen. [gedaagde] had om bevrijd te kunnen worden van haar betaalverplichting, daar gevolgen aan moeten verbinden. Zo had zij zich moeten beroepen op opschorting of verrekening. Dat heeft [gedaagde] niet (langer) gedaan. Weliswaar beroept [gedaagde] zich in haar brief van 4 april 2025 aanvankelijk op opschorting van betaling van de factuur, maar zij doet dat nu niet meer. Daarom moet het ervoor worden gehouden dat zij haar beroep op opschorting met betrekking tot betaling van de factuur heeft laten varen. [gedaagde] kan echter vervolgens niet volstaan met het enkel opschorten van betaling van de wettelijke handelsrente. De factuur is opeisbaar en [gedaagde] is door de factuur onbetaald te laten ook de wettelijke handelsrente verschuldigd. [gedaagde] is immers met betaling van de factuur in verzuim. Dat betekent dat [gedaagde] de wettelijke handelsrente van € 591,93 berekend tot 28 april 2025 en de verdere wettelijke handelsrente moet voldoen.
3.4.
[eiseres] vordert verder vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten. Voor betaling van de buitengerechtelijke incassokosten geldt hetzelfde als hiervoor is opgemerkt over de wettelijke handelsrente. De vordering moet verder worden beoordeeld op grond van artikel 6:96 BW en het Besluit vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten. Aan de wettelijke eisen voor een vergoeding voor buitengerechtelijke incassokosten is voldaan. Daarom zal een bedrag van € 747,01 worden toegewezen.
[eiseres] moet een deel van de schade bij het uitvoeren van de werkzaamheden betalen
3.5.
[gedaagde] stelt dat bij het uitvoeren van de werkzaamheden schade is veroorzaakt door [eiseres] . [gedaagde] vordert een bedrag van € 8.481,63. Die schade volgt uit een door [gedaagde] zelf opgestelde schaderapportage van 24 maart 2025. De schade heeft betrekking op:
  • verstopping van de riolering door achtergebleven voegspecie (begroot op € 2.793,67);
  • schade aan balkonvlonders door onjuist geplaatste steigers zonder onderslag (begroot op € 2.480,24) ;
  • bijbehorende kosten rapportage schade (begroot op € 412,50);
  • algemene bouwplaatskosten (begroot op € 356,36);
  • algemene bedrijfskosten (begroot op € 966,84)
  • btw (begroot op € 1.472,02)
-
Aanleiding tot de vordering van schadevergoeding
3.6.
[gedaagde] heeft tijdens de werkzaamheden de aanwezige voeger geïnstrueerd om correct af te dekken en dit toe te passen bij balkons met vlonders. Ook heeft [gedaagde] [eiseres] op de hoogte gebracht van klachten van bewoners over gruis. Op 23 oktober 2023 bericht [gedaagde] aan [eiseres] onder meer dat zij een melding heeft gekregen van een verstopte hemelwaterafvoer. Het zat helemaal dicht met voegspecie. [gedaagde] heeft haar timmerman dit laten oplossen en een stuk laten vervangen. [eiseres] heeft daarop aangegeven dat zij haar best heeft gedaan, maar dat het niet overal makkelijk was. De kosten kunnen aan haar worden doorberekend. Op 20 september 2024 bericht [gedaagde] aan [eiseres] dat het werk niet netjes is uitgevoerd en dat er niet goed is afgedekt. In 2023 gaf de hemelwaterafvoer al problemen. Dat is door [gedaagde] opgelost. In 2024 blijkt dat het riool, waar het hemelwater van het complex op wordt afgevoerd, ook verstopt is met voegsel. Verder meldt zij dat bij 2 balkons steigers zijn geplaatst op de vlonderdelen zonder onderslag balken of iets dergelijks waardoor de kunststof plankdelen krom zijn getrokken. Zij heeft alles eraf moeten halen, schoon moeten maken en nieuwe onderbalken moeten plaatsen. De vlonderdelen heeft zij niet hoeven te vervangen. Volgens [gedaagde] komen de kosten van herstel uit op € 4.983,91. [gedaagde] vraagt [eiseres] op 20 september 2024 om een oplossing. Omdat er geen oplossing komt stelt [gedaagde] op 24 maart 2025 een schaderapport op. De schade bedraagt dan volgens [gedaagde] inclusief algemene bedrijfskosten € 8.481,63.
-
verstopping van de riolering door achtergebleven voegspecie
3.7.
Ten aanzien van de riolering is de kantonrechter van oordeel dat [eiseres] nalatig is geweest en deze schade moet vergoeden. [eiseres] is er door [gedaagde] op aangesproken om beter af te dekken. In 2023 is al gebleken dat de hemelwaterafvoer verstopt zat door voegsel. [gedaagde] heeft [eiseres] daarop aangesproken, waarna [eiseres] heeft aangeboden de kosten daarvan voor zijn rekening te nemen. De opdrachtgever van [gedaagde] heeft pas medio 2024 kenbaar gemaakt dat ook het riool verstopt is. De gevolgen zijn toen pas, na onderzoek door [gedaagde] in september 2024, naar voren gekomen. Uit de overgelegde foto’s van [gedaagde] moet worden opgemaakt dat dit ook voegsel is. Voldoende aannemelijk is dat dit is veroorzaakt door de wijze waarop [eiseres] haar werkzaamheden heeft uitgevoerd. De hemelwaterafvoer was immers door [eiseres] ook al verstopt geraakt. Een andere logische verklaring voor het verstopt raken van het riool door voegsel is door [eiseres] niet gegeven. [gedaagde] kan dan ook aansprakelijk worden gehouden voor deze gevolgschade. Volgens het rapport van [gedaagde] bedragen de kosten voor de werkzaamheden aan de riolering € 2.793,67. Die kosten zijn onvoldoende weersproken. De kantonrechter gaat uit van de juistheid hiervan. Voor deze vordering is niet vereist dat [eiseres] in verzuim is geraakt, zoals door [eiseres] is aangevoerd, omdat nakoming al blijvend onmogelijk is. [eiseres] schiet meteen tekort zodat het recht op schadevergoeding van rechtswege ontstaat op het ogenblik waarop de schade wordt aangericht. [gedaagde] hoefde [eiseres] dan ook niet in de gelegenheid te stellen om de door haar geleden schade zelf te herstellen.
