ECLI:NL:RBMNE:2025:7030

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
30 december 2025
Zaaknummer
C/16/600860 / KG ZA 25-516
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Geldvordering in kort geding over erfpachtovereenkomst en afwikkeling erfenis

In deze zaak, die op 16 december 2025 door de Rechtbank Midden-Nederland is behandeld, gaat het om een geldvordering in kort geding met betrekking tot de beëindiging van een erfpachtovereenkomst in het kader van de afwikkeling van een erfenis. De eisende partijen, bestaande uit [eiseres sub 1] en [minderjarige], vertegenwoordigd door mr. Meike de Boer, vorderen dat de gedaagde partij, de stichting [gedaagde sub 1], hen een bedrag van € 100.000,- per persoon betaalt als vergoeding voor de opstallen op de gepachte grond. De gedaagde partijen, waaronder [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3], zijn vertegenwoordigd door hun advocaten, maar [gedaagde sub 3] is niet verschenen.

De kern van het geschil draait om de vraag of de erfpachtovereenkomst rechtsgeldig is opgezegd en welk bedrag er voor de opstallen moet worden betaald. De eisende partijen stellen dat de overeenkomst pas in 2020 is opgezegd en dat er € 400.000,- voor de opstallen moet worden betaald, terwijl de gedaagde partijen beweren dat de overeenkomst al in 2016 is beëindigd en dat er slechts € 105.000,- is afgesproken. De rechtbank heeft eerder in een bodemprocedure geoordeeld dat de erfpachtovereenkomst in 2017 is geëindigd en dat de vergoeding voor de opstallen € 105.000,- bedraagt. Dit oordeel is door het hof bevestigd.

De kortgedingrechter heeft vastgesteld dat de eisende partijen geen spoedeisend belang hebben bij hun vorderingen, omdat de erfpachtovereenkomst al is geëindigd en de gedaagde partijen de grond gebruiken. Bovendien is het restitutierisico te groot, aangezien de eisende partijen niet kunnen aantonen dat zij het geld nodig hebben. De rechtbank heeft de vorderingen van de eisende partijen afgewezen en hen veroordeeld in de proceskosten van de gedaagde partijen, die in totaal € 6.939,- bedragen.

Uitspraak

RECHTBANK Midden-Nederland

Civiel recht
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: C/16/600860 / KG ZA 25-516
Vonnis in kort geding van 16 december 2025
in de zaak van

1.[eiseres sub 1] ,

te [plaats 1] ,
advocaat: mr. E.M.G. Pouls,
2.
Mr. MEIKE DE BOER,
in hoedanigheid van bijzonder curator van de minderjarige
[minderjarige],
te [plaats 2] ,
verschenen als advocaat en in persoon
eisende partijen,
hierna te noemen: [eiseres sub 1] , de Boer en/of [minderjarige] en samen [eiseres sub 1] c.s.,
tegen

1.de stichting [gedaagde sub 1] ,

te [plaats 3] ,
advocaat: mr. S.H.W. Le Large,
2.
[gedaagde sub 2],
te [plaats 4] ,
advocaat: mr. J.A. Jansens van Gellicum,
3.
[gedaagde sub 3],
te [plaats 5] ,
niet verschenen,
gedaagde partijen,
hierna te noemen: [gedaagde sub 1] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] en samen [gedaagde sub 1] c.s.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 tot en met 7 van [eiseres sub 1] c.s.
- de producties 1 tot en met 7 van [gedaagde sub 1]
- de conclusie van antwoord van [gedaagde sub 2] met producties 1 en 2
- de nagekomen productie 8 van [eiseres sub 1] c.s.
- de mondelinge behandeling van 26 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt
- de pleitnota van [eiseres sub 1]
- de pleitnota van [gedaagde sub 1] .
2. De kern van de zaak
2.1.
[eiseres sub 1] , [minderjarige] , [gedaagde sub 2] en [gedaagde sub 3] zijn de vier erfgenamen van [erflater] . [erflater] was erfpachter van een stuk grond van [gedaagde sub 1] . Er zijn op de gepachte grond opstallen gebouwd. In de erfpachtovereenkomst staat dat [gedaagde sub 1] bij het einde van de erfpachtovereenkomst moet betalen voor de opstallen. In deze zaak is het de vraag of [gedaagde sub 1] voor de opstallen € 400.000,- aan de gezamenlijke erfgenamen moet betalen (zoals [eiseres sub 1] en De Boer zeggen) of € 105.000,- (zoals [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] zeggen). [eiseres sub 1] en De Boer krijgen ongelijk.

