Uitspraak
RECHTBANK Midden-Nederland
1.[eiseres sub 1] ,
2.
Mr. MEIKE DE BOER,
[minderjarige],
1.de stichting [gedaagde sub 1] ,
2.
[gedaagde sub 2],
3.
[gedaagde sub 3],
1.De procedure
- de mondelinge behandeling van 26 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de pleitnota van [eiseres sub 1]
- de pleitnota van [gedaagde sub 1] .
3.De achtergrond van het geschil
€ 400.000,- betalen, zoals dat in 2023 door deskundigen is vastgesteld. Volgens [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] is de erfpachtovereenkomst al in 2016 opgezegd (tegen 2017) en hebben [gedaagde sub 1] en de vereffenaar van de erfenis afgesproken dat er € 105.000,- voor de opstallen moet worden betaald. In een bodemprocedure bij de rechtbank Midden-Nederland tussen de erven heeft de rechter geoordeeld dat de erfpachtovereenkomst al in 2017 is geëindigd, dat daarbij een vergoeding voor de opstallen van € 105.000,- is afgesproken en dat de latere opzegging en het deskundigenrapport niet relevant zijn. [eiseres sub 1] , [minderjarige] en [gedaagde sub 3] zijn door de rechtbank veroordeeld om mee te werken aan de waardeloosverklaring van het recht van erfpacht. Dat hebben zijn nog niet gedaan. Het hof Arnhem-Leeuwarden heeft in een incidenteel vonnis in hoger beroep geoordeeld dat het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland niet op een kennelijke misslag berust en dat dat vonnis ten uitvoer mag worden gelegd. Op 1 december 2025 is de mondelinge behandeling van de bodemzaak in het hoger beroep.
4.De beoordeling
dringendnodig hebben, kan wel een goede reden zijn waarom een bodemprocedure niet kan worden afgewacht. Maar [eiseres sub 1] c.s. hebben niet duidelijk gemaakt dat dit zo is;
dringendnodig hebben, maar de rechter neemt wel aan dat ze het nodig hebben. Dat maakt dat er een restitutierisico is. Bovendien is er voor [eiseres sub 1] c.s. geen nadeel, als ze meewerken aan de waardeloosverklaring van het recht van erfpacht voordat er een definitief antwoord is op de vraag of [gedaagde sub 1] € 105.000,- of € 400.000,- voor de opstallen moet betalen. Ze hebben immers geen retentierecht. Een voor [eiseres sub 1] c.s. gunstige uitkomst in hoger beroep betekent alleen dat zij meer geld toegewezen krijgen, terwijl [gedaagde sub 1] maar moet zien hoe ze haar geld terugkrijgt als ze nu het hogere bedrag moet betalen en de hof het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland in stand laat. Volgens [eiseres sub 1] c.s. zou [gedaagde sub 1] daarvoor onroerend goed in het buitenland moeten uitwinnen. Daarom is het restitutierisico te groot.