-
schade aan balkonvlonders door onjuist geplaatste steigers zonder onderslag
3.8.
Ten aanzien van de balkonvlonders is de kantonrechter van oordeel dat [eiseres] deze schade niet hoeft te vergoeden. In 2023 heeft de opdrachtgever van [gedaagde] aan haar gevraagd om haar voeger te vragen de steigers te verschuiven zodat balkons toegankelijk zijn als vluchtweg en erop toe te zien dat onderslagen/drukverdeling onder de poten van de steigers worden geplaatst. Ook klaagt een bewoner hierover. Nergens blijkt echter uit dat [gedaagde] hier iets mee doet richting [eiseres] . De werkzaamheden waar de steigers bij nodig zijn, zijn in het tweede wartaal van 2023 afgerond. Pas bij brief van 20 september 2024, ruim een jaar nadat de werkzaamheden waren afgerond, heeft [gedaagde] [eiseres] op de hoogte gesteld van ontstane schade aan de kunststof balkonplanken en [gedaagde] aangesproken voor die schade. De schade was toen al hersteld. Door op deze wijze te handelen heeft [eiseres] nadeel geleden. Aan [eiseres] is de mogelijkheid ontnomen om onderzoek te doen en de schade te beperken. De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde] niet binnen bekwame tijd bij [eiseres] heeft geklaagd. Het gebrek en de schade was immers al bekend medio 2023. Het gevolg van schending van de klachtplicht is het verlies van iedere rechtsvordering. Dat is ook het geval bij gevolgschade waar hier sprake van is. Aan bespreking en beoordeling van de vraag of er schade is ontstaan aan de balkons door het handelen van [eiseres] wordt daarom niet toegekomen.
-
bijbehorende kosten voor herstel en reiniging en algemene kosten.
3.9.
Voor reiniging brengt [gedaagde] in haar schaderapportage geen schade in rekening, zodat de kantonrechter hieraan voorbij gaat. [gedaagde] brengt nog wel kosten in rekening voor het opnemen van schade, het maken van een schaderapportage, algemene gegevens en algemene bedrijfskosten. Deze kosten komen niet voor toewijzing in aanmerking. [gedaagde] heeft die kosten niet voldoende onderbouwd. Het lijkt erop dat [gedaagde] een offerte heeft willen opmaken voor werkzaamheden richting een derde. In de begroting is alleen al een bedrag opgenomen van algemene kosten van € 1.735,70. Volgens [gedaagde] heeft zij uit frustratie, omdat partijen er niet uit kwamen, op de officiële manier extra kosten in rekening gebracht. Omdat het gaat om schadevergoeding mag [gedaagde] echter alleen de kosten in rekening brengen die zij niet zou hebben gemaakt als [eiseres] geen fouten zou hebben gemaakt. Het moet zien op de gevolgschade die zij heeft geleden door het handelen van [eiseres] . Verder is over schade geen btw verschuldigd.
-
conclusie
3.10.
De conclusie van het vorenstaande is dat aan gevolgschade een bedrag van € 2.793,67 voor toewijzing in aanmerking komt.
[eiseres] moet de rente over betalen
3.11.
De rente wordt toegewezen, omdat [eiseres] dat niet heeft betwist. Omdat [gedaagde] in verzuim is wordt de rente toegewezen op basis van artikel 6:119 BW over € 2.793,67 vanaf de datum die [gedaagde] heeft genoemd.
[gedaagde] moet de proceskosten in conventie betalen. De proceskosten in reconventie worden gecompenseerd.
3.12.
[gedaagde] is in conventie in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten (inclusief nakosten) betalen. De proceskosten van [eiseres] worden begroot op:
- kosten van de dagvaarding
119,40
- griffierecht
543,00
- salaris gemachtigde
678,00
(2 punten × € 339,00)
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
1.475,40
3.13.
In reconventie zijn partijen over en weer op enkele punten in het ongelijk gesteld. Daarom moeten zij elk de eigen kosten dragen.

4.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
4.1.
veroordeelt [gedaagde] om aan [eiseres] te betalen een bedrag van € 8.779,23, te vermeerderen met de wettelijke handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW over € 7.440,29, met ingang van 29 april 2025, tot de dag van volledige betaling,
4.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten van € 1.475,40, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
4.3.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling van de kosten van betekening als [gedaagde] niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
in reconventie
4.4.
veroordeelt [eiseres] om aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 2.793,67, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel van artikel 6:119 BW met ingang van 4 april 2025, tot de dag van volledige betaling,
4.5.
compenseert de proceskosten in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,
in conventie en in reconventie
4.6.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
4.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.M. Berendsen en in het openbaar uitgesproken op 17 december 2025.