3.De achtergrond van het geschil

3.1.
Volgens [eiseres sub 1] en De Boer is de erfpachtovereenkomst pas rechtsgeldig door [gedaagde sub 1] opgezegd in 2020 (tegen 2021) en moet de [gedaagde sub 1] voor de opstallen het bedrag van
€ 400.000,- betalen, zoals dat in 2023 door deskundigen is vastgesteld. Volgens [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] is de erfpachtovereenkomst al in 2016 opgezegd (tegen 2017) en hebben [gedaagde sub 1] en de vereffenaar van de erfenis afgesproken dat er € 105.000,- voor de opstallen moet worden betaald. In een bodemprocedure bij de rechtbank Midden-Nederland tussen de erven heeft de rechter geoordeeld dat de erfpachtovereenkomst al in 2017 is geëindigd, dat daarbij een vergoeding voor de opstallen van € 105.000,- is afgesproken en dat de latere opzegging en het deskundigenrapport niet relevant zijn. [eiseres sub 1] , [minderjarige] en [gedaagde sub 3] zijn door de rechtbank veroordeeld om mee te werken aan de waardeloosverklaring van het recht van erfpacht. Dat hebben zijn nog niet gedaan. Het hof Arnhem-Leeuwarden heeft in een incidenteel vonnis in hoger beroep geoordeeld dat het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland niet op een kennelijke misslag berust en dat dat vonnis ten uitvoer mag worden gelegd. Op 1 december 2025 is de mondelinge behandeling van de bodemzaak in het hoger beroep.

4.De beoordeling

Wat moet de kortgedingrechter beoordelen?
4.1.
[eiseres sub 1] en De Boer vorderen dat [gedaagde sub 1] aan ieder van hen € 100.000,- betaalt als vergoeding voor de opstallen. Bij de vraag of een geldvordering in kort geding kan worden toegewezen, moet de kortgedingrechter het volgende onderzoeken:
of het voldoende aannemelijk is dat de geldvordering bestaat;
of er zo’n spoed is dat een veroordeling nu nodig is;
of er – in het kader van de afweging van de belangen van partijen – een te groot risico bestaat dat [eiseres sub 1] c.s. het bedrag niet kunnen terugbetalen als een rechter in een bodemprocedure of in hoger beroep anders beslist (restitutierisico).
4.2.
Deze drie punten zijn communicerende vaten. Als er aan één punt in ruime mate is voldaan, hoeven de andere twee punten minder aanwezig te zijn. Dat geldt ook omgekeerd. Bijvoorbeeld: als er geen spoedeisend belang is, moet de vordering zeer aannemelijk zijn en het restitutierisico zeer beperkt.
[eiseres sub 1] en De Boer hebben geen spoedeisend belang
4.3.
[eiseres sub 1] c.s. hebben spoedeisend belang bij hun vorderingen als zij een bodemprocedure niet af kunnen wachten. Zij zeggen dat dit zo is omdat:
de verdeling van de erfenis al heel lang duurt;
ze het geld nodig hebben;
ze gebruik willen (blijven) maken van hun retentierecht op de grond.
Dat nog langer wachten vervelend is, betekent niet dat langer wachten niet kán. En dat is nodig om een spoedeisend belang te hebben. Bovendien is het hoger beroep in de bodemprocedure tussen de erfgenamen al in een vergevorderd stadium. Dat is weliswaar niet de bodemprocedure tussen de partijen in dit kort geding, maar geeft wel duidelijkheid over dezelfde vraag, namelijk hoeveel er betaald moet worden voor de opstallen (zie ook 4.4);
Dat [eiseres sub 1] c.s. het geld
dringendnodig hebben, kan wel een goede reden zijn waarom een bodemprocedure niet kan worden afgewacht. Maar [eiseres sub 1] c.s. hebben niet duidelijk gemaakt dat dit zo is;
Het retentierecht van een erfpachter houdt in dat hij de in erfpacht gegeven grond niet afgeeft zolang de vergoeding voor de opstallen niet is betaald. Dat is wat [eiseres sub 1] c.s. willen. Ze willen dat [gedaagde sub 1] eerst € 100.000,- aan zowel [eiseres sub 1] als aan [minderjarige] betaalt, voordat zij voldoen aan het vonnis om mee te werken aan de waardeloosverklaring van het recht van erfpacht. [eiseres sub 1] c.s. kunnen dit retentierecht echter alleen uitoefenen als zij de grond nog “onder zich hebben” en dat is niet zo. De erfpachtovereenkomst is hoe dan ook geëindigd, ofwel in 2017 ofwel in 2021. Op dit moment gebruikt [gedaagde sub 2] de grond en de opstallen. Dat doet hij niet mede namens de andere erfgenamen waaronder [eiseres sub 1] c.s., maar alleen voor zichzelf. [eiseres sub 1] c.s. hebben dus geen retentierecht en ook geen daarop gebaseerd spoedeisend belang.
Het is niet zeer aannemelijk dat [gedaagde sub 1] € 400.000,- voor de opstallen moet betalen
4.4.
Als er al een vonnis is gewezen in de bodemprocedure en daarbij geen overduidelijke fout is gemaakt of er daarna nieuwe omstandigheden zijn, moet de rechter in kort geding uitgaan van dat vonnis (afstemmingsregeling [1] ). Dat moet in dit kort geding ook.
