ECLI:NL:RBMNE:2025:7003

Rechtbank Midden-Nederland

Datum uitspraak
29 december 2025
Publicatiedatum
29 december 2025
Zaaknummer
25-032956
Instantie
Rechtbank Midden-Nederland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Opschorting van de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf in het kader van een hoger beroep met bijzondere omstandigheden

In deze zaak heeft de voorzieningenrechter van de Rechtbank Midden-Nederland op 29 december 2025 een verzoek tot opschorting van de tenuitvoerlegging van een gevangenisstraf van vier weken toegewezen. Verzoeker, die eerder op 24 februari 2025 door de politierechter was veroordeeld, had hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis, maar dit was te laat gebeurd. Verzoeker heeft verschillende verslavingsstoornissen en was in behandeling bij een verslavingsinstelling, wat hem verhinderde om tijdig hoger beroep in te stellen. De officier van justitie heeft aangegeven dat de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf niet kan worden opgeschort, maar verzet zich niet tegen de opschorting gezien de omstandigheden van de zaak.

De voorzieningenrechter heeft de belangen van verzoeker en de officier van justitie afgewogen. Verzoeker heeft zijn belang bij opschorting onderbouwd, en de officier van justitie heeft geen bezwaren tegen de opschorting. De voorzieningenrechter heeft geconcludeerd dat het belang van verzoeker zwaarder weegt en heeft daarom besloten de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf op te schorten. Dit betekent dat verzoeker in vrijheid het hoger beroep kan afwachten, wat van groot belang is gezien zijn situatie en de lopende zorgmachtiging die in februari 2026 afloopt.

Uitspraak

RECHTBANK MIDDEN-NEDERLAND

Strafrecht
Zittingsplaats Utrecht
raadkamernummer : 25-032956
datum : 29 december 2025
beslissing van de voorzieningenrechter op het verzoek op grond van artikel 6:1:16 van het Wetboek van Strafvordering van:

[verzoeker] ,

geboren op [geboortedatum] 1979 in [geboorteplaats] ,
raadsman: mr. J.J.J. Zwaan.
hierna te noemen: verzoeker.

Procesverloop

Met het vonnis van de politierechter van deze rechtbank van 24 februari 2025 (parketnummer 96-307002-24) is verzoeker veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 weken.
Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen dit vonnis, na het verstrijken van de daarvoor geldende termijn.
Verzoeker heeft op 18 december 2025 aan de voorzieningenrechter verzocht om de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf op te schorten.
De officier van justitie heeft op 24 december 2025 op het verzoek gereageerd.
De voorzieningenrechter heeft ervan afgezien om verzoeker op een zitting te horen, omdat hij daarom niet heeft verzocht.

Standpunten van partijen

Verzoeker wijst erop dat hij bij de politie gesignaleerd staat om hen aan te houden voor de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf. Verzoeker heeft verschillende verslavingsstoornissen, die begin dit jaar tot de afgifte van een zorgmachtiging en een crisisplaatsing bij een verslavingsinstelling hebben geleid. De verslavingen waren zo ernstig dat hij regelmatig moest worden opgenomen in het ziekenhuis. Hierdoor heeft verzoeker niet op tijd hoger beroep kunnen instellen. De zorgmachtiging loopt in februari 2026 af en verzoeker wenst dat de zorg dan wordt voortgezet met een forensisch kader van de strafrechter. Daarvoor is het nodig dat het gerechtshof hem in hoger beroep een voorwaardelijke straf oplegt met bijzondere voorwaarden. Dat is niet meer mogelijk als verzoeker dan de gevangenisstraf al heeft uitgezeten.
De officier van justitie wijst erop dat naar haar oordeel vaststaat dat het hoger beroep te laat is ingesteld en dat zij zelf de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf niet kan opschorten. Verzoeker is inmiddels aangehouden en de tenuitvoerlegging is gestart. Tegen de achtergrond van de onderbouwing van het verzoek verzet de officier van justitie zich niet tegen opschorting van de tenuitvoerlegging.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Als naar het oordeel van het openbaar ministerie vaststaat dat iemand te laat was met het instellen van hoger beroep tegen een vonnis, wordt de tenuitvoerlegging van dat vonnis niet opgeschort. Op grond van artikel 6:1:16, vierde lid, aanhef en onderdeel b van het Wetboek van Strafvordering kan de voorzieningenrechter op verzoek anders bepalen en de tenuitvoerlegging alsnog opschorten.
Het gerechtshof moet in hoger beroep oordelen over de vraag of sprake is van bijzondere omstandigheden die niet aan verzoeker zijn toe te rekenen, waardoor het verontschuldigbaar is dat verzoeker te laat hoger beroep heeft ingesteld. De voorzieningenrechter ziet geen reden om op die beslissing vooruit te lopen en zal zich beperken tot een weging van de belangen die verzoeker en de officier van justitie hebben bij het al dan niet opschorten van de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf.
Verzoeker heeft zijn belang bij opschorting onderbouwd en de officier van justitie heeft geen bezwaren tegen opschorting. Bij deze stand van zaken weegt het belang van verzoeker zwaarder. De voorzieningenrechter zal het verzoek toewijzen en de tenuitvoerlegging opschorten. Dat betekent dat verzoeker het hoger beroep in vrijheid mag afwachten.

Beslissing

De voorzieningenrechter schort op de tenuitvoerlegging van de gevangenisstraf van 4 weken, waartoe verzoeker is veroordeeld bij vonnis 24 februari 2025, parketnummer 96-307002-24.
Deze beslissing is gegeven door mr. K. de Meulder, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 29 december 2025.