ECLI:NL:RBMNE:2025:7027

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
16 december 2025
Publicatiedatum
30 december 2025
Zaaknummer
11928206 \ UV EXPL 25-264
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot schadevergoeding door huurster na overstroming huurwoning door gebrek

In deze zaak heeft de kantonrechter van de Rechtbank Midden-Nederland op 16 december 2025 uitspraak gedaan in een kort geding tussen Stichting Bo-Ex'91 en [gedaagde sub 2]. De eisende partij, Bo-Ex, had een vordering in conventie ingesteld, maar trok deze in tijdens de procedure. De gedaagde partij, [gedaagde sub 2], vorderde in reconventie schadevergoeding wegens gevolgschade door een gebrek aan haar huurwoning. De zaak kwam voort uit een incident waarbij de huurwoning van [gedaagde sub 2] overstroomde met rioolwater, veroorzaakt door een losgeschoten rioleringsbuis na werkzaamheden die door Bo-Ex waren uitgevoerd. De woning werd onbewoonbaar verklaard en [gedaagde sub 2] moest tijdelijk in een logeerwoning verblijven.

Tijdens de mondelinge behandeling op 25 november 2025 werd duidelijk dat [gedaagde sub 2] geen financiële middelen had om de schade te vergoeden die was ontstaan door de overstroming. De kantonrechter oordeelde dat Bo-Ex verantwoordelijk was voor de schade, aangezien de werkzaamheden aan de riolering door hen waren uitgevoerd en fouten waren gemaakt. De kantonrechter wees de vordering van [gedaagde sub 2] grotendeels toe en stelde de schadevergoeding vast op € 12.781,65, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de datum van de overstroming op 18 oktober 2024. Daarnaast werd Bo-Ex veroordeeld tot betaling van de proceskosten in zowel conventie als reconventie.

Het vonnis werd uitvoerbaar bij voorraad verklaard, wat betekent dat de beslissing onmiddellijk moet worden nageleefd, ook als Bo-Ex in beroep gaat. De uitspraak benadrukt de verantwoordelijkheden van verhuurders bij gebreken aan huurwoningen en de rechten van huurders op schadevergoeding.

Uitspraak

RECHTBANKMIDDEN-NEDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Utrecht
Zaaknummer: 11928206 \ UV EXPL 25-264 / BJvd/61169
Vonnis in kort geding van 16 december 2025
in de zaak van
STICHTING BO-EX'91,
gevestigd in Utrecht,
eisende partij in conventie,
verwerende partij in reconventie,
hierna te noemen: Bo-Ex,
gemachtigde: mr. M.P.H. van Wezel,
tegen
1.
[gedaagde sub 1] , werkzaam ten kantore van [onderneming 1] B.V., handelend als bewindvoerder over het vermogen van [gedaagde sub 2],
wonend in [woonplaats 1] ,

2 [gedaagde sub 2]

wonend in [woonplaats 2] ,
gedaagde partijen in conventie,
eisende partijen in reconventie,
hierna samen te noemen: [gedaagde sub 2] ,
gemachtigde: mr. R. van Veen.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding met producties 1 t/m 9,
- de conclusie van antwoord met de eis in reconventie en producties 1 t/m 7,
- de akte van Bo-Ex met aanvullende productie 10 en 11,
- de mondelinge behandeling van 25 november 2025, waarvan door de griffier aantekeningen zijn gemaakt.
1.2.
Op de mondelinge behandeling hebben partijen verzocht om de zaak een week aan te houden om te kijken of zij samen tot overeenstemming konden komen. Op 2 december 2025 heeft de gemachtigde van Bo-Ex laten weten dat de eis in conventie wordt ingetrokken en de eis in reconventie wordt gehandhaafd. De gemachtigde van [gedaagde sub 2] heeft dit in zijn bericht van 3 december 2025 bevestigd.
1.3.
Vervolgens is bepaald dat er een vonnis zal worden uitgesproken.