De rechtbank Midden-Nederland heeft al geoordeeld dat ervan moet worden uitgegaan dat de erfpachtovereenkomst in 2017 is geëindigd en dat daarbij is afgesproken dat [gedaagde sub 1] €105.000,- voor de opstallen moet betalen. Het hof heeft geoordeeld dat het vonnis van de rechtbank niet berust op een kennelijke misslag. En er zijn geen nieuwe omstandigheden. Daarom moet de rechter in dit kort geding uitgaan van het oordeel in de bodemprocedure dat [gedaagde sub 1] geen € 400.000,- voor de opstallen moet betalen, ook al geven [eiseres sub 1] c.s. argumenten waarom het hoger beroep in hun voordeel uit zal gaan pakken. Bij de bodemprocedure was [gedaagde sub 1] geen partij, maar dat is geen reden om dit kort geding vonnis niet af te stemmen op het vonnis in de bodemprocedure. In de bodemprocedure werd namelijk de vraag beantwoord wanneer de erfpachtovereenkomst is geëindigd en hoeveel geld er voor de opstallen moest worden betaald en precies die vraag is de kern van dit kort geding.
4.5.
In een kort geding moet de rechter ook rekening houden met de uitkomst van een bodemprocedure die mogelijk op dat kort geding volgt [2] . Het gaat dan om een procedure waarin ook [gedaagde sub 1] zelf is betrokken. Als het waarschijnlijk is dat die bodemrechter oordeelt dat [gedaagde sub 1] wél € 400.000,- voor de opstallen moet betalen, moet de kortgedingrechter dat mee laten tellen bij zijn beoordeling. Omdat [eiseres sub 1] c.s. geen spoedeisend belang hebben, moet het zeer aannemelijk zijn dat de vorderingen bestaan en dat is hier niet zo. [eiseres sub 1] c.s. zijn in de pleitnota met een nieuw argument gekomen waardoor volgens hen de opzegging van de erfpachtovereenkomst in 2016 niet rechtsgeldig is. Namelijk het argument dat die opzegging niet via een exploot is gedaan. Op de zitting is hier geen debat over geweest. Mede daardoor is niet op voorhand te voorspellen dat [eiseres sub 1] c.s. in de bodemprocedure gelijk gaan krijgen.
Het restitutierisico is te groot
4.6.
[eiseres sub 1] c.s. hebben niet duidelijk gemaakt dat ze het geld
dringendnodig hebben, maar de rechter neemt wel aan dat ze het nodig hebben. Dat maakt dat er een restitutierisico is. Bovendien is er voor [eiseres sub 1] c.s. geen nadeel, als ze meewerken aan de waardeloosverklaring van het recht van erfpacht voordat er een definitief antwoord is op de vraag of [gedaagde sub 1] € 105.000,- of € 400.000,- voor de opstallen moet betalen. Ze hebben immers geen retentierecht. Een voor [eiseres sub 1] c.s. gunstige uitkomst in hoger beroep betekent alleen dat zij meer geld toegewezen krijgen, terwijl [gedaagde sub 1] maar moet zien hoe ze haar geld terugkrijgt als ze nu het hogere bedrag moet betalen en de hof het vonnis van de rechtbank Midden-Nederland in stand laat. Volgens [eiseres sub 1] c.s. zou [gedaagde sub 1] daarvoor onroerend goed in het buitenland moeten uitwinnen. Daarom is het restitutierisico te groot.
[eiseres sub 1] c.s. moeten de proceskosten van [gedaagde sub 1] c.s. betalen
4.7.
[eiseres sub 1] c.s. krijgen ongelijk en moeten daarom de proceskosten (inclusief nakosten) van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] betalen.
4.8.
De proceskosten van [gedaagde sub 1] worden begroot op:
- griffierecht
2.995,00
- salaris advocaat
1.107,00
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
4.280,00
4.9.
De proceskosten van [gedaagde sub 2] worden begroot op:
- griffierecht
1.374,00
- salaris advocaat
1.107,00
- nakosten
178,00
(plus de verhoging zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
2.659,00
4.10.
De proceskosten van [gedaagde sub 3] worden begroot op nihil.

5.De beslissing

De voorzieningenrechter
5.1.
verleent verstek tegen [gedaagde sub 3] ,
5.2.
wijst de vorderingen van [eiseres sub 1] c.s. af,
5.3.
veroordeelt [eiseres sub 1] c.s. in de proceskosten van [gedaagde sub 1] van € 4.280,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiseres sub 1] c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.4.
veroordeelt [eiseres sub 1] c.s. in de proceskosten van [gedaagde sub 2] van € 2.659,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe, te vermeerderen met € 92,00 plus de kosten van betekening als [eiseres sub 1] c.s. niet tijdig aan de veroordelingen voldoen en het vonnis daarna wordt betekend,
5.5.
veroordeelt [eiseres sub 1] c.s. in de proceskosten van [gedaagde sub 3] begroot op nihil,
5.6.
verklaart dit vonnis wat betreft de proceskostenveroordelingen uitvoerbaar bij voorraad.
Dit vonnis is gewezen door mr. A.A.T. van Rens en in het openbaar uitgesproken op 16 december 2025.
MB (4209)

Voetnoten

2.Zie noot 1