Uitspraak
RECHTBANK Midden-Nederland
1.De procedure
2.De kern van de zaak
(…)
De eigenaar van het desbetreffende dienende erf [de rechtbank: lees de jachthaveneigenaar] is gerechtigd het vorenomschreven parkeerterrein elders — mits in de naaste omgeving daarvan en mits geen verslechtering met zich medebrengende — te situeren (…) ”
‘door de eigenaar aan te geven plaats’in de aanhef van het artikel bedoeld het hele parkeerterrein en is met de woorden ‘
naaste omgeving’in onderdeel b bedoeld andere percelen in de buurt van de jachthaven. Daarom is onderdeel b volgens haar alleen van toepassing als het hele parkeerterrein verplaatst wordt naar een ander perceel in de omgeving. Maar, als partijen dat destijds inderdaad zo bedoeld zouden hebben, dan lijkt het vereiste van onderdeel b – dat de verplaatsing geen verslechtering mee mag brengen – zinloos en dus een lege letter. Als het hele parkeerterrein van het perceel van de jachthaven naar een ander perceel verplaatst zou worden, dan komt dat parkeerterrein – gelet op de ligging van het parkeerterrein bij de jachthaven – namelijk hoe dan ook verder weg te liggen van de jachthaven. Dat betekent dus per definitie een verslechtering zoals bedoeld in onderdeel b. Bovendien zou [gedaagde] dan de bevoegdheid moeten hebben om het parkeerterrein te mogen verplaatsen naar een ander perceel dan het hare. Dat zij eigenaar is van andere percelen in de naaste omgeving van de Jachthaven is niet genoemd. [gedaagde] heeft tijdens de mondelinge behandeling wel gezegd dat er ten tijde van het sluiten van de overeenkomst sprake was van meerdere percelen in de omgeving , maar dat er toen plannen waren voor de aanschaf van één van die percelen om die als parkeerterrein te gebruiken, blijkt nergens uit.
‘door de eigenaar aan te geven plaats’in de aanhef bedoeld een specifieke parkeerplaats die alleen voor hem als erfpachter is aangewezen. Dat lijkt een logischere uitleg van het artikel. Want, waarom zou de eigenaar van het dienende erf (de jachthaveneigenaar) een parkeerplaats aanwijzen als er op dat moment alleen een parkeerterrein is waar op een willekeurige plek geparkeerd kan worden. Bovendien heeft [eiser] , naar eigen zeggen, ook altijd op dezelfde aan hem aangewezen parkeerplek [nummer] geparkeerd. Daarnaast is van belang dat [eiser] tijdens de mondelinge behandeling goed heeft uitgelegd hoe de erfdienstbaarheid tot stand is gekomen en hoe in de praktijk de aanwijzing van de parkeerplaats heeft plaatsgevonden. Zo heeft hij verteld dat hij destijds met de toenmalige eigenaar van het perceel, [C] (de opa van de bestuurders van [gedaagde] ), heeft afgesproken dat die zijn woonark zou mogen bouwen als hij ( [eiser] ) een eigen parkeerplek zou krijgen op het jachthaven terrein, naast de woonark. De prijs voor die vaste parkeerplek zou dan bij het erfpachtbedrag inbegrepen zijn. [C] is daarmee akkoord gegaan en is vervolgens op zoek gegaan naar een parkeerplek voor [eiser] . Hij heeft die parkeerplek, dat was parkeervak nummer [nummer] , ter plekke aan [eiser] laten zien en gevraagd of hij dat een goede plek vond. [eiser] vond de plek goed en zo is volgens [eiser] deze afspraak mondeling tot stand gekomen. [gedaagde] betwist dit wel, maar heeft dat helemaal niet onderbouwd. Zij voert alleen aan dat de vorige eigenaars van de jachthaven ( [C] en daarna een korte periode de inmiddels overleden vader van de eigenaars van [gedaagde] ) jaarlijks de parkeerplekken wijzigden. Voor zover dat al klopt, heeft zij in ieder geval niet aannemelijk gemaakt dat dit ook gold voor de parkeerplek van [eiser] . [eiser] heeft weersproken dat zijn oude parkeerplek ooit is gewijzigd en zegt in dit verband dat hij dezelfde parkeerplaats sinds 2002 onafgebroken heeft gebruikt totdat [gedaagde] tot herinrichting over ging. Dat de parkeerplaats van [eiser] wel al eerder is verplaatst is ook niet aannemelijk, omdat [eiser] daar in dat geval – zo heeft hij naar voren gebracht – eerder bezwaar tegen zou hebben gemaakt.
€ 178,00(plus eventueel de verhoging zoals vermeld in de beslissing)