2.De kern van de zaak

2.1.
Bo-Ex heeft werkzaamheden laten uitvoeren in de huurwoning die [gedaagde sub 2] van haar huurt. Naar aanleiding van die werkzaamheden is de rioleringsbuis in de huurwoning van [gedaagde sub 2] losgeschoten, waardoor de woning is overstroomd met rioolwater. De woning is vervolgens onbewoonbaar verklaard en de beschadigde spullen en vloer van [gedaagde sub 2] zijn weggegooid. [gedaagde sub 2] woont nu in een door Bo-Ex aan haar tijdelijk beschikbaar gestelde gemeubileerde logeerwoning. Bo-Ex stelt dat de eigenlijke huurwoning van [gedaagde sub 2] inmiddels weer bewoonbaar is en [gedaagde sub 2] hiernaar terug kan (en moet). [gedaagde sub 2] stelt terug te willen naar haar eigenlijke huurwoning, maar dat dit niet mogelijk is omdat Bo-Ex haar schade niet wil vergoeden. Volgens [gedaagde sub 2] heeft zij geen geld om een vloer te laten leggen in de woning en hier meubilair in te plaatsen en is de woning op deze manier onbewoonbaar. [gedaagde sub 2] stelt dat Bo-Ex haar schade door de overstroming van de riolering moet vergoeden en vordert daarom in reconventie schadevergoeding. De kantonrechter wijst de vordering van [gedaagde sub 2] grotendeels toe.

3.De beoordeling

in conventie
De vordering in conventie is ingetrokken
3.1.
Over de eis in conventie hoeft geen inhoudelijk oordeel meer gegeven te worden, omdat Bo-Ex haar vordering tot ontruiming van de logeerwoning heeft ingetrokken.
3.2.
[gedaagde sub 2] heeft gevraagd om een proceskostenveroordeling in conventie. De gemachtigde van [gedaagde sub 2] heeft op basis van de conventionele vordering een conclusie van antwoord ingediend. [gedaagde sub 2] heeft dus kosten gemaakt die voor vergoeding in aanmerking komen. Bo-Ex zal daarom worden veroordeeld in de proceskosten in conventie. De proceskosten van [gedaagde sub 2] worden in conventie begroot op:
- salaris gemachtigde
814,00
- nakosten
135,00
(plus de kosten van betekening zoals vermeld in de beslissing)
Totaal
949,00
in reconventie
[gedaagde sub 2] heeft een spoedeisend belang bij haar vordering
3.3.
Het gaat hier om een in kort geding gevorderde voorlopige voorziening. De kantonrechter moet daarom eerst beoordelen of [gedaagde sub 2] ten tijde van dit vonnis bij die voorziening een spoedeisend belang heeft. Daarnaast geldt dat de kantonrechter in dit kort geding moet beoordelen of de vorderingen in de bodemprocedure een zodanige kans van slagen hebben, dat vooruitlopend daarop toewijzing van de voorlopige voorziening gerechtvaardigd is. Als uitgangspunt geldt bovendien dat in deze procedure geen plaats is voor bewijslevering.
3.4.
[gedaagde sub 2] heeft een spoedeisend belang bij haar vordering. Het is duidelijk dat [gedaagde sub 2] geld nodig heeft om op zijn minst een vloer te kunnen laten leggen in haar huurwoning om daarnaar terug te kunnen verhuizen. Ook is duidelijk dat [gedaagde sub 2] dat geld niet heeft en Bo-Ex haar geen schadevergoeding wil betalen. Bovendien heeft [gedaagde sub 2] onderbouwd dat het voor haar belastend is om langer in de logeerwoning te verblijven, omdat deze zich op de eerste verdieping bevindt, terwijl [gedaagde sub 2] vanwege haar gezondheid niet goed trappen kan lopen. Zij heeft dus een spoedeisend belang bij de terugkeer naar haar eigenlijke woning (met een vloer en meubilair). Van belang in deze zaak is ook dat de minderjarige kleindochter van [gedaagde sub 2] bij haar in de woning woont. Uit een verklaring van de behandelaar van de kleindochter blijkt dat de huidige woonsituatie niet geschikt en belastend is voor de inwonende kleindochter.
Bo-Ex is verantwoordelijk voor de schade die in de woning van [gedaagde sub 2] is ontstaan
3.5.
Vast staat dat [gedaagde sub 2] geen huurgenot heeft gehad omdat haar huurwoning op 18 oktober 2024 is overstroomd met rioolwater nadat er een rioleringsbuis is losgeschoten in de woning. Dit is volgens de wet een gebrek aan de woning. [1] Ook staat vast dat de eerdere werkzaamheden aan de riolering zijn uitgevoerd door aannemers die Bo-Ex heeft ingeschakeld. De zoon van [gedaagde sub 2] heeft direct bij het ontdekken van het gebrek contact opgenomen met de calamiteitendienst van Bo-Ex, die vervolgens onderaannemer [onderneming 2] B.V. (hierna: [onderneming 2] ) heeft gestuurd om een opnamerapport te maken van de schade en om de oorzaak van de schade vast te stellen. Uit het rapport blijkt dat bij de eerdere werkzaamheden aan het riool geen rekening is gehouden met het vacuüm, waardoor de riolering uiteindelijk uit de afvoer is geschoten. Dat betekent dat de door Bo-Ex ingeschakelde aannemers fouten hebben gemaakt bij de eerdere werkzaamheden aan de riolering. Omdat Bo-Ex de aannemers heeft ingeschakeld en opdracht heeft gegeven voor de werkzaamheden aan de riolering, is Bo-Ex ook verantwoordelijk voor de uitvoering van die werkzaamheden. Dat daarbij fouten zijn gemaakt en hierdoor schade is ontstaan komt dus voor rekening en risico van Bo-Ex.
Er is een causaal verband tussen de schade en de werkzaamheden
3.6.
Uit het door [onderneming 2] opgestelde rapport blijkt dat de overstroming van de woning met rioolwater het gevolg is van fouten die zijn gemaakt bij de uitvoering van de werkzaamheden die in opdracht van Bo-Ex aan de riolering zijn uitgevoerd. Daarom staat vast dat er een causaal verband is tussen de ontstane (gevolg)schade en de werkzaamheden.
Bo-Ex moet schadevergoeding aan [gedaagde sub 2] betalen
3.7.
Omdat het ontstaan van de schade aan de huurwoning van [gedaagde sub 2] een gebrek oplevert en aan Bo-Ex kan worden toegerekend, moet Bo-Ex de schade aan [gedaagde sub 2] vergoeden. [2]
3.8.
[gedaagde sub 2] heeft uitgelegd dat na het ontdekken van de overstroming, de woning onbewoonbaar is verklaard en de woning werd gesloten, zodat zij de woning vanaf dat moment niet meer kon betreden. Alle beschadigde inboedel van [gedaagde sub 2] is vervolgens weggegooid door het door Bo-Ex ingeschakelde bedrijf [onderneming 3] . [onderneming 3] heeft een lijst opgesteld van de spullen die zijn weggegooid. De zoon van [gedaagde sub 2] heeft die lijst opgevraagd en vervolgens van alle spullen op de lijst de goedkoopste versie en de nieuwprijs daarvan op internet opgezocht. Op die manier is een berekening gemaakt van de totale omvang van de schade aan de inboedel, met uitzondering van de vloer. [gedaagde sub 2] stelt dat de schade van de inboedel € 12.155,00 bedraagt.
3.9.
[gedaagde sub 2] moet een nieuwe vloer in haar huurwoning laten leggen omdat de door haar aangeschafte parketvloer als gevolg van de overstroming is beschadigd en door [onderneming 3] is verwijderd en weggegooid. [gedaagde sub 2] heeft onderbouwd gesteld dat de kosten voor een eenvoudige nieuwe vloer in haar woning € 2.582,09 zijn. Omdat [gedaagde sub 2] vanwege haar gezondheid de vloer niet zelf kan leggen, heeft zij [onderneming 3] gevraagd om een offerte op te stellen voor het leggen van de vloer. Daaruit blijkt dat de kosten voor het leggen van de vloer € 4.959,56 zijn. Anders dan dat dit hoge kosten zijn voor het leggen van een vloer, heeft Bo-Ex de hoogte van deze kostenpost niet betwist.
3.10.
Op basis van het bovenstaande vordert [gedaagde sub 2] betaling van een schadevergoeding van € 12.155,00 + € 2.582,09 + € 4.959,56 = 19.696,65.
3.11.
Bo-Ex betwist de hoogte van de totale schadevergoeding. De inboedelverzekering van [gedaagde sub 2] heeft een voorstel tot schadevaststelling gedaan aan [gedaagde sub 2] voor een bedrag van € 6.915,00 inclusief btw. Deze schade heeft [gedaagde sub 2] ook uitgekeerd gekregen van haar inboedelverzekering. Volgens Bo-Ex blijkt hieruit dat de schade is vastgesteld op zojuist genoemd bedrag en is dit ook een redelijk bedrag. Dat de schade meer zou zijn is volgens Bo-Ex onvoldoende onderbouwd. Bovendien moet er volgens Bo-Ex worden gekeken naar hoe oud de spullen van [gedaagde sub 2] waren en vervolgens moet een nieuw-voor-oud correctie worden toegepast.
De schadevergoeding wordt vastgesteld op € 12.781,65
3.12.
De kantonrechter is van oordeel dat [gedaagde sub 2] de schade voldoende heeft onderbouwd met de nieuwprijs van de inboedel die volgens de opgave van [onderneming 3] in opdracht van Bo-Ex is afgevoerd. De kantonrechter gaat uit van de gepresenteerde nieuwwaarde van de spullen, omdat alle spullen noodzakelijkerwijs vervangen moeten worden en niet gesteld of gebleken is dat deze spullen binnen afzienbare tijd al aan vervanging toe waren. Er zijn geen aanknopingspunten voor de stelling van Bo-Ex dat [gedaagde sub 2] door uit te gaan van de nieuwwaarde voordeel zou genieten en dat is wel vereist voor voordeeltoerekening. [3] Ook niet gebleken is dat er al andere passende vervangende spullen aan [gedaagde sub 2] ter beschikking zijn gesteld die mee kunnen worden verhuisd naar de nieuwe woning.
3.13.
Gelet op het bovenstaande is het aannemelijk dat er in een bodemprocedure zal worden geoordeeld dat Bo-Ex schadevergoeding aan [gedaagde sub 2] moet betalen. De verzekering heeft al een bedrag van € 6.915,00 aan schadevergoeding uitgekeerd aan [gedaagde sub 2] . Dit bedrag moet worden afgetrokken van het door [gedaagde sub 2] berekende totaalbedrag aan schade van € 19.696,65 om vast te stellen welk bedrag Bo-Ex nog aan [gedaagde sub 2] moet betalen aan schadevergoeding. Bo-Ex moet dus een bedrag van € 19.696,65 - € 6.915,00 = € 12.781,65 aan [gedaagde sub 2] betalen aan schadevergoeding.
Bo-Ex moet de wettelijke rente over de schadevergoeding betalen
3.14.
Bo-Ex is in verzuim met betaling van de schadevergoeding. Het verzuim treedt van rechtswege in op de dag dat de schade is ontstaan, namelijk de dag van de overstroming van de huurwoning van [gedaagde sub 2] . Daarom vordert ook de wettelijke rente over de schadevergoeding vanaf 18 oktober 2024. In dit specifieke geval zou anders tegen de ingangsdatum van de wettelijke rente kunnen worden aangekeken, omdat [gedaagde sub 2] lange tijd de beschikking heeft gehad over een ingerichte huurwoning waar zij geen tegenprestatie voor verschuldigd was. Daar staat tegenover dat onweersproken is aangevoerd dat de vervangende huurwoning niet passend was, niet passend was ingericht en niet meteen ter beschikking is gesteld. Bovendien had [gedaagde sub 2] al eerder passende nieuwe meubels aan kunnen schaffen als de schade eerder was vergoed. Bo-Ex heeft ook geen verweer gevoerd tegen de gevorderde wettelijke rente. De wettelijke rente zal dus worden toegewezen zoals gevorderd.
Bo-Ex moet de proceskosten in reconventie betalen
3.15.
Bo-Ex is in het ongelijk gesteld en moet daarom de proceskosten betalen. De proceskosten van [gedaagde sub 2] in reconventie worden begroot op:
- salaris gemachtigde
407,00
(814,00 × factor 0,5)
Totaal
407,00
Het vonnis wordt uitvoerbaar bij voorraad verklaard
3.16.
Het vonnis zal uitvoerbaar bij voorraad worden verklaard, zoals is gevorderd. Dat betekent dat de beslissing moet worden gevolgd, ook als een van partijen hoger beroep instelt tegen deze beslissing of een bodemzaak start. De beslissing van de kantonrechter geldt in dat geval totdat de rechter een andere beslissing neemt.

4.De beslissing

De kantonrechter
in conventie
4.1.
verstaat dat Bo-Ex haar vordering heeft ingetrokken,
4.2.
veroordeelt Bo-Ex in de proceskosten van € 949,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in reconventie
4.3.
veroordeelt Bo-Ex om aan [gedaagde sub 2] te betalen een bedrag van € 12.781,65 aan schadevergoeding, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf 18 oktober 2024 tot de dag van volledige betaling,
4.4.
veroordeelt Bo-Ex in de proceskosten van € 407,00, te betalen binnen veertien dagen na aanschrijving daartoe,
in conventie en in reconventie
4.5.
veroordeelt Bo-Ex tot betaling van de kosten van betekening als Bo-Ex niet tijdig aan de veroordelingen voldoet en het vonnis daarna wordt betekend,
4.6.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 4.2 tot en met 4.4 genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,
4.7.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.C.P.M. Straver en in het openbaar uitgesproken op 16 december 2025.

Voetnoten

1.Als bedoeld in artikel 7:204 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW).
2.Op grond van artikel 7:208 BW.
3.Artikel 6:100 